Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9961

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
11/03822
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9961
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Nationaliteit. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap; “belanghebbende” in de zin van art. 18 lid 2 RWN; maatstaf (vgl. HR 10 november 2006, LJN AY8290, NJ 2007/45).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/770
NJ 2012/339
NJB 2012/1321
JWB 2012/267
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaak 11/03822

Mr. P. Vlas

Zitting, 23 maart 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker],

verzoeker tot cassatie

tegen

1. [Verweerster 1],

2. De Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst),

verweerders in cassatie

In deze zaak komt de vraag aan de orde of een vader in cassatie als belanghebbende kan opkomen tegen een beslissing van de rechtbank waarin in een procedure op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) is vastgesteld dat zijn dochter het Nederlanderschap bezit.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 [De dochter] is op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] (Egypte) geboren als dochter van [verweerster 1] en [verzoeker], van Nederlandse nationaliteit. [Verweerster 1] heeft de Egyptische nationaliteit.

1.2 Bij beschikking van 17 mei 2010 heeft de rechtbank Den Haag, sector familie- en jeugdrecht, voor recht verklaard dat de huwelijksakte van [verweerster 1] en [verzoeker], gehuwd op 11 juni 2008 te Cairo, Egypte, overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie is opgemaakt en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand. Voorts is in die beschikking de inschrijving van de huwelijksakte in het huwelijksregister van de gemeente 's-Gravenhage gelast.

1.3 De huwelijksakte is, volgens door de IND ingewonnen informatie bij de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage, op 8 september 2010 ambtshalve ingeschreven.

1.4 [Verweerster 1] heeft in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [de dochter] op 5 september 2010 een verzoekschrift ingediend waarin zij de rechtbank verzoekt vast te stellen dat [de dochter] vanaf 20 juni 2009 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. De IND is het met deze stelling eens.

1.5 Bij beschikking van 19 mei 2011 heeft de rechtbank vastgesteld dat [de dochter] vanaf haar geboorte op [geboortedatum] 2009 de Nederlandse nationaliteit heeft. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen:

'4.1 Artikel 3 lid 1 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) bepaalt dat Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of moeder Nederlander is.

4.2 Uit de overgelegde stukken is gebleken dat [de dochter] op 20 juni 2009 te [geboorteplaats] (Egypte) is geboren uit het op 11 juni 2008 te Cairo (Egypte) gesloten huwelijk van [verweerster 1] met [verzoeker]. [Verweerster 1] is in het bezit van de Egyptische nationaliteit en [verzoeker] van de Nederlandse nationaliteit.

4.3 Het huwelijk wordt binnen de Nederlandse rechtsorde erkend, zodat [verzoeker] in de zin van artikel 1 lid 1 aanhef en onder d RWN wordt beschouwd als de vader van [de dochter]. Dit heeft tot gevolg dat [de dochter] vanaf haar geboorte op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 RWN door afstamming van een Nederlandse vader in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.'

1.6 Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] (tijdig) beroep in cassatie ingesteld.(2) De Staat heeft in cassatie afgezien van verweer; [Verweerster 1] heeft een verweerschrift ingediend.

2. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1 Op grond van art. 17 RWN kan een ieder die daarbij onmiddellijk belang heeft bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap. Ingevolge art. 18 lid 2 RWN staat voor belanghebbenden beroep in cassatie open. Wie tot belanghebbenden zijn te rekenen, is in de RWN niet aangegeven. Duidelijk is dat de Staat der Nederlanden in ieder geval als belanghebbende is te beschouwen, omdat bij de vraag of iemand al dan niet het Nederlanderschap bezit het algemeen belang nauw is betrokken.(3) De Staat kan beroep in cassatie instellen, ook indien hij in eerste instantie niet is verschenen.(4) De vraag rijst of [verzoeker], die in eerste instantie niet als belanghebbende is opgeroepen, thans in cassatie als belanghebbende kan worden beschouwd in de zin van art. 18 lid 2 RWN.

