Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BW0243

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
11/02986
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BW0243
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Kinderalimenatie; omvang schulden en draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/781
JWB 2012/271
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/02986

Mr. F.F. Langemeijer

23 maart 2012

Conclusie inzake:

[De vrouw]

tegen

[De man]

In deze alimentatiezaak wordt volstaan met een verkorte conclusie.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Verzoekster tot cassatie (hierna: de vrouw) en verweerder in cassatie (de man) zijn in 1992 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is in 1995 een kind geboren. Bij beschikking van 9 juni 2000 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken(1). Het kind verblijft bij de vrouw. In genoemde beschikking is ten laste van de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind vastgesteld van f 500,- per maand. In hoger beroep heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 14 februari 2001 de beslissing over de kinderalimentatie in stand gelaten en ten laste van de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw bepaald ten bedrage van f 1.500,- per maand voor het tijdvak van 20 september 2000 tot aan de boedelverdeling, doch uiterlijk tot 1 april 2001, en aansluitend een bedrag van f 2.500,- per maand. Door de wettelijke indexering zijn deze bedragen nadien verhoogd.

1.2. Op 12 oktober 2009 heeft de man verzocht de partneralimentatie en de kinderalimentatie met ingang van 24 juli 2009 op nihil te stellen, althans te verminderen tot een zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als door de rechter juist wordt geoordeeld(2). Bij beschikking van 20 juli 2010 heeft de rechtbank te 's-Gravenhage dit verzoek van de man afgewezen als onvoldoende onderbouwd.

1.3. Op het hoger beroep van de man heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 20 april 2011 de beschikking van de rechtbank vernietigd. Het hof heeft - met wijziging van zijn beschikking van 14 februari 2001 - met ingang van 1 december 2009 de partneralimentatie bepaald op nihil en de kinderalimentatie op € 100,- per maand.

1.4. Het hof stelde vast dat alleen de draagkracht van de man in geschil is. Het hof achtte het genoegzaam gebleken dat de man per 24 juli 2009 is ontslagen als gevolg van reorganisaties bij zijn werkgever in Singapore en dat hij als ontslagvergoeding vier maandsalarissen heeft ontvangen. Zijn huidige echtgenote verdient door het geven van fitness- en yogalessen € 400,- per maand en via Herbalife € 210,- per maand. De man heeft tot 24 juli 2009 de destijds door de rechter vastgestelde bijdragen voldaan (rov. 7). Het hof is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een groot aantal pogingen heeft ondernomen om weer aan de slag te komen, maar dat dit kennelijk mede door de recessie en de situatie op de arbeidsmarkt, alsmede de concurrentie in de branche waarin de man werkzaam was, eerst sinds 1 maart 2011 is gelukt (rov. 8). Ter terechtzitting heeft de man onweersproken verklaard dat hij in Singapore woont, maar vanaf december 2010 tezamen met zijn huidige echtgenote, in Nederland verblijft. Hij heeft hier met ingang van 1 maart 2011 een arbeidscontract voor - voorlopig - drie maanden. Na een aantal inkomensgegevens te hebben besproken, kwam het hof tot de volgende slotsom:

"Dit alles in aanmerking nemende is het hof van oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat hij met ingang van 1 december 2009 (gerekend vanaf de ontslagdatum van 24 juli 2009 plus de vier maanden salaris als ontslagvergoeding) geen draagkracht heeft om enige alimentatie te betalen. Dat de man meer inkomsten heeft dan hij laat zien, zoals door de vrouw betoogd, is naar 's hofs oordeel door de vrouw niet aangetoond en is het hof ook overigens niet gebleken, zodat deze - gemotiveerd bestreden - stelling wordt gepasseerd. Nu de man zich evenwel ter terechtzitting in hoger beroep bereid heeft verklaard om met ingang van 1 maart 2011 € 100,- per maand ten behoeve van zijn minderjarige dochter te voldoen, zal het hof die bijdrage vaststellen, zodat de bestreden uitspraak wordt vernietigd." (rov. 9)

1.5. De vrouw heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van het hof. De man heeft in cassatie verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het middel houdt in dat de beslissing om een aantal redenen onbegrijpelijk is: in de eerste plaats omdat de (in rov. 8 genoemde) omstandigheid dat de man per 31 september 2010 een onderhandse lening is aangegaan om daarmee belastingaanslagen over 2006 en 2008 en achterstallige hypotheeklasten te betalen, niet kan bijdragen aan het oordeel dat de man met ingang van 1 december 2009 geen draagkracht meer heeft: deze belastingaanslagen en hypotheeklasten betreffen een vóór 1 december 2009 gelegen tijdvak. In de periode vóór 1 december 2009 had de man gewoon zijn inkomen nog en behoorde hij daaruit zijn financiële verplichtingen te betalen (cassatieverzoekschrift onder 2 en 3).

2.2. Deze klacht faalt. Op de draagkracht van de onderhoudsplichtige zijn in beginsel al diens schulden van invloed, onverschillig op welk tijdstip deze schulden zijn ontstaan(3). De schulden betreffende de belastingaanslagen 2006 en 2008 en achterstallige hypotheeklasten stonden nog open op 1 december 2009, met ingang van welke datum de man naar het oordeel van het hof geen draagkracht meer heeft om alimentatie te betalen. Dat is voor de lezer niet onbegrijpelijk. Overigens heeft het hof niet alleen de belastingaanslagen en achterstallige hypotheeklasten in aanmerking genomen, maar ook de door de broer van de man per 31 december 2010 verstrekte onderhandse lening, waarmee de genoemde schulden zijn voldaan.

2.3. Verder houdt de klacht in dat rov. 8 in strijd is met de stellingen van de man, voor zover zij inhoudt dat uit de aangifte inkomstenbelasting Singapore over 2010 een inkomen van 5991 Singaporese Dollars negatief blijkt (cassatieverzoekschrift onder 4). Deze klacht mist feitelijke grondslag. Het hof is niet uitgegaan van een negatief inkomen van 5991 maar van 591 Singaporese Dollars. Dit bedrag volgt uit de door de man overgelegde aangifte inkomstenbelasting Singapore 2010(4).

2.4. Vervolgens klaagt zij dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van haar onweersproken stelling dat de man een belastingaftrek van in totaal 43.500 Singaporese Dollars heeft geïnvesteerd in een door hem opgestart bedrijf. De vrouw voert in cassatie aan dat dit bedrag ook had kunnen worden aangewend voor de betaling van haar alimentatie. Volgens de klacht is onduidelijk welke inkomsten de man uit zijn bedrijf heeft, omdat hij daaromtrent onvoldoende inzicht heeft verschaft (cassatieverzoekschrift onder 5 en 7).

2.5. Uit de processtukken blijkt mij niet - het middel noemt ook geen vindplaatsen - dat de vrouw in de procedure bij het hof heeft gesteld dat de man een belastingaftrek van 43.500 Singaporese Dollars heeft geïnvesteerd in een door hem opgestart bedrijf(5). Evenmin heeft de vrouw in de procedure bij het hof aangevoerd dat dit bedrag had kunnen worden aangewend voor de betaling van haar alimentatie. Op stellingen die niet zijn aangevoerd behoefde het hof niet te responderen. In hoger beroep heeft de vrouw slechts gesteld dat uit de hiervoor genoemde productie 3 van de man blijkt van een belastingaftrek (of -teruggaaf) van 43.500 Singaporese Dollars en dat daaruit volgt dat de man nog steeds geen openheid van zaken met betrekking tot zijn inkomen heeft verstrekt(6). Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof dit opgevat als een herhaling van de stelling dat de man meer inkomsten heeft dan hij heeft laten zien. Die stelling is door het hof in rov 9 verworpen, als niet aangetoond en niet anderszins gebleken. De motiveringsklacht faalt om deze reden.

2.6. Volgens de vrouw is de beschikking innerlijk tegenstrijdig daar waar in rov. 5 is overwogen dat de man de helft van een bijstandsuitkering verdient, rijk leeft en niet de noodzakelijke bewijsstukken heeft ingediend, terwijl in rov. 8 wordt overwogen dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij voor zijn levensonderhoud door zijn twee broers wordt geholpen, in die zin dat zij hem af en toe wat geld toestoppen (cassatieverzoekschrift onder 6 en 7).

2.7. Deze motiveringsklacht berust op een verkeerde lezing van de beschikking en mist feitelijke grondslag. De desbetreffende passage in rov. 5 bevat niet een eigen oordeel van het hof, maar slechts een weergave van het standpunt van de vrouw. Er is daarom geen sprake van innerlijke tegenstrijdigheid tussen hetgeen het hof in rov. 5 en in rov. 8 overweegt. Voor zover de vrouw onbegrijpelijk acht dat rov. 8 vermeldt dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij voor zijn levensonderhoud door zijn twee broers wordt geholpen, omdat het in rov. 5 weergegeven verweer van de vrouw geacht moet worden een weerspreking van deze verklaring van de man in te houden, faalt de klacht eveneens. Het hof heeft in de stellingen van de vrouw niet een weerspreking van deze verklaring van de man gelezen en behoefde dat niet te doen.

2.8. Tot slot klaagt het middel dat onbegrijpelijk is waarom het hof de alimentatie op nihil heeft bepaald, resp. de kinderalimentatie heeft verminderd, in een situatie waarin de man in het buitenland een bedrijf is begonnen en in Nederland inkomen geniet, zonder dat er zelfs maar een draagkrachtberekening is gemaakt (cassatieverzoekschrift onder 8).

2.9. Voor zover deze klacht berust op de veronderstelling dat de rechter verplicht is zijn berekeningen in de beschikking op te nemen, geeft zij blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Voldoende is dat uit de beschikking blijkt dat de rechter zich rekenschap heeft gegeven van de voor de draagkracht relevante omstandigheden (met name de financiële middelen waarover de alimentatieplichtige beschikt of redelijkerwijze kan beschikken en de lasten die hij daaruit te bestrijden heeft). Dat heeft het hof in de bestreden beschikking gedaan. De weging en waardering van de omstandigheden die de draagkracht bepalen, zijn voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. Aan die weging en waardering kunnen in het algemeen geen hoge motiveringseisen worden gesteld(7). Het oordeel dat de man genoegzaam heeft aangetoond dat hij met ingang van 1 december 2009 geen draagkracht meer heeft om enige alimentatie te betalen, is in het licht van de door het hof opgesomde omstandigheden niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.

2.10. Toepassing van art. 81 RO wordt in overweging gegeven.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 De beschikking is op 15 september 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2 Zie art. 1:401 lid 1 BW. Het verzoekschrift werd ingediend bij de rechtbank te Utrecht. Deze heeft zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rechtbank te 's-Gravenhage.

3 Vgl. Asser/De Boer I* 2010, nr. 626, met rechtspraakgegevens, i.h.b. HR 29 september 1978 (LJN: AC6360), NJ 1979/143 en HR 11 juli 2008 (LJN: BD1843), NJ 2008/402; S.F.M. Wortmann, in: Kluwers Personen- en Familierecht (losbl.), art. 397, aant. 6.

4 Productie 3 bij brief van 18 maart 2011 van de advocaat van de man aan het hof.

5 Mogelijk heeft de vrouw hierbij het oog op een fitnessbedrijf dat de nieuwe echtgenote van de man zou hebben opgericht. Vgl. de aan de rechtbank gerichte brief d.d. 23 maart 2010 van de zijde van de vrouw en de brief d.d. 29 maart 2010 zijdens de man, telkens met producties. In rechte is evenwel niet méér komen vast te staan dan dat de nieuwe echtgenote € 400,- verdient door het geven van fitness- en yogalessen. Vgl. rov. 7 van de bestreden beschikking.

6 Pleitnota namens de vrouw d.d. 30 maart 2011 onder 5.

7 Vgl. Asser/De Boer I* 2010, nr. 620 en 624 e.v. met rechtspraakgegevens, i.h.b. HR 17 maart 2000 (LJN: AA5167), NJ 2000/313 en HR 22 september 2006 (LJN: AX8848), NJ 2006/520; M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, Alimentatieverplichtingen, Mon. (Echt)scheidingsrecht 4A, 2011, blz. 43 e.v.; S.F.M. Wortmann, in; Kluwers Personen- en Familierecht (losbl.), art. 397, aant. 2 en 9.