Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW1257

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
01-06-2012
Zaaknummer
11/04736
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW1257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Vaststelling Nederlanderschap; art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/787
JWB 2012/279
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 11/04736

Mr. P. Vlas

Zitting, 6 april 2012 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[Verzoeker],

verzoeker tot cassatie

tegen

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie en Naturalisatiedienst),

verweerster in cassatie

(hierna: de Staat)

1. Het gaat in deze zaak om een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.

2. De vader van verzoeker, [betrokkene 1], is bij Koninklijk Besluit van 17 juni 1997 (hierna: het KB) genaturaliseerd. In dit KB is verder bepaald:

'Het Nederlanderschap is daarbij onthouden aan de minderjarige kinderen aan wie geen verblijf voor onbepaalde tijd in Nederland, onderscheidenlijk de Nederlandse Antillen en Aruba, is toegestaan.'

3. Verzoeker is op [geboortedatum] 1990 geboren in Pakistan. Aan verzoeker is op 27 januari 2005 een Nederlands paspoort afgegeven. Op 1 juli 2005 is verzoeker ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie te Amsterdam. Op 28 juli 2009 is het Nederlands paspoort van verzoeker verlengd.

4. Verzoeker heeft de rechtbank 's-Gravenhage verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat, doordat hem een Nederlands paspoort is verstrekt, de Staat de verwachting heeft gewekt dat hij het Nederlanderschap heeft verkregen. De Staat heeft daartegen verweer gevoerd.

5. Bij beschikking van 28 juli 2011 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen.

6. Verzoeker heeft (tijdig) cassatieberoep doen instellen. De Staat heeft verweer gevoerd.

7. Het verzoekschrift bevat twee middelen. Middel 1 klaagt dat de rechtbank het recht heeft geschonden omdat de rechtbank niet, althans niet voldoende heeft gemotiveerd waarom verzoeker het Nederlanderschap heeft verkregen. In de toelichting op de klacht valt te lezen dat anders dan in de vaste jurisprudentie waar de rechtbank kennelijk op doelt, bij verzoeker tweemaal het vertrouwen is gewekt dat hij de Nederlandse nationaliteit had verkregen. Onder die omstandigheden mocht verzoeker er gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij de Nederlandse nationaliteit had verkregen.

8. De klacht faalt, omdat zij uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank heeft - in cassatie niet bestreden - terecht geoordeeld dat de wijzen waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen limitatief zijn opgenomen in de RWN en dat daaronder - in cassatie evenmin bestreden - niet is begrepen de werking van enig beginsel van algemeen bestuur of het feit dat tot twee keer toe (abusievelijk) een Nederlands paspoort is verstrekt.(1)

9. Middel 2 klaagt - zo volgt uit de toelichting - dat nu de rechtbank zich weliswaar baseert op vaste jurisprudentie maar niet aangeeft op welke (vaste) jurisprudentie, onvoldoende is komen vast te staan op grond waarvan de rechtbank meent dat de wijzen waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen limitatief zijn opgenomen in de RWN.

10. De klacht faalt. De klacht bestrijdt op zich niet dat de wijzen waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen limitatief in de wet zijn opgenomen en dat daaronder niet zijn begrepen de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur noch het feit dat tot twee keer toe (abusievelijk) een Nederlands paspoort is verstrekt. De rechtbank heeft het op de laatstgenoemde omstandigheden gebaseerde beroep van verzoeker terecht afgewezen. Dat oordeel is ook voldoende gemotiveerd. Een rechterlijke beslissing moet tenminste zodanig zijn gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken.(2) Anders dan de klacht betoogt, brengt het motiveringsbeginsel niet met zich dat de rechter gehouden is de door hem toegepaste rechtsregels te motiveren.

11. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Vgl. HR 16 september 1994, LJN: ZC1450, NJ 1995/563, m.nt. GRdG; HR 19 december 2003, LJN: AL8544, NJ 2009/338.

2 Groene Serie, Burgerlijke Rechtsvordering, artikel 230 Rv, aant. 8 (E.J. Numann); zie ook onder meer: HR 4 juni 1993, LJN: ZC0986, NJ 1993/659 m.nt. DWFV.