2.2 Oorspronkelijk bevatte het in 1981 ingediende wetsvoorstel voor de RWN een administratiefrechtelijke procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap. De Staatscommissie voor het Internationaal Privaatrecht heeft in haar advies van 1 mei 1977 naar aanleiding van het voorontwerp van Rijkswet opgemerkt dat anderen dan degene van wie moet worden vastgesteld of hij al dan niet Nederlander is, ook belang bij die vaststelling kunnen hebben en er dan bovendien belang hebben in de procedure als partij op te treden om het verzoek te ondersteunen of te weerspreken.(5) Ook de Staatscommissie voor de Burgerlijke Wetgeving heeft in haar advies van 9 december 1977 ervoor gepleit, nu de vaststelling van het Nederlanderschap ook bindend is in de verhouding van betrokkene met andere personen, ook deze andere personen in de gelegenheid te stellen om aan hen bekende, doch door de betrokkene - al dan niet met opzet - niet verschafte gegevens in de vaststellingsprocedure te doen betrekken.(6) Naar aanleiding van de gedachtewisseling in de Tweede Kamer is uiteindelijk bij Nota van wijziging de administratiefrechtelijke procedure vervangen door de huidige procedure bij de rechtbank te 's-Gravenhage. Uitdrukkelijk werden in art. 18 lid 1 RWN voor de procedure in Nederland de (destijds geldende) bepalingen inzake de verzoekschriftprocedure (art. 429d, 429f-429l en 429s-429t Rv) van toepassing verklaard. Aan de vraag wie tot belanghebbenden in de zin van art. 18 RWN kunnen worden gerekend is in de parlementaire geschiedenis geen aandacht besteed.

2.3 Bij Rijkswet van 17 juni 2010 is de verwijzing in art. 18 lid 1 RWN naar de genoemde bepalingen inzake de verzoekschriftprocedure geschrapt.(7) Deze wijziging heeft geen materieel gevolg, maar houdt verband met de systematiek van het nieuwe procesrecht, waarin geldt dat op een procedure die wordt ingeleid met een verzoekschrift de regels van de verzoekschriftprocedure automatisch van toepassing zijn, tenzij anders is bepaald (art. 261 lid 1 Rv).(8)

2.4 In de algemene regeling voor verzoekschriftprocedures in Boek 1, titel 3 Rv is evenmin nader bepaald wie tot de groep van belanghebbenden behoren. Wie belanghebbenden zijn, moet op basis van de jurisprudentie uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen worden afgeleid.(9) Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, speelt een rol in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.(10) Ik teken daarbij nog aan dat het aan het beleid van de rechter is overgelaten of hij belanghebbenden zal doen oproepen (art. 279 Rv), waarbij de rechter uiteraard gebonden is aan de eisen van een behoorlijke rechtspleging.(11)

2.5 Voor personen- en familierechtzaken van Boek 1 BW (met uitzondering van echtscheidingszaken) bepaalt art. 798 lid 1 Rv dat onder belanghebbende wordt verstaan 'degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft'. Daarmee heeft de wetgever de in beginsel ruime kring van belanghebbenden bij deze procedures enigszins willen inperken. Niet iedereen die pretendeert een belang in de zin van emotionele betrokkenheid bij of sympathie voor de zaak te hebben, zal in de procedure als belanghebbende worden erkend. De zaak moet rechtstreeks betrekking hebben op zijn rechten en verplichtingen, een indirect belang is niet voldoende. Een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap behoort niet tot de procedures waarop art. 798 Rv betrekking heeft.(12)

2.6 Nu een afzonderlijke omschrijving van het begrip 'belanghebbende' in de RWN ontbreekt, volgt uit hetgeen ik onder 2.3 heb vermeld dat dit begrip op dezelfde wijze moet worden uitgelegd als het begrip 'belanghebbende' in de zin van de algemene regeling voor verzoekschriftprocedures van art. 261 e.v. Rv. Door de vaststelling van het Nederlanderschap van [de dochter] is verzoeker tot cassatie niet zodanig in een eigen belang getroffen dat hij behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat mogelijke belang of anderszins zo nauw is betrokken bij de vaststelling van het Nederlanderschap dat daarin het belang is gelegen om in de procedure te worden betrokken. De vaststelling van het Nederlanderschap heeft immers geen gevolgen voor de rechten of verplichtingen van verzoeker tot cassatie jegens [de dochter]. De nationaliteit van het kind is in het Nederlandse IPR-afstammingsrecht geen aanknoping ter bepaling van het toepasselijke recht op de familierechtelijke verhoudingen tussen de vader en het kind (zie hierna onder 3.2). Evenmin speelt de nationaliteit een rol bij kwesties inzake ouderlijk gezag en alimentatie, waarvoor primair wordt aangeknoopt bij de wet van de gewone verblijfplaats van het kind resp. de alimentatiegerechtigde.(13) De rechtbank heeft [verzoeker] dan ook terecht niet als belanghebbende in de vaststellingsprocedure onderkend en als zodanig aangemerkt. Dat [verzoeker] uitdrukkelijk betwist dat hij en [verweerster 1] met elkaar zijn gehuwd en dat [de dochter] zijn dochter is, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift tot cassatie uitdrukkelijk erkend dat de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 mei 2010, waarin voor recht is verklaard dat de in Egypte opgemaakte huwelijksakte moