Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW1278

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
11/03797
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW1278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Vaststelling kinderalimentatie; onbegrijpelijk gemotiveerd passeren van stellingen? Draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/778
JWB 2012/270
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/03797

Mr. F.F. Langemeijer

6 april 2012

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

1. Deze kinderalimentatiezaak leent zich voor een verkorte conclusie. Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en gerekestreerde (hierna: de man) hebben een affectieve relatie gehad, waaruit drie kinderen zijn geboren in 2001 respectievelijk 2003.

2. Nadat de relatie was beëindigd, heeft de vrouw op 20 juli 2009 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank te Rotterdam tot vaststelling van een bijdrage van de man in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, groot € 229,- per kind per maand.

3. De man heeft verweer gevoerd. Bij beschikking van 22 april 2010 heeft de rechtbank een bijdrage vastgesteld van € 25,- per kind per maand met ingang van 20 juli 2009 en van € 52,- per kind per maand met ingang van 20 juli 2010.

4. Op het hoger beroep van de vrouw heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 25 mei 2011 met ingang van 4 maart 2011 de bijdrage bepaald op € 80,- per kind per maand. Het hof constateerde dat de voormalige gezamenlijke woning van partijen inmiddels was verkocht en op 4 maart 2011 is overgedragen, zodat de draagkracht van de man met ingang van die datum is toegenomen. In rov. 12 overwoog het hof dat bij de vaststelling van de draagkracht van de man onder meer rekening is gehouden met de rente op de hypothecaire lening ten behoeve van de nieuwe woning van de man, ten bedrage van € 1.217,15, de premie levensverzekering van € 139,87 en overige eigenaarslasten van € 95,- per maand. Het hof overwoog dat deze bedragen voldoende blijken uit de door de man overgelegde financiële stukken. In rov. 13 verwierp het hof het standpunt van de vrouw, dat de man deze woonlasten kan delen met zijn zus en/of met zijn broer.

5. Namens de vrouw is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen deze beslissing. In cassatie is geen verweer gevoerd.

6. Met onderdeel I van het middel keert de vrouw zich tegen de verwerping van haar standpunt dat de man deze woonlasten kan delen met zijn zus en/of met zijn broer. De klacht onder a houdt in dat de vrouw had aangevoerd dat de woning aan de man en zijn zus gezamenlijk toebehoort, dat zij beiden schuldenaar van de bank zijn en dat de zus als mede-eigenaar behoort bij te dragen in de kosten. Dat de man en zijn zus beide schuldenaar zijn, blijkt volgens de klacht uit een door de man aan de rechtbank overgelegd schrijven van de hypotheekhouder. Waarom het hof niettemin heeft aangenomen dat de man de woonlasten niet kan delen, is volgens de klacht onbegrijpelijk.

7. Het hof heeft deze stelling onder ogen gezien, dat blijkt uit rov. 13, maar is van oordeel dat dit tegenover het verweer van de vader onvoldoende is komen vaststaan. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. De aangevoerde omstandigheid dat de man (niet: de vrouw) in eerste aanleg een bijlage bij een brief van hypotheekhouder Obvion heeft overgelegd, noopt het hof niet om, ter weerlegging van het standpunt van de vrouw, uitdrukkelijk aandacht aan die brief te besteden. De vrouw had in de feitelijke instanties op die brief geen beroep gedaan; in elk geval klaagt het middel niet over het passeren van een zodanige stelling. Daarbij komt nog, dat het middelonderdeel veronderstelt dat uit die bijlage "blijkt van de gesloten lening en de schuldenaren van die lening". In het licht van het verweer van de man, zoals door het hof besproken in rov. 13, kan die bijlage ook anders worden gelezen.

8. De klacht onder b houdt in dat het oordeel in rov. 13 met betrekking tot de mogelijkheid voor de man om de woonlasten te delen met zijn broer onbegrijpelijk is: de vrouw had gesteld dat uit een uittreksel van de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat deze broer op hetzelfde adres als de man staat ingeschreven. Volgens het middel is dat het ultieme bewijs.

9. De man heeft ter zitting van het hof de stelling van de vrouw dat hij zou samenwonen met zijn broer bestreden met de stelling dat hij slechts toestemming heeft gegeven aan zijn broer om zich tijdelijk in te schrijven op zijn adres ten behoeve van een aanvraag om een uitkering. Hij stelde dat hij en zijn broer niet samenwonen. Het oordeel in rov. 13, dat de man zijn woonlasten met niemand kan delen, is gebaseerd op een waardering van de stellingen van partijen en de overgelegde bewijsmiddelen, waaronder het door de vrouw getoonde GBA-uitreksel. Dat het hof aan dit uitreksel niet de bewijskracht heeft verbonden die de vrouw hieraan verbonden zou willen zien is niet onbegrijpelijk. Het hof is op grond van art. 152 lid 2 Rv vrij in de waardering van het aan hem voorgelegde bewijs, tenzij de wet anders bepaalt. Een inschrijving in de GBA op een bepaald adres levert geen dwingend bewijs op van de stelling dat de personen die op dat adres staan ingeschreven een gezamenlijke huishouding voeren of de woonlasten van dat adres delen.

10. Onderdeel II houdt in dat ongerijmd is dat het hof bij de vaststelling van de draagkracht rekening heeft gehouden met de door de man opgevoerde rente op de hypothecaire geldlening en premie levensverzekering ter zake van de voormalige echtelijke woning, hoewel hij deze niet heeft betaald(1). Volgens de toelichting had de vrouw het hof erop gewezen dat de man, blijkens een brief van de bank, per 1 oktober 2010 een betalingsachterstand had.

11. Blijkens rov. 12 heeft het hof over de periode tot 4 maart 2011 inderdaad rekening gehouden met rente en premie levensverzekering ter zake van de voormalige echtelijke woning. Dat is op zich niet onbegrijpelijk: het hof verwijst naar de door de man overgelegde draagkrachtberekening en financiële gegevens(2). Als producties 6 en 7 bij het verweerschrift in hoger beroep had de man rekeningoverzichten overgelegd, waaruit de meegewogen woonlasten blijken wat betreft de periode van 29 september 2009 t/m 30 augustus 2010. Overigens is de waardering van dit bewijsmateriaal voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De stelling van de vrouw dat de man deze lasten niet althans niet volledig heeft betaald(3), waar hij blijkens een overgelegde brief in oktober 2010 een betalingsachterstand had, staat op zichzelf niet in de weg aan het oordeel dat de rechter met deze lasten rekening houdt: de draagkracht van de alimentatieplichtige in een bepaald tijdvak wordt niet alleen beïnvloed door de in dat tijdvak werkelijk gedane uitgaven, maar ook door de in dat tijdvak bestaande schulden.

12. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

13. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a.- g.

1 Dit had de vrouw als grief aangevoerd: zie rov. 6.

2 Verweerschrift in hoger beroep blz. 1 - 3.

3 Beroepschrift blz. 3 en 4.