Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW1280

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
11/01282
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ2351
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW1280
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 7:228 lid 2, opzegging huurovereenkomst voor onbepaalde tijd; niet slechts toetsen aan misbruik van bevoegdheid, maar aan redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2012/411
RvdW 2012/914
NJB 2012/1612
JWB 2012/339
E.E. van der Kamp annotatie in JIN 2012/181
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 11/01282

Mr. Huydecoper

Zitting van 6 april 2012

Conclusie inzake

[Eiser] h.o.d.n. [A]

eiser tot cassatie

tegen

de stichting Stichting Berregratte

verweerster in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. De verweerster in cassatie, Berregratte, is hoofdhuurster van een terrein aan de [a-straat 1] in Maastricht. Aanvankelijk huurde Berregratte het terrein van de provincie Limburg. In 1997 is het terrein gekocht door de Vereniging tot behoud van natuurmonumenten in Nederland ("Natuurmonumenten"). Sedertdien treedt Natuurmonumenten als (hoofd)verhuurster op.

2. Berregratte exploiteert een deel van het terrein zelf als speeltuin. Een ander deel heeft zij verhuurd aan de eiser tot cassatie, [eiser]. Deze exploiteert op het door hem gehuurde gedeelte een bedrijf dat zich toelegt op outdoor-activiteiten. Het door [eiser] gehuurde gedeelte van het terrein is uitsluitend bereikbaar via de speeltuin van Berregratte. De huurovereenkomst is mondeling aangegaan. Een bepaalde duur is niet overeengekomen, evenmin als een bepaalde opzegtermijn. [Eiser] betaalt als tegenprestatie een bedrag van € 3,50 per gast per dag aan Berregratte.

3. Berregratte heeft in juni 2007 aan [eiser] de huur van het terrein opgezegd per 31 augustus 2007. Als redenen voor de opzegging zijn genoemd: ernstige overlast jegens de bezoekers van de speeltuin, veroorzaakt door de deelnemers aan de activiteiten van [eiser], en de wens van Berregratte om het aan [eiser] verhuurde gedeelte van het terrein zelf in gebruik te gaan nemen.

De huuropzegging en de in verband daarmee door de partijen jegens elkaar genomen stappen hebben aanleiding gegeven tot een aantal procedures(2).

4. In deze zaak gaat het vooral om een vordering van [eiser] die ertoe strekt dat de huuropzegging van Berregratte geen effect heeft gehad, althans dat daaraan niet de door Berregratte gewenste consequenties mogen worden verbonden.

In de eerste aanleg wees de kantonrechter de vordering van deze strekking grotendeels toe.

Op het namens Berregratte ingestelde hoger beroep kwam het hof echter tot het oordeel dat aan de huuropzegging van Berregratte wel rechtsgevolg behoort te worden toegekend, en wees het hof de hiervóór bedoelde vordering(en) van [eiser] af.

Tot goed begrip vermeld ik dat in het arrest van het hof ook een aanzienlijk aantal andere geschilpunten tussen partijen wordt beoordeeld, en dat ten aanzien van een deel daarvan nadere instructie wordt bevolen. Deze punten zijn echter in het onderhavige cassatiegeding niet aan de orde. Daarom zal ik ze hier niet nader bespreken.

5. Namens [eiser] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(3). Berregratte is in cassatie niet verschenen. [Eiser] heeft zijn standpunt schriftelijk laten toelichten.

Bespreking van het cassatiemiddel

6 (Ook) in cassatie gaat het om de vraag of Berregratte aan de tussen partijen bestaande rechtsverhouding door opzegging een eind kon maken. Berregratte neemt het standpunt in dat zij dat inderdaad kon. [Eiser] verdedigt dat de rechtsverhouding, alle omstandigheden in aanmerking genomen, met zich meebracht dat Berregratte die niet door opzegging kon beëindigen, althans: dat dat slechts zou kunnen op zwaarwegende gronden, waarover Berregratte niet kon beschikken(4).

7. Ik stel voorop dat de rechtsverhouding tussen de partijen als een overeenkomst van huur en verhuur moet worden gekwalificeerd, en dat de huur betrekking had op ongebouwd onroerend goed. De wettelijke regelingen die aan huurders bijzondere bescherming bieden, zijn op zulke huur niet van toepassing. Daarvoor gelden slechts de "gewone" regels van verbintenissenrecht, aangevuld met de algemene regels uit de afdelingen 1 - 4 van titel 4, Boek 7 - de "huurtitel" - van het Burgerlijk Wetboek.

8. Sedert de herziening van de wettelijke regeling van het huurrecht per 1 augustus 2003(5), voorziet de wet er in art. 7:228 lid 2 BW expliciet in, dat aan huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd - zoals de huurovereenkomst tussen [eiser] en Berregratte - door opzegging een einde kan worden gemaakt. In zoverre vindt Berregratte dus de wet aan haar zijde.

9. Algemeen wordt echter aangenomen dat de regel van art. 7:228 BW niet meer dan het "normaaltype" weergeeft dat zich voordoet wanneer er geen bijzonderheden zijn die tot een andere uitkomst (moeten) leiden. De bepaling is dan ook van regelend recht. Afwijkingen in uitdrukkelijke contractuele bepalingen, maar ook stilzwijgend, komen veelvuldig voor.

In het verlengde hiervan wordt, opnieuw: algemeen, aangenomen dat er omstandigheden denkbaar zijn waarin, bij een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd waarin niet nader in de mogelijkheid van beëindiging is voorzien, beëindiging door opzegging slechts beperkt mogelijk is - bijvoorbeeld: slechts indien de verhuurder een beroep kan doen op opzeggingsgronden die in verhouding tot de belangen van de huurder als zwaar(der)wegend zijn aan te merken; of: slechts met inachtneming van een aanmerkelijk langere opzegtermijn dan art. 7:228 lid 2 BW tot uitgangspunt neemt; of: slechts met inachtneming van het financiële nadeel voor de huurder, bijvoorbeeld door daaraan met schadevergoeding tegemoet te komen(6).

10. Wat dat betreft sluit het huurrecht aan bij het "algemene" verbintenissenrecht, zoals dat geldt voor de beëindiging van duurovereenkomsten ten aanzien waarvan niet bij de wet of in de overeenkomst zelf (anders) is voorzien.

Er valt overigens te wijzen op een nuancering in de recente rechtspraak van de Hoge Raad over dit onderwerp: terwijl lange tijd werd aangenomen dat de vraag of een duurovereenkomst van het zojuist omschreven type door opzegging kon worden beëindigd, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden moest worden beantwoord(7), is dat bij HR 28 oktober 2011, RvdW 2011, 1311, rov. 3.5.1 in zoverre gepreciseerd, dat het in beginsel zo is dat zulke overeenkomsten door opzegging kunnen worden beëindigd. (Aan de hand van de omstandigheden van het geval, en met toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, kan echter in sommige gevallen tot afwijking van dat beginsel, bijvoorbeeld in de vorm van beperkingen zoals ik die in alinea 9 heb genoemd, moeten worden besloten.)

11. In het in de vorige alinea aangehaalde arrest werd bovendien een oordeel van het hof dat ertoe strekte dat in het gegeven geval niet het beginsel mocht worden gevolgd maar een bepaalde uitzondering daarop moest worden aangenomen, aangemerkt als onjuist dan wel als onvoldoende gemotiveerd. Dat laat zien dat er een marge bestaat waarbinnen oordelen als de onderhavige in cassatie inhoudelijk kunnen worden getoetst.

Het dringt zich overigens enigszins op dat de waardering van de omstandigheden die in een bepaald geval voor de toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid bepalend zijn, vaak een sterke "feitelijke" inslag zal hebben. In zulke gevallen zal de marge voor inhoudelijke beoordeling in cassatie navenant smal zijn.

12. Bepaling van wat er in verband met de beëindiging van duurovereenkomsten tussen de partijen geldt komt dus - ook als men de accentverschuiving die het arrest van 28 oktober 2011 lijkt te markeren, daarbij betrekt - in belangrijke mate neer op waardering van de omstandigheden van het geval en de "billijkheidsaspecten" die daardoor worden aangegeven.

Dat betekent in veel gevallen toepassing van wat wel wordt genoemd: de "aanvullende werking" van redelijkheid en billijkheid op de voet van art. 6:248 lid 1 BW; al kan het ook voorkomen dat de zogenaamde "beperkende werking" van redelijkheid en billijkheid op de voet van art. 6:248 lid 2 BW in het spel komt(8),(9).

De in de rechtspraak opgeworpen gevallen zijn intussen in meerderheid met toepassing van de eerstgenoemde bepaling - dus de "aanvullende werking" van art. 6:248 lid 1 BW - beoordeeld en beslist(10).

13. In het hiervóór besprokene ligt al besloten - maar misschien kan het geen kwaad om het ook nog uitdrukkelijk te vermelden - dat art. 7:228 BW niet mag worden gezien als een "lex specialis", waarin principieel wordt afgeweken van de uitgangspunten die overigens gelden voor de beëindiging van duurovereenkomsten waarvan die beëindiging niet specifiek is geregeld. Het gaat hier om een bevestiging (en op enkele details een precisering) van wat ook overigens voor duurovereenkomsten pleegt te worden aangenomen.

Er valt ook geen deugdelijke grond aan te wijzen waarom de regels van huurrecht in dit opzicht een wezenlijk van het "gemene recht" afwijkend uitgangspunt zouden (moeten) omarmen.

14. Met deze gegevens voor ogen wil ik nu onderzoeken hoe het hof de vraag die in cassatie centraal staat, heeft benaderd.

Ik ga er, met de steller van het middel, van uit dat de kern van het oordeel van het hof over de "opzegbevoegdheid' van Berregratte moet worden gezocht in rov. 4.5.

Zoals ik die rov. lees, neemt het hof daar de bevoegdheid van Berregratte tot het opzeggen van de huurovereenkomst - op de voet van art. 7:228 BW - tot uitgangspunt, en onderzoekt het hof vervolgens - alleen - aan de hand van de maatstaven van art. 3:13 BW, oftewel: het leerstuk van rechtsmisbruik, of er aanleiding is om op Berregrattes bevoegdheid tot opzegging af te dingen(11).

15. Met deze benadering past het hof het recht zoals ik dat hiervóór beschreef, niet juist toe. Voor de ("in beginsel"-)bevoegdheid om een duurovereenkomst door opzegging te beëindigen kunnen, zoals hiervóór bleek, beperkingen gelden. Of dat het geval is moet met toepassing van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden onderzocht, met inachtneming van alle relevante omstandigheden. Daarbij zal het meestal gaan om (al-dan-niet) toepassing van de zogenaamde "aanvullende werking" van redelijkheid en billijkheid, maar soms ook om toepassing van de beperkende werking daarvan. Toetsing alléén aan de maatstaf of de partij die wil opzeggen zich aan rechtsmisbruik bezondigt, laat een andere en wezenlijk beperktere benadering zien, dan met de hiervóór beschreven rechtsleer strookt.

16. Nu stuit ik op de moeilijkheid dat de klachten van het middel met enige klemtoon en precisie aanvoeren dat het hof miskend zou hebben dat (ook) aan de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW - oftewel aan de zogenaamde beperkende werking van redelijkheid en billijkheid - had moeten worden getoetst. Het middel verwijst niet naar de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid op de voet van art. 7:248 lid 1 BW. Het is juist die aanvullende werking die, zoals wij hiervóór zagen, het vaakst grond oplevert voor het aannemen van beperkingen van de ("in beginsel"-)mogelijkheid om een duurovereenkomst door opzegging te beëindigen.

17. In HR 5 november 2010, RvdW 2010, 1328, rov. 3.4.1, werd de eis die aan een rechtsklacht in cassatie mag worden gesteld zo omschreven: "Een rechtsklacht dient met bepaaldheid en precisie in te houden welke beslissing of overweging in de bestreden uitspraak onjuist is en waarom door die beslissing of overweging het recht is geschonden."

De klachten die in deze zaak worden aangevoerd voldoen aan de maatstaf, dat duidelijk wordt aangegeven welke overweging van het hof als onjuist wordt aangemerkt; maar men kan zich in gemoede afvragen of zij ook voldoen aan de eis dat duidelijk genoeg wordt aangegeven waarom de overweging in kwestie onjuist is.

18. In de rechtsoverweging die in de vorige alinea werd aangehaald, wordt ook overwogen:

"Een motiveringsklacht dient met bepaaldheid en precisie te vermelden welke beslissing of overweging onvoldoende gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk is en waarom (vgl. HR 12 januari 2007, nr. C06/160, LJN AZ2041). Deze laatste eis houdt meer in het bijzonder in dat indien een cassatieklacht (mede) gebaseerd is op in de feitelijke instanties aangevoerde stellingen, het middel de vindplaats(en) moet vermelden van die stellingen in de stukken van het geding (vgl. HR 6 juni 2003, nr. C02/058, LJN AF5889, NJ 2003/707)."

19. Men kan de indruk krijgen dat het vereiste uit het zojuist gegeven citaat - vermelding van de vindplaats(en) in de stukken - vooral geldt als het om motiveringsklachten gaat. Het lijkt mij echter goed denkbaar dat ook een rechtsklacht de onderbouwing nodig heeft van in de gedingstukken (van de feitelijke instanties) aangevoerde stellingen. Om een niet geheel verzonnen voorbeeld te noemen: de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft beoordeeld in hoeverre de door de betrokkene gewenste uitkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd was, kan meestal niet zinvol worden onderzocht als niet wordt aangegeven welke argumenten er ter onderbouwing van het beroep op redelijkheid en billijkheid waren voorgelegd aan de rechter tot wie dit verwijt zich richt.

20. De rechter is gewoonlijk niet gehouden om ambtshalve te onderzoeken of de gezamenlijke gegevens die in een dossier zijn aangevoerd, een beroep op aanvullende dan wel derogerende werking van redelijkheid en billijkheid zouden kunnen onderbouwen. Zo'n onderzoek komt pas in aanmerking als de desbetreffende partij een (gemotiveerd) betoog van die strekking ter beoordeling heeft voorgelegd. Bij de dan te geven beoordeling behoort de rechter als regel ook alleen de gegevens te betrekken waarvan aannemelijk is dat die ter onderbouwing van het desbetreffende argument zijn aangevoerd(12).

21. Het in de vorige alinea vermelde gegeven geeft nader accent aan de noodzaak - althans: in veel gevallen -, dat een cassatiemiddel aangeeft welke stellingen er volgens de steller van het middel ter onderbouwing van een beroep op redelijkheid en billijkheid waren aangevoerd.

22. De beide zojuist onderzochte regels - de rechter moet zich bij zijn beoordeling beperken tot wat de partijen hebben aangevoerd, en een cassatiemiddel moet voldoende aangeven, op welke oordelen en verdere gegevens het betrekking heeft - berusten niet op formalisme. Zij zijn gericht op de eerlijkheid en de efficiëntie van de procesvoering.

Om de partijen een behoorlijke gelegenheid te geven hun standpunten te verdedigen, moet de eis gesteld worden dat iedere partij voldoende duidelijk aangeeft, waar de andere partij in dat opzicht rekening mee moet houden. Tegelijk moet ook de rechter (natuurlijk) kunnen begrijpen waarover zijn oordeel gevraagd wordt - het laat zich denken dat de partijen, die meestal ook buiten de gedingstukken om het nodige aan meningen en informatie hebben uitgewisseld, een bepaalde stelling soms eerder "goed" kunnen begrijpen dan de rechter die alleen de gedingstukken te zien krijgt(13).

23. Ik denk daarom dat het in deze zaak voorgedragen middel ons met een probleem confronteert dat als volgt is samen te vatten: het middel signaleert met recht dat het hof bij zijn in rov. 4.5 gegeven oordeel, een te beperkte maatstaf heeft aangelegd. Bij zijn uitleg waarom dat het geval is, blijkt het middel van een volgens mij eveneens te beperkte maatstaf uit te gaan. Een nader probleem daarbij is, dat het middel niet aangeeft, welke van de in de feitelijke aanleg betrokken stellingen volgens de onderhavige klacht voor het hof aanleiding hadden moeten vormen voor het nadere onderzoek waar de klacht naar verwijst.

24. Bij het onderscheid dat het middel aandringt - grof gezegd: het onderscheid tussen misbruik van omstandigheden enerzijds, en beperkende werking van redelijkheid en billijkheid aan de andere kant - is in geprononceerde mate aan de orde, wat ik in alinea's 19 en 20 hiervóór heb betoogd: wil de rechter genoodzaakt zijn te onderzoeken of, hoewel de voorwaarden voor toepassing van het eerstgenoemde leerstuk er misschien niet zijn, dat voor toepassing van het andere leerstuk (toch) anders is, dan ligt het bepaald in de rede dat de partij die dit wenst, moet hebben aangegeven dát zij op het tweede leerstuk een beroep doet, en ook moet hebben aangegeven op welke feitelijke stellingen in dat verband een beroep werd gedaan.

25. Zoals al bleek, geeft het middel niet aan dat er in de feitelijke instanties een betoog van de aan het slot van de vorige alinea aangegeven strekking is ingebracht (en dus ook niet, waar men dat in de stukken kan aantreffen). Ik voeg volledigheidshalve toe dat ik een dergelijk betoog - dus een betoog waarin specifiek beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid wordt gedaan, en ook verwezen wordt naar aan dat betoog ten grondslag gelegde feiten - ook zelf niet in de stukken heb aangetroffen.

26. Daarentegen bevatten de stukken (van de kant van [eiser]) heel wat materiaal dat ertoe strekt dat de rechtsverhouding van partijen "meebrengt" dat de opzegbevoegdheid van Berregratte aan beperkingen onderhevig was(14). Bij gebreke van een duidelijk gedaan beroep op beperkende werking van redelijkheid en billijkheid, zal men de in dit verband aangevoerde stellingen gemakkelijk duiden als (vooral) verwijzend naar de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid. Die uitleg dringt zich ook daarom op, omdat de kantonrechter in het eindvonnis van de eerste aanleg (van 25 juni 2008, zie vooral p. 6) duidelijk voor een uitleg van de rechtsverhouding op de voet van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid had gekozen; en omdat deze beslissing van de kant van [eiser] in hoger beroep werd verdedigd (en van de kant van Berregratte werd bestreden).

27. Ik ben bang dat ik zo langzamerhand een enigszins gecompliceerd - sommigen zullen denken: verward - beeld schets. Het lijkt mij goed om de door mij gesignaleerde problemen nog eens samen te vatten:

a) De rechtsleer betreffende beëindiging van duurovereenkomsten door opzegging (bij gebreke van nadere contractuele of wettelijke regeling), strekt ertoe dat die beëindiging in beginsel mogelijk is, maar dat het aan de hand van redelijkheid en billijkheid in de concrete omstandigheden van het geval aangewezen kan zijn, beperkingen van de opzegbevoegdheid aan te nemen. Het gaat dan vooral om aanvulling van de desbetreffende (contractuele) rechtsverhouding aan de hand van redelijkheid en billijkheid, al kan er soms toepassing aan de orde zijn van de zogenaamde beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.

b) Ik lees rov. 4.5 van het bestreden arrest zo, dat het hof de opzegbaarheid van de rechtsverhouding tot uitgangspunt heeft genomen, en ervan uit is gegaan dat alleen bij aanwezigheid van misbruik van recht/misbruik van bevoegdheid geen gebruik van de opzegbevoegdheid kon worden gemaakt. Dat oordeel gaat uit van een beduidend beperktere rechtsopvatting dan ik, blijkens het in subalinea a) gezegde, juist vind.

c) Het middel voert aan dat het hof hier van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, en dat het hof (ook) had moeten toetsen of [eiser] met recht een beroep deed op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. De klachten geven niet aan dat [eiser] in de feitelijke instanties een beroep op dit leerstuk had gedaan, of welke feiten daaraan ten grondslag zouden zijn gelegd. Volgens mij is in feitelijke aanleg ook geen specifiek betoog van deze strekking aangevoerd.

d) Er is in feitelijke aanleg wel uitvoerig gedebatteerd aan de hand van argumenten die (in elk geval) een beroep op aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid zouden kunnen ondersteunen; en dit in het licht van het feit dat de rechter van de eerste aanleg de rechtsverhouding - klaarblijkelijk - met toepassing van dat leerstuk, in het voordeel van [eiser] had uitgelegd.

De kern van het probleem lijkt mij dan, of het middel, aan de hand van de regels die ik in alinea's 17 en 18 heb aangehaald, met voldoende bepaaldheid en precisie klaagt over de fout die volgens mij inderdaad in de beoordeling door het hof wordt gemaakt.

28. Per saldo lijkt mij voor de beantwoording van die vraag beslissend, wat ik aan het slot van alinea 22 hiervóór aangaf: namelijk of de wederpartij - Berregratte, dus - bij kennisneming van het middel daaruit met voldoende duidelijkheid een klacht heeft kunnen opmaken die de aan het hof verweten fout aanwees, en wel aldus dat behoorlijk verweer daartegen mogelijk werd gemaakt; en of ook aan de (cassatie)rechter voldoende duidelijk werd gemaakt waartoe de onderhavige klachten strekken.

29. Over het antwoord op die vraag kan men verschillend denken - zoals bij de vragen die in rechtsgeschillen worden opgeworpen overigens meestal het geval is.

Ik kom ertoe, de vraag positief te beantwoorden - dus in die zin dat de klachten van het middel de zwakke plek in het bestreden arrest met voldoende duidelijkheid aanwijzen.

Daarbij weegt voor mij dat een rechtsklacht, blijkens de eerder aangehaalde rechtsleer, moet aangeven welk rechtsoordeel van het hof wordt bestreden, en waarom het rechtsoordeel niet juist is. Ik denk dat dat niet de eis impliceert, dat het middel ook moet aanwijzen welke rechtsopvatting wél de juiste is - het is voldoende dat op begrijpelijke wijze wordt aangegeven dat de bestreden overweging geen goed recht oplevert, en waarom de steller meent dat dat zo is(15).

30. De klachten van het middel in deze zaak strekken, zoals al herhaaldelijk aangegeven, ertoe dat het hof ten onrechte zijn onderzoek heeft beperkt tot de vraag of aan Berregratte wegens rechtsmisbruik geen beroep van haar opzeggingsmogelijkheid toekwam; en wel omdat volgens het middel ook een ander, (iets) ruimer onderzoek aangewezen was.

Zoals hiervóór gedetailleerd werd besproken, beoordeel ik het uitgangspunt waarmee deze klachten aanvangen als juist, maar datgene wat de klachten aanwijzen als de weg het hof dan wél had moeten volgen - in elk geval in deze zaak, waarin die weg in de feitelijke instanties niet te berde was gebracht en dus ook niet specifiek met feiten was onderbouwd - als ondoeltreffend. Dat doet er echter niet aan af dat de klacht duidelijk en begrijpelijk aangeeft waarom het hof een verkeerde rechtstoepassing heeft gevolgd - al wordt dat aan de hand van een niet-doeltreffende redenering gedaan.

31. In de in alinea's 29 en 30 bepleite bejegening van het middel, wordt (ook) voorbijgegaan aan het feit dat de klachten niet aangeven op welke in de feitelijke instanties betrokken stellingen de mening wordt gebaseerd, dat het hof zijn beoordeling niet kon beperken tot toetsing aan "misbruik van recht".

Het lijkt mij juist om nog even aan te stippen dat ook dit een punt is, dat men aan de hand van de hiervóór aangewezen rechtsleer anders kan beoordelen dan ik hiervóór heb aanbevolen.

32. In de rechtspraak van de Hoge Raad is de eis van verwijzing naar de vindplaatsen van stellingen in de stukken weliswaar vooral in verband gebracht met motiveringsklachten; maar zoals in alinea 19 hiervóór werd besproken, kan zich bij een rechtsklacht een soortgelijk probleem voordoen.

Als een rechtsklacht gericht is op rechtsregels waaraan bepaalde feiten ten grondslag moeten worden gelegd, en die klacht wordt aangevoerd in een context waarin zich niet als vanzelfsprekend opdringt welke feiten dat in de desbetreffende procedure waren, is bepaald aannemelijk dat de steller van de klacht de rechter en de wederpartij "op weg moet helpen" door aan te wijzen welke feiten het betreft en wáár die in de gedingstukken te vinden zijn.

33. Ik denk echter dat in de onderhavige zaak zich wél als vanzelfsprekend opdringt, welke gegevens, eenmaal aangenomen dat het hof een te beperkte beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd, nog in de beoordeling hadden moeten worden betrokken.

Het gaat dan om alle argumenten die ertoe strekten dat (in de eerste aanleg wel of niet met recht was beslist dat) de opzegbevoegdheid van Berregratte in het licht van de van de kant van [eiser] benadrukte belangen en omstandigheden, beperkt moest worden uitgelegd.

34. Het betreft hier een geschilpunt dat in het vonnis van de eerste aanleg centraal stond, en dat ook in het debat in appel een navenant prominente plaats innam. We hebben hier dus niet te doen met een klacht die (als men die ruim opvat zoals ik dat hiervóór heb verdedigd), zou betekenen dat de rechter dan wel de andere partij in het duister tasten wat betreft de materie die daarmee wordt beoogd, of die de betrokkenen noodzaakt tot een ongewis afspeuren van het dossier om te bezien of er stellingen zijn aan te treffen die in de context van de klacht van belang kunnen zijn.

35. Bij de hiervóór verdedigde ruime uitleg van de in art. 407 lid 2 Rv. besloten liggende eisen, moeten de klachten leiden tot vernietiging van het bestreden arrest. Dat geldt dan voor de in alinea 1 van het middel opgenomen klacht. De klacht van alinea 2 berust op een lezing van het arrest die ik onaannemelijk vind (kort gezegd: de lezing dat het hof niet zou hebben miskend dat het zich bij zijn toetsing niet kon beperken tot het leerstuk van rechtsmisbruik). Die klacht lijkt mij daarom ondeugdelijk.

36. Zou men de in nr. 2 van het middel veronderstelde lezing van het arrest wel juist achten, dan is de klacht in zoverre gegrond, dat het bestreden arrest inderdaad geen deugdelijke motivering inhoudt voor het op de hier veronderstelde nadere toetsing gegeven oordeel.

Hier is echter opnieuw in aanmerking te nemen dat de klachten geen vindplaatsen uit de stukken aanwijzen voor de stellingen die, op het voetspoor van de onderhavige klacht, nader door het hof in de motivering hadden moeten worden betrokken.

37. In de in alinea's 17 en 18 hiervóór besproken rechtsleer wordt ten aanzien van motiveringsklachten "ongeclausuleerd" verlangd, dat deze de feitelijke stellingen waaromtrent (nadere) motivering wordt verlangd, op deze manier aangeven. Aan de hand van deze rechtsleer zou dus geoordeeld kunnen worden dat de onderhavige klacht - nog steeds: in de hier veronderstelde lezing van het bestreden arrest - niet aan de in art. 407 lid 2 Rv. besloten liggende eisen voldoet.

Conclusie

Ik concludeer tot vernietiging, met verdere beslissingen als gebruikelijk.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan rov. 4.1 - 4.3 van het in cassatie bestreden arrest. Dat arrest is (ook) te vinden op rechtspraak.nl LJN BQ2351.

2 Een daarvan was al in cassatie aan de orde, zie HR 20 mei 2011, NJ 2011, 240.

3 Het in cassatie bestreden arrest is van 14 december 2010. De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 14 maart 2011.

4 Ik laat subsidiaire verbijzonderingen van de standpunten van partijen nu even buiten beschouwing.

5 Het daarvóór geldende BW liet de beëindiging van mondeling aangegane huurovereenkomsten voor onbepaalde tijd ongeregeld.

6 SDU Commentaar Huurrecht, Schouten en Visser, 2012, art. 228, aant. C3; Rossel, Huurrecht Algemeen, 2011, nr. 7.1.1 (p. 452); T&C Burgerlijke Wetboek Boeken 6, 7, 8 en 10, Huydecoper, 2011, art. 7:228, aant. 3; Kloosterman c.s., Hoofdlijnen in het huurrecht, 2011, nr. 5.2.1.

7 Zo zou men bijvoorbeeld HR 27 mei 2011, NJ 2011, 257, rov. 3.9 - 3.10 (nog) kunnen lezen. Zie voor verdere gegevens over de rechtsleer vóór het in de tekst aangehaalde arrest, alinea 2.3 van de conclusie van A - G Rank-Berenschot vóór dat arrest.

8 Voor de gekozen terminologie mag ik wel verwijzen naar Asser/Hartkamp & Sieburgh 6 III*, 2010, Hoofdstuk 16, §§ 2 en 3. Ik wijs er op dat deze schrijvers het probleem dat ons in deze zaak bezig houdt - de beëindiging van duurovereenkomsten door opzegging - in nr. 408 bij de behandeling van de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid bespreken.

9 In HR 25 juni 1999, NJ 1999, 602, rov. 3.4 wordt met zoveel woorden onder ogen gezien dat beide (en onder omstandigheden ook toepassing van art. 6:258 BW) mogelijk zijn.

10 Een bloemlezing: "aanvullende werking" werd toegepast in (de gevallen die aan de orde waren in) HR 24 februari 2012, rechtspraak.nl LJN BV1443, HR 16 december 2011, RvdW 2012, 13, HR 27 mei 2011, NJ 2011, 257 (in voetnoot 7 al genoemd), HR 12 november 2004, WR 2005, 23 m.nt. Heikens, HR 7 december 2001, rechtspraak.nl LJN AD3961, HR 20 april 2001, rechtspraak.nl LJN ZC3526, en het vaak als "leading case"aangehaalde HR 3 december 1999, NJ 2000, 120; Hof Amsterdam 8 november 2007, WR 2008, 40, m.nt. Van Schie, rov. 2.6 - 2.7; Ktr. Haarlem 23 april 2008, rechtspraak.nl LJN BD0866, rov. 8; Ktr. Arnhem 4 oktober 2006, rechtspraak.nl LJN AZ5873, zesde rov. onder "Motivering"; Ktr. Utrecht 29 maart 2006, NJF 2006, 472, rechtspraak.nl LJN AY3832, rov. 6.3; Ktr. Amsterdam 8 maart 2006, WR 2007, 44, rechtspraak.nl LJN BA5461, rov. 8; Ktr. Amsterdam 29 juli 2004, WR 2004, 282, rechtspraak.nl LJN AR5625, rov. 8 en 14. Zie ook het geval uit HR 27 januari 2012, RvdW 2012, 203.

"Beperkende werking" werd toegepast in Ktr. Utrecht 25 november 2009, rechtspraak.nl LJN BK5715, rov. 4.9 - 4.10. Kloosterman c.s. gebruiken op de in voetnoot 6 aangehaalde plaats een formulering die naar toepassing van het leerstuk van rechtsmisbruik verwijst.

11 Ik vermeld, dat men de beslissing van het hof ook anders kan lezen. In rov. 4.6 beoordeelt het hof namelijk wél of de door Berregratte gebezigde opzegtermijn als (on-)redelijk moet worden aangemerkt, en komt het tot de slotsom dat in redelijkheid een wat langere termijn moet worden aangehouden.

Omdat het hof in deze rechtsoverweging (slechts) een subsidiair namens [eiser] voorgedragen standpunt beoordeelt, nadat het primaire standpunt in de voorafgaande overweging is onderzocht; en omdat rov. 4.6 er geen blijk van geeft hoe de uitvoerig namens [eiser] bepleite omstandigheden van het geval die een beperking van de opzegbevoegdheid van Berregratte zouden rechtvaardigen, in de daar gegeven beoordeling (zouden) zijn betrokken, lijkt het mij niet verantwoord om in deze rov. een "versluierde" beoordeling van het onderhavige geschilpunt (dus: van de vraag of Berregrattes opzegbevoegdheid aan beperkingen was onderworpen) "in te lezen".

12 Als de rechter buiten de kaders treedt die ik zojuist schetste, bezondigt hij zich al gauw aan de (verboden) aanvulling van de door partijen aan hun vorderingen, verzoeken of verweren ten grondslag gelegde stellingen. Het zij mij vergeven dat ik, omdat deze cassatiezaak dat niet aan de orde stelt, niet nader inga op de ruimte c.q. de beperkingen waarmee de rechter in dit opzicht rekening moet houden.

13 Over de eisen die aan een cassatiemiddel gesteld worden: Asser, Civiele cassatie, 2011, p. 89 - 91; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 143; Ter Heide in "WB der Nederlanden", 2003, p. 197 - 204.

14 Zie bijvoorbeeld de Memorie van Antwoord (etc.), alinea's 6 - 10, 13 - 20 en 31.

Aangezien het hof ervan uitging dat grieven van de kant van Berregratte als gegrond waren aan te merken, zou het overigens, op het voetspoor van het als "devolutieve werking" bekend staande leerstuk, ook wat in eerste aanleg op dit punt namens [eiser] was aangevoerd in zijn beoordeling hebben moeten betrekken.

15 Over het probleem van de rechtsklacht die zelf (ook) op een onjuiste rechtsopvatting berust (of, zoals in het onderhavige geval, een rechtsopvatting die gezien het partijdebat geen succes (meer) kan opleveren): Asser, Civiele cassatie, 2011, p. 90; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 143 (p. 305 - 306); Ter Heide in "WB der Nederlanden", 2003, p. 202 - 203.

Ik wijs er op dat deze bronnen een beperktere opvatting suggereren ten aanzien van de aan een cassatiemiddel te stellen eisen, dan de opvatting ik hier voor mijn rekening neem.