Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW1344

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
10/03289
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW1344
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. De vaststelling van het Hof dat verdachte "reeds veelvuldig terzake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld" is niet zonder meer begrijpelijk. Het door het Hof genoemde uittreksel Justitiële Documentatie houdt immers slechts één onherroepelijke veroordeling in ter zake van het niet-naleven van het bepaalde bij art. 70.1 Wet personenvervoer 2000. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 10/03289

Mr. Vellinga

Zitting: 14 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1, 2, 3, 4 en 5 telkens opleverende "Niet naleven van het bepaalde bij artikel 70, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000" per feit veroordeeld tot hechtenis voor de duur van 1 week.

2. Namens verdachte heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, vier middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt over de verwerping door het Hof van een beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

4. Het Hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting in hoger beroep is namens de verdachte betoogd dat het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te verklaren in de strafvervolging. Daartoe is - zakelijk weergegeven -aangevoerd dat door de vervoerder niet voldaan is aan het vereiste van artikel 48, vijfde lid, van het Besluit Personenvervoer 2000. Deze bepaling vereist dat de reiziger door de vervoerder, nadat is vastgesteld dat hij zich zonder geldig vervoersbewijs in de trein bevindt, twee keer in de gelegenheid wordt gesteld om de vervoersprijs, vermeerderd met een verhoging en/of administratiekosten, alsnog te voldoen. Pas wanneer de reiziger die gelegenheden om alsnog te betalen ongebruikt voorbij heeft laten gaan, kan volgens de verdediging tot strafvervolging worden overgegaan.

Het hof overweegt daaromtrent als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof gebleken dat de door de betrokken conducteurs terzake van de onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten op ambtseed/amtsbelofte opgemaakte processen-verbaal d.d. 11 januari 2008, 9 januari 2008, 23 januari 2008, 8 januari 2008 en 12 januari 2008 telkens vermelden dat verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, vijfde en zesde lid, van het Besluit Personenvervoer 2000 tweemaal in de gelegenheid is gesteld alsnog te betalen en dat hij van beide gelegenheden geen gebruik heeft gemaakt. Daarmee staat naar oordeel van het hof, gezien het bepaalde van artikel 344, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, afdoende vast dat door de vervoerder voldaan is aan de verplichtingen genoemd in artikel 48 van het Besluit Personenvervoer 2000.

Uit hetgeen namens de verdachte ter terechtzitting te dezer zake is aangevoerd is voor het hof het tegendeel niet aannemelijk kunnen worden. Voorts heeft de verdediging, daartoe ter terechtzitting in hoger beroep uitgenodigd, niet door overlegging van stukken aannemelijk gemaakt dat verdachte de vervoersprijs en bijkomende bedragen alsnog heeft voldaan aan de vervoerder.

Naar oordeel van het hof kon het openbaar ministerie terzake van de vijf op de dagvaarding ten laste gelegde strafbare feiten tot strafvervolging overgaan."

5. Art. 48 Besluit personenvervoer 2000 luidt:

"1. De reiziger die het vervoerbewijs waarvan hij moet zijn voorzien desgevraagd ter controle niet toont of overhandigt, is op vordering van de vervoerder de vervoerprijs verschuldigd die geldt voor het traject tussen vertrekpunt en plaats van bestemming van de reiziger.

2. Onverminderd het eerste lid, is de reiziger op vordering van de vervoerder een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag verschuldigd indien hij:

a. niet voldoet aan de in artikel 47, eerste lid, bedoelde verplichting,

b. het vervoerbewijs waarvan hij moet zijn voorzien desgevraagd niet toont of overhandigt,

c. een onbevoegd gewijzigd of anderszins bewerkt vervoerbewijs gebruikt,

d. een vervoerbewijs misbruikt of

e. de controle van vervoerbewijzen belemmert of verhindert.

3. De reiziger betaalt het bedrag, bedoeld in het tweede lid, terstond tezamen met de krachtens het eerste lid verschuldigde vervoerprijs.

4. Indien de reiziger de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen terstond betaalt, is de vervoerder verplicht een betalingsbewijs af te geven, dat voor zover nodig tevens geldt als vervoerbewijs.

5. Indien de reiziger de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen niet terstond betaalt, stelt de vervoerder hem in de gelegenheid deze bedragen alsnog te betalen binnen een week nadat het feit is geconstateerd. De vervoerder kan aan de reiziger een bewijs verstrekken op grond waarvan deze zijn reis kan aanvangen of voortzetten.

6. Indien de reiziger de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen niet binnen een week nadat het feit is geconstateerd, heeft betaald, stelt de vervoerder hem nogmaals in de gelegenheid deze bedragen, verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan administratiekosten, te betalen binnen drie weken na afloop van de termijn van zeven dagen.

7. Zodra de reiziger voldoet aan het in het tweede, derde, vijfde of zesde lid bepaalde, vervalt het recht van strafvervolging ter zake van overtreding van artikel 70, eerste lid, van de wet."

6. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat aan de verdachte de in art. 48, leden 5 en 6 Besluit personenvervoer 2000 geregelde gelegenheden tot betaling is geboden.

7. Volgens de toelichting op het middel berusten de processen-verbaal voor zover daarin wordt gerelateerd over het bieden van genoemde mogelijkheden tot betaling niet op eigen waarneming van de verbalisant. Een dergelijke klacht kan echter niet voor het eerst in cassatie worden opgeworpen omdat de beoordeling daarvan een oordeel vergt van feitelijke aard.

8. Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het Hof miskent dat uit het dossier dient te blijken dat verdachte bedoelde betalingsmogelijkheden zijn geboden en dat hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt, gaat het middel er aan voorbij dat van één en ander met zoveel woorden blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen.

9. Het middel faalt.

10. Het tweede middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet met voldoende zekerheid kan worden afgeleid dat verdachte de persoon was die reisde zonder geldig vervoersbewijs. Daartoe wordt gewezen op verschillen van de door de verbalisant genoteerde namen met die van de verdachte.

11. Dusdoende miskent het middel dat de - aan de hand van het door verdachte verstrekte legitimatiebewijs gecontroleerde - achternaam, geboortedatum, plaats van geboorte en woonadres voor wat betreft de onder 1, 2, 4 en 5 bewezenverklaarde feiten steeds overeenkomen met verdachtes personalia en adres, en voor wat betreft het onder 3 bewezenverklaarde dat de - aan de hand van het door verdachte verstrekte legitimatiebewijs gecontroleerde - geboortedatum en adres geheel en verdachtes naam vrijwel geheel overeenkomen met verdachtes personalia en adres.

12. Hetgeen in de toelichting op het middel wordt opgemerkt over hetgeen het Hof heeft overwogen over het vaststellen van de identiteit van de verdachte waarop de gebezigde bewijsmiddelen betrekking hebben behoeft na het voorgaande geen bespreking meer.

13. Het middel faalt.

14. Het derde middel klaagt over de motivering van de afwijzing van het verzoek getuigen te horen.

15. Hetgeen het Hof te dier zake overweegt moet aldus worden verstaan dat het Hof de noodzaak niet is gebleken om de getuigen te horen. Het middel dat uitgaat van een andere lezing van hetgeen het Hof in zijn arrest onder C.2 overweegt berust derhalve op onjuiste lezing van het arrest van het Hof en mist dus feitelijke grondslag.

16. Het oordeel van het Hof dat de noodzaak niet is gebleken om de getuigen te horen geeft in het licht van hetgeen het Hof onder B.1 en B.2 heeft overwogen over het aanbieden van de mogelijkheid om binnen een week nadat het feit is geconstateerd alsnog te betalen en de vaststelling van de identiteit van de verdachte geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

17. Het middel faalt.

18. Het vierde middel klaagt dat het Hof, ter motivering van de opgelegde vrijheidsstraf overwegende dat verdachte blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 18 mei 2010 reeds veelvuldig wegens soortgelijke feiten is veroordeeld, er aan voorbijgaat dat blijkens dat uittreksel slechts één van die veroordelingen onherroepelijk is.

19. Blijkens bedoeld uittreksel uit het justitieel documentatieregister is de verdachte bij vonnis van de Kantonrechter te Venlo d.d. 21 februari 2008 voor drie feiten, soortgelijk aan de onderhavige, onherroepelijk veroordeeld. Voorts is de verdachte blijkens dat uittreksel bij drie niet onherroepelijke vonnissen, waaronder het vonnis in de onderhavige zaak, voor in totaal elf soortgelijke feiten veroordeeld. Het middel is dus terecht voorgedragen.(1)

20. Ik heb mij afgevraagd of de onderhavige overweging van het Hof ook aldus kan worden verstaan dat deze uitsluitend betrekking heeft op de onherroepelijke veroordeling bij vonnis van de Kantonrechter te Venlo d.d. 21 februari 2008. Dat acht ik geen begaanbare weg. Het Hof bezigt het woord 'veelvuldig' terwijl de verdachte blijkens het door het Hof aangehaalde uittreksel uit het justitieel documentatieregister maar één keer onherroepelijk is veroordeeld voor drie soortgelijke feiten. Met "veelvuldig" had het Hof dus onmiskenbaar het oog op alle uitspraken waarbij de verdachte wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.(2)

21. Het middel slaagt.

22. De middelen 1, 2 en 3 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

23. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

24. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. bijv. HR 26 oktober 2010, LJN BO1752, HR 29 juni 2010, LJN BM4331, HR 6 oktober 2009, LJN BJ3290, NJ 2009, 505, HR 7 juli 2009, LJN BI4688, HR 4 september 2007, LJN BA4940, HR 6 juni 2006, LJN AV7970, NJ 2006, 329 en HR 2 november 2004, LJN AQ8466, NJ 2005, 274, m.nt. T.M. Schalken.

2 Anders in HR 10 november 2009, LJN BK2678, NJ 2009, 569, maar daar luidde de strafmotivering anders.