Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW2440

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
12/00869
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW2440
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. WSNP. Afwijzing verzoek om toelating tot schuldsaneringsregeling; art. 288 lid 1, onder b, F.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/776
JWB 2012/258
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 12/00869 (WSNP)

mr. Wuisman

Parketdatum: 28 maart 2012

CONCLUSIE inzake:

[Verzoeker],

verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.

1. Voorgeschiedenis

1.1 Aan het in de onderhavige procedure aan de orde zijnde verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is een eerder verzoek van verzoeker tot cassatie aan de rechtbank Alkmaar voorafgegaan en wel in april 2011. Dat verzoek heeft de rechtbank Alkmaar bij vonnis d.d. 16 juni 2011 afgewezen. Die beslissing is door het hof Amsterdam bij arrest d.d. 17 november 2011 bekrachtigd na daartoe, kort weergegeven, het volgende te hebben overwogen. Het hof stelt eerst vast dat in de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub e Fw van een schuldenlast van € 1.071.490,42 blijkt en dat daarvan deel uitmaakt een schuld van ruim € 800.000,- aan de belastingdienst (rov. 2.2.2). Omtrent deze schuld merkt het hof vervolgens op dat, ook al zou deze schuld na bezwaar van verzoeker tot cassatie zijn teruggebracht naar een bedrag van € 90.000,00 - wat het hof overigens niet voldoende onderbouwd aangetoond acht -, er dan niettemin nog sprake is van een substantiële schuld en dat verzoeker tot cassatie niet aannemelijk heeft gemaakt te goeder trouw te zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schuld (rov. 2.4). Voor wat de overige schulden betreft acht het hof evenmin de goede trouw ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten ervan aangetoond. In dat verband wijst het hof er nog op dat verzoeker tot cassatie onroerend goed in eigendom heeft met een waarde van omstreeks € 1.300.000,- en belast met een hypotheek van omstreeks € 600.000,- en dat hij niet geprobeerd heeft om daarmee de schulden af te lossen (rov. 2.4).

1.2 Het in de onderhavige procedure aan de orde zijnde verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling is op 7 december 2011 bij de rechtbank Alkmaar ingediend. Hij voert aan dat er sprake is van twee gewijzigde omstandigheden. De vordering van de Belastingdienst is in een beroepsprocedure bij de rechtbank Alkmaar betwist. Bovendien heeft de Officier van Justitie bij brief van 11 juli 2011 laten weten af te zien van vervolging van verzoeker tot cassatie wegens bedrieglijke bankbreuk.

De eerste grond acht de rechtbank in haar vonnis d.d. 9 december 2011 geen gewijzigde grond, want de beroepsprocedure is al bij de behandeling van het eerdere verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling aan de orde gekomen. De beslissing van niet-vervolging vormt naar het oordeel van de rechtbank niet een relevante omstandigheid, want die beslissing is niet van doorslaggevende betekenis voor de vereiste goede trouw. De rechtbank wijst opnieuw het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling af.

1.3 Verzoeker tot cassatie is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het hof Amsterdam. In een brief van 24 januari 2012, waarmee stukken naar het hof worden gezonden met het oog op de mondelinge behandeling, wordt nog erop gewezen dat er afspraken met de hypotheekverstrekker zijn gemaakt om tot een voor alle partijen zo gunstig mogelijke verkoop van de woning van verzoeker tot cassatie te komen.

Het hof bekrachtigt bij arrest van 9 februari 2012 het bestreden vonnis van de rechtbank. Voor wat de belastingschuld betreft acht het hof niet voldoende met stukken onderbouwd aangetoond dat deze tot een minimaal bedrag is teruggebracht, terwijl uit de beslissing van de officier van justitie om van vervolging af te zien naar het oordeel van het hof niet de conclusie kan worden getrokken dat verzoeker tot cassatie te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de belastingschuld (rov. 2.3). Omtrent de verkoop van de woning merkt het hof op dat onvoldoende is aangetoond dat verzoeker tot cassatie doende is tot een zo snel mogelijke verkoop van zijn woning te komen ten einde met de opbrengst zijn schuldeisers te voldoen. Dit laatste is aldus te verstaan dat volgens het hof nog immer het oordeel opgeld doet dat verzoeker tot cassatie niet te goeder trouw is met het onbetaald laten van schulden.

1.4 Bij een op 15 februari 2012 per fax bij de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie cassatieberoep tegen het arrest van het hof ingesteld. In het verzoekschrift zijn drie cassatiemiddelen opgenomen.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Cassatiemiddel I bevat de klacht dat het hof niet inhoudelijk heeft getoetst of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Voor zover de klacht al niet faalt wegens gemis aan feitelijke grondslag, doet zij dat in ieder geval wegens gemis aan belang. Het hof beoordeelt inhoudelijk of de opgevoerde gewijzigde omstandigheden aanleiding geven om omtrent het verzoek van verzoeker tot cassatie tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling thans anders te oordelen. Dan doet de vraag of er sprake is van gewijzigde omstandigheden niet meer ter zake.

2.2 Met de cassatiemiddelen II en III wordt bestreden hetgeen het hof in rov. 2.3 met betrekking tot de belastingschuld oordeelt. Die cassatiemiddelen kunnen reeds geen doel treffen wegens gemis aan belang. In cassatie wordt niet bestreden hetgeen het hof oordeelt met betrekking tot de verkoop van de woning van verzoeker tot cassatie. Dat betekent dat onbestreden blijft dat verzoeker tot cassatie niet te goeder trouw is ten aanzien van het onbetaald laten van schulden, ook voor zover dat andere schulden zijn dan de belastingschuld. Dit kan ook de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsanering ten volle dragen.

2.3 Ter zake van de cassatiemiddelen II en III zij volledigheidshalve nog het volgende opgemerkt.

In verband met het verwijt in cassatiemiddel II aan het hof dat het niet het onderzoek ter zitting heeft aangehouden in afwachting van de afloop van de beroepsprocedure bij de rechtbank Haarlem inzake de belastingschuld, valt op te merken dat uit de stukken niet alleen niet blijkt dat om aanhouding is verzocht maar ook niet waarom niet gewacht is met het indienen van een nieuw verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling tot na de beslissing in de beroepsprocedure.

In cassatiemiddel III wordt miskend dat het al dan niet te goede trouw zijn van verzoeker tot cassatie in de zin van artikel 288 lid 1, sub b, niet afhangt van het al dan niet 'strafrechtelijk' te goeder trouw zijn van verzoeker tot cassatie.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden