Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW2486

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
11/02862
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW2486
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/656

Conclusie

Nr. 11/02862

Mr. Vegter

Zitting 28 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 1 juni 2011 wegens 1. "Medeplegen van moord", 2. ''Medeplegen van poging tot moord" en 3. "Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 (vijftien) jaar met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en voorts met afwijzing van een vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf en met bevel tot gevangenneming van verdachte, alles als nader in het arrest is bepaald.

2. Mr. A.A. Bloemberg, advocaat te Haarlem, heeft cassatie ingesteld en mr. H.K. ter Brake, advocaat te Hoorn, heeft bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over het gebruik voor het bewijs van vertrouwelijke communicatie, welke zonder (nadere) deskundige duiding niet redengevend is te achten voor het bewijs.

4. Het middel betreft (met weglating van de noten) de volgende passage in de Promis bewijsoverwegingen van het Hof:

"Op 9 juni 2008 en 24 juni 2008 werd op basis van artikel 126l van het Wetboek van Strafvordering, na een machtiging ter zake door de rechter-commissaris, vertrouwelijke communicatie opgenomen tussen respectievelijk de verdachte en een vriend van de verdachte genaamd [betrokkene 1], bijgenaamd (en verder in dit arrest aangeduid als:) 'Yankee' en tussen de verdachte en [betrokkene 2]. Een deel van het opgenomen gesprek van 9 juni 2008 luidt als volgt:

'Verdachte: Hé, maar om [betrokkene 2] zit ik nu vast, hoor.

Yankee: Waarom?

Verdachte: Als hij mij alle ...eten van de dingen had gegeven, toch.

Yankee: Ja

Verdachte: Had de andere man van mij de andere man ook geuit, toch.

Yankee: Uh?

Verdachte: Dan had ik de andere man ook geuit, toch."

Yankee: O... Ik begrijp je. Dan was er niets gezegd.

Verdachte: Ja, toch.'

In het opgenomen vertrouwelijke gesprek tussen [betrokkene 2] en de verdachte van 24 juni 2008 zegt de verdachte: 'Gewoon...ik begin op de man te schieten, hij loopt gewoon mee...'."

5. In de in het proces-verbaal van de zitting van 25 oktober 2010 ingevoegde pleitnota wordt dit gesprek deels weergegeven op p. 23. Mogelijk - het is mij niet glashelder - gebruikt de raadsman het gesprek om te illustreren dat sprake is van grootspraak dan wel dat er aanwijzingen aan kunnen worden ontleend dat er een andere dader is (p. 21). Uit het gesprek tussen verdachte en Yankee zou niet blijken dat verdachte iemand heeft 'geuit', er zou niet blijken van strafbare wetenschap van verdachte voorafgaand aan of tijdens het delict en de context is te onduidelijk om verstrekkende conclusies aan te verbinden. Voorts wordt opgemerkt dat het bij 'eten' van de 'dingen' gaat om iets in het meervoud. Volgens het technische onderzoek is er maar met één pistool geschoten. Het eten kan derhalve niet in verband worden gebracht met het 'ene' pistool waarmee is geschoten. Ik citeer nog het volgende uit de pleitnota: "Daarnaast - volstrekt hypothetisch - blijkt niet overtuigend met welk doel dit eten zou zijn gegeven. Heeft cliënt opzet gehad op een schietpartij en zo ja, ook tegen de twee slachtoffers. Is het 'eten' buiten de wil of buiten zijn medeweten, buiten zijn opzet (bij toeval) bij derden terecht gekomen? Is het medeweten van cliënt gebruikt? Was het niet bedoeld voor iemand anders? Was het opzet gericht op anderen? Volstrekt onduidelijk."

6. Aan het schriftelijke requisitoir van de Advocaat-Generaal (p. 26) ontleen ik in dit verband het volgende. De vertrouwelijke gesprekken zijn vertaald door een tolk/vertaler en dat heeft volgens een daartoe ingeschakelde deskundige een uitstekende en juiste vertaling opgeleverd. Wat verdachte in het hierboven weergegeven gesprek tegen Yankee zegt, moet als volgt worden begrepen: "Hé, maar om [betrokkene 2] zit ik vast hoor...Als hij mij alle kogels van het vuurwapen had gegeven ...had de andere man van mij de andere man ook vermoord toch...Dan had ik de andere man ook vermoord toch".

7. Zonder nadere vertolking vallen de voor het bewijs gebruikte gesprekken voor een buitenstaander moeilijk te duiden. Voorts is duidelijk dat het Hof aan de gesprekken betekenis voor het bewijs heeft toegekend, maar in het licht van de overige bewijsmiddelen is de betekenis van deze gesprekken naar het mij voorkomt niet meer dan ondersteuning van die andere bewijsmiddelen. Immers uit die andere bewijsmiddelen is het daderschap van verdachte al zonder meer af te leiden. Het is dus niet zo dat het Hof aan deze gesprekken op zichzelf verstrekkende betekenis heeft toegekend. De gesprekken dienen dus niet geïsoleerd te worden gezien, maar in de context van de overige bewijsmiddelen. Zo bezien wordt in ieder geval in versluierende taal gesproken en zegt verdachte dat hij om [betrokkene 2] vast zit. Uit de Promis bewijsredenering van het Hof blijkt dat met [betrokkene 2] wordt gedoeld op [betrokkene 2] en dat deze verdachte kort voor de schietpartij een wapen heeft gegeven. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof gelet daarop aan de mededeling van verdachte dat hij om [betrokkene 2] vastzit betekenis toegekend voor het bewijs. Daar is zelfs geen vertolking voor nodig.

8. Welke betekenis aan het gesprek van 9 juni 2008 tussen verdachte en Yankee kan worden toegekend is, zoals hierboven onder punt 6 hierboven naar voren kwam, ter zitting door de Advocaat-Generaal in zijn requisitoir naar voren gebracht. Voor de verdediging was die vertolking kennelijk duidelijk mede gelet op de opmerkingen van de raadsman onder punt 5 hierboven weergegeven. Dat de vertaling onjuist was, is niet gesteld. Er is slechts gesproken over de betekenis die aan het vertaalde gesprek kon worden toegekend. Volgens de raadsman was die onduidelijk. Dat is een kwestie van waardering en behoort tot het domein van de feitenrechter. Mede in het licht dat het voor de verdediging kennelijk duidelijk was welke belastende waardering er aan het gesprek kon worden toegekend, is het gesprek zonder meer redengevend voor de bewezenverklaring. Omdat niet betwist wordt dat het gesprek bij de door de Advocaat-Generaal voorgestane vertaling redengevend is, zie ik er vanaf die bewijsbetekenis van de gesprekken nader toe te lichten. Voor zover het middel er over beoogt te klagen dat de redengevendheid van het gesprek nader zou dienen te worden toegelicht, slaagt het evenmin. Immers daartoe was geen aanleiding bij gebreke van een door de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in artikel 359, tweede lid, Sv. Het middel klaagt dan ook terecht niet over het ontbreken van een reactie op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, maar maakt intussen evenmin duidelijk waarom het Hof gehouden was een bijzondere overweging te wijden aan de betekenis van het afgeluisterde gesprek als bewijsmiddel. Het voorgaande geldt onverkort voor het gesprek van 24 juni 2008 tussen [betrokkene 2] en verdachte met dien verstande dat uit dat gesprek het Hof zonder meer kon afleiden dat verdachte (op enig moment en enige plaats) op een man is beginnen te schieten. De bewijsbetekenis daarvan lijkt mij voor zich te spreken.

9. Het eerste middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt over de onbegrijpelijkheid van een overweging van het Hof naar aanleiding van een verweer inzake de betrouwbaarheid van een herkenning van verdachte door [betrokkene 3].

11. De overweging in het arrest van het Hof inzake de betrouwbaarheid van de herkenning houdt het volgende in:

"Door de raadsman is, op gronden zoals in de pleitnota verwoord, het verweer gevoerd dat sprake is van een onbetrouwbare herkenning van - met name het gezicht van - de schutter door [betrokkene 3].

Het hof stelt voorop dat, zoals hierboven weergegeven, uit de reconstructie blijkt dat vanaf de bestuurdersstoel van de Fiat Punto het gehele lichaam - inclusief het hoofd - van de persoon die op de auto komt aflopen zichtbaar was. Het hof overweegt te dien aanzien dat herkenning ook op andere facetten van een persoon kan zijn gebaseerd dan de enkele waarneming van de trekken van een gezicht, waarbij te denken valt aan haardracht, wijze van lopen en dergelijke. Zelfs als het gezicht van de schutter niet (duidelijk) zichtbaar was, dan nog is naar het oordeel van het hof een betrouwbare herkenning mogelijk.(1)

Ten aanzien van de verklaringen van getuige [betrokkene 3] wordt het volgende overwegen:

- dat [betrokkene 3] van meet af aan de naam van de verdachte ([verdachte]) heeft genoemd als de schutter;

- dat [betrokkene 3] vervolgens consistent heeft verklaard over de herkenning, en ook heeft aangegeven op grond waarvan hij de verdachte heeft herkend. Het hof acht de door de raadsman geconstateerde verschillen in de verklaringen van [betrokkene 3] niet van wezenlijk belang;

- dat - anders dan door de raadsman is betoogd op grond van de verklaring van [betrokkene 4] bij de rechter-commissaris op 28 juli 2008 - uit het verhoor van [betrokkene 4] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep (18 oktober 2010) is gebleken dat [betrokkene 3] niet op enig moment is teruggekomen op zijn verklaring dat hij de verdachte heeft gezien en herkend als de schutter;

- dat de stelling van de raadsman dat het waarnemingsvermogen van [betrokkene 3] negatief werd beïnvloed door voorafgaand gebruik van alcohol en cannabis niet aannemelijk is geworden.

Het hof komt op grond van het bovenstaande, anders dan de raadsman, tot het oordeel dat de verklaringen van [betrokkene 4] met betrekking tot de herkenning van de verdachte als betrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

Bovendien vindt het hof steun voor de verklaringen van [betrokkene 3] over de herkenning van de schutter in de verklaring van de getuige [betrokkene 5], als het gaat om de rode kleding die de schutter aan zou hebben gehad. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij geen kleding bezit met iets roods erin, terwijl uit het proces-verbaal van bevindingen van 12 maart 2008 (Dl 004) blijkt dat de verdachte op 6 maart 2008 een rode trui droeg.

Verder is het hof van oordeel dat de door de raadsman aangehaalde verklaring van [betrokkene 2] dat verdachte zich 's middags zou hebben omgekleed wordt weersproken door de verdachte zelf in zijn verklaring van 23 april 2008 om 14.21 uur (pagina Dl-0088, bovenaan)."

12. Volgens de toelichting op het middel miskent het Hof dat gezichtsherkenning van doorslaggevende betekenis is voor 'betrouwbare' herkenning van een persoon, omdat andere uiterlijke kenmerken, zoals de door het Hof genoemde haardracht en wijze van lopen, slechts een geringe identificerende betekenis hebben.

13. Het middel richt zich tegen de volgende zin: "Zelfs als het gezicht van de schutter niet (duidelijk) zichtbaar was, dan nog is naar het oordeel van het hof een betrouwbare herkenning mogelijk." Voor zover in deze overweging gelezen moet worden dat het Hof herkenning mogelijk acht als het gezicht niet zichtbaar is geweest, is de overweging kennelijk ten overvloede gegeven. Immers het Hof heeft op basis van de reconstructie nu juist geconcludeerd dat het gezicht wel zichtbaar was. Ik zie geen aanleiding om hier nu de vraag te bespreken of gezichtsherkenning altijd doorslaggevend moet worden geacht, al kan ik niet nalaten op te merken dat zonder nadere toelichting die ontbreekt, ik weinig zie in die aanname. Hetgeen het Hof heeft overwogen is niet onbegrijpelijk. Voor het Hof was er geen aanleiding om in te gaan op de vraag welke betekenis moet worden toegekend aan gezichtsherkenning in relatie tot herkenning van andere uiterlijke kenmerken.

14. Het tweede middel faalt.

15. Het derde middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring en wel in het bijzonder over het medeplegen. Kennelijk is het middel beperkt tot de feiten 1 en 2.

16. In verband met de bespreking van het middel is de volgende overweging van het Hof van belang:

"De raadsman heeft tenslotte betoogd (pleitnota punt 4 p. 28 e.v.) dat bewijs voor het medeplegen ontbreekt. Het hof oordeelt dienaangaande dat dit verweer geen bespreking behoeft nu het hof concludeert tot bewijs van medeplegen door verdachte in de rol van schutter en het gevoerde verweer juist ziet op medeplegen in een andere rol dan die van schutter."

17. Anders dan de steller van het middel zie ik niet in dat het Hof met deze overweging heeft miskend dat noodzakelijk is dat bewezen moet worden dat er medeplegers van de feiten zijn. Uit de bewijsmiddelen moet, zoals in de toelichting op het middel juist wordt opgemerkt, af te leiden zijn dat anderen de feiten 1 en 2 hebben medegepleegd. Volgens de toelichting op het middel kan uit de bewijsmiddelen slechts worden afgeleid dat er medeplichtigheid was: leveren van een wapen en vervoer naar de plaats van het delict.

18. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende passages uit de Promisbewijsredenering van het Hof van betekenis (de noten zijn weggelaten):

- "[betrokkene 2] zei toen tegen de getuige dat 'Kleine' (het hof begrijpt: de verdachte) net bij hem was geweest en weer weg was, dat de verdachte overstuur was geweest en dat hij hem niet kon kalmeren en dat hij hem zijn ding had meegegeven. Ook zei [betrokkene 2] dat de getuige wist hoe de verdachte was, dat de verdachte het niet zo ging laten en dat de broer van de verdachte ook al TBS uitzat."

- "Uit de historische telefoongegevens van de verdachte, Yankee, [betrokkene 6] en [betrokkene 7] blijkt dat de telefoons van Yankee en [betrokkene 6] korte tijd voor het schietincident (te weten om 18.25 uur) gebruik maken van paallocatie Huntumdreef. Dit is dezelfde paallocatie als waarvan door de telefoon van de verdachte gebruik wordt gemaakt om 18.37 uur. Paallocatie Huntumdreef ligt in de nabijheid van de flat [A], waar de woning van Yankee was. De reisduur van de flat [A] naar de plaats delict per auto is ongeveer 6 minuten (www.routeplanner.nl). De telefoons van Yankee, [betrokkene 6] en [betrokkene 7] maken alle drie na het schietincident gebruik van paallocatie Lootstraat 10 (de telefoon van Yankee onder meer om 19.53 uur, de telefoon van [betrokkene 6] onder meer om 19.29 uur, en de telefoon van [betrokkene 7] onder meer om 19.38 uur). Dit is dezelfde paallocatie als waarvan door de telefoon van de verdachte gebruik wordt gemaakt om onder meer 19.27 uur. De reisduur van de plaats delict naar paallocatie Lootstraat 10 per auto is ongeveer 16 minuten (www.routeplanner.nl).

Onmiddellijk voor en na het tijdstip van de melding van het schietincident (zoals eerder genoemd om 18.53 uur) maken de telefoons van de verdachte, Yankee en [betrokkene 7] niet gebruik van enige paallocatie. De telefoon van [betrokkene 6] daarentegen wel. Zijn telefoon maakt om 18.51.09 uur gebruik van paallocatie Charlotte Brontestraat 161. Dit is dezelfde paallocatie als waarvan door de telefoon van het overleden slachtoffer [slachtoffer] gebruik wordt gemaakt om 18.51.31 uur. De eerder genoemde getuige, die na drie knallen te hebben gehoord een niet zo grote negroïde jongen zag wegrennen met een pistool in zijn hand, heeft verklaard dat deze jongen wegrende in de richting van een kleine blauwe auto die geparkeerd stond op de hoek van de Dalsteindreef en de Daniel Defoelaan. De getuige zag dat de jongen het voorportier aan de passagierszijde opende en in de auto stapte. De auto reed direct hierna de Daniel Defoelaan in.

Een getuige die zich op 11 maart 2008 omstreeks 19.00 uur in de Daniel Defoelaan bevond, zag een zwarte of heel donkerblauwe Opel Astra, komende uit de richting van het metrostation Venserpolder, met een snelheid van ongeveer zeventig kilometer per uur door de Daniel Defoelaan rijden.

[betrokkene 6] en [betrokkene 7] konden beschikken over een blauwe Opel Astra, die op naam stond van de moeder van [betrokkene 7]. Op 29 mei 2008 werd vertrouwelijke communicatie opgenomen tussen [betrokkene 6] en [betrokkene 7]. Een deel van het opgenomen gesprek luidt als volgt:

[betrokkene 6]: Ik ben verdachte.

[betrokkene 7]: Verdachte? Serieus? Maar het gaat om ..de telefoon, toch.

[betrokkene 6]: Telefoon.

[betrokkene 7]: Telefoon. Maar gelukkig had ik mijn telefoon uitgezet.

[betrokkene 7]: Maar zij hebben geen bewijs, alleen de telefoon.

[betrokkene 6]: De telefoon...maar ze waren samen en een blauwe auto. Kom op, man.

[betrokkene 7]: Jongen, maar...ja, ik weet het niet hoor. Misschien gaan ze onderzoeken, kijken of het die auto is, je weet toch.

[betrokkene 6]: O, maar dat is moeilijk, man. Ik heb ze al gezegd, wat? Een blauwe auto? Hé, doe normaal man. Hoeveel blauwe auto's zijn er wel niet. Hoeveel rastajongens zijn er wel niet? Doe normaal, man.

[betrokkene 7]: Nee, maar gewoon, ja, ik weet het niet, hoor, bijna wilde ik [...] (of: [...]) zeggen tegen madre te zeggen...ook al wordt zij door de mensen verhoord van eh of wij steeds de auto lenen, dat zij nee zegt."

19. Het centrale criterium voor medeplegen is een nauwe en bewuste samenwerking tussen de pleger en zijn medeplegers.(2) Gelet op dat criterium is het niet onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat er van medeplegen met anderen sprake was. Vooral uit het tweede citaat valt dit af te leiden. In de toelichting op het middel wordt slechts aangevoerd dat een andere persoon verdachte naar de plaats van het delict heeft gebracht en dat dat onvoldoende is voor medeplegen. Daar valt op zich zelf begrip voor op te brengen. Er is echter niet slechts sprake van het brengen naar de plaats van het delict. Het Hof is er kennelijk van uit gegaan dat verdachte door meer mannen naar de plaats van het delict is gebracht, dat (op een uitzondering na) de telefoons zijn uitgezet (kennelijk om achteraf plaatsbepaling te bemoeilijken) en dat verdachte na het schieten in de auto is gestapt en dat ze gezamenlijk zijn weggereden. Voorts blijkt uit het telefoongesprek de betrokkenheid van [betrokkene 7] en [betrokkene 6] en vinden ze het kennelijk nodig om de eigenaresse van de auto zo ver te brengen dat zij bij een verhoor zegt dat ze haar auto niet aan hen uitleent. Dat zijn aanzienlijk meer omstandigheden dan door de steller van het middel genoemd en ik acht het niet onbegrijpelijk dat het Hof met name uit de tweede overweging onder punt 18 hierboven heeft afgeleid dat er zowel voor wat betreft feit 1 als voor wat betreft feit 2 sprake was van medeplegen.

20. Het derde middel faalt.

21. Het vierde middel klaagt over de afwijzing van een (voorwaardelijk gedaan) verzoek tot het horen van een (deskundige) 'slang' tolk over (de betwiste passages uit) de afgeluisterde gesprekken.

22. Het Hof heeft in verband met dit verzoek in het arrest het volgende overwogen:

"Tenslotte heeft de raadsman, in het geval het hof niet tot vrijspraak komt, de volgende

voorwaardelijke verzoeken gedaan:

(...)

- het horen van een andere 'slang' tolk over betwiste passages, die door het hof eventueel tot het bewijs worden gebezigd.

Het hof acht het horen van een andere slangtolk niet noodzakelijk nu verdachte (proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep 18 oktober 2010) ontkent aan de vertaalde gesprekken te hebben deelgenomen. Ook is van de zijde van de verdediging niet aangegeven welke fouten in de vertaling zijn gemaakt, dan wel gemeld hoe de betreffende citaten anders zouden moeten worden geduid. Het verzoek wordt dan ook afgewezen."

23. Het Hof heeft het verzoek van de verdediging opgevat als een verzoek tot het horen van een andere slangtolk. Dat is onbetwist.(3) Het Hof heeft dat verzoek beoordeeld op de daartoe gebleken noodzaak en dat juiste criterium wordt evenmin door de steller van het middel betwist. De steller van het middel wijst op het hier onder punt 4 weergegeven gesprek van 9 juni 2008 dat voor het bewijs is gebruikt. Anders dan de steller van het middel lees ik in de pleitnota niet dat de vertaling (het gaat daar met name om de woorden 'uiten' en 'eten') in de pleitnota (p. 21 t/m 26) is betwist. Er wordt voor zover ik kan overzien in de pleitnota geen alternatieve vertaling gesuggereerd van één van de door de tolk vertaalde woorden. Gelet daarop is het oordeel van het Hof dat het niet noodzakelijk is om een andere tolk te horen over die vertaling bepaald niet onbegrijpelijk. Iets anders is dat de raadsman in de pleitnota naar voren heeft gebracht dat van enkele passages onduidelijk is hoe ze moeten worden geduid. Een alternatieve duiding geeft de raadsman in de pleitnota niet. Daar doelt het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk ook op bij de afwijzing van het verzoek. Dat het Hof in dat kader eveneens betekenis heeft toegekend aan de ontkenning van verdachte dat hij aan de gesprekken heeft deelgenomen is evenmin onbegrijpelijk. Immers ook van de kant van verdachte zelf ligt bij die stand van zaken geen alternatieve vertaling of duiding voor die kan worden voorgelegd aan een andere tolk.

24. Ook het vierde middel faalt.

25. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In de schriftuur ontbreekt het in de hoofdtekst volgende gedeelte van de overweging van het Hof.

2 Zie nader De Hullu, Materieel strafrecht, 4e druk, p. 435 e.v.

3 De steller van het middel spreekt van een (deskundige) slang tolk. Ik laat het mij in de onderhavige context niet geheel duidelijke - door de steller van het middel tussen haakjes geplaatste - woord 'deskundige' verder buiten beschouwing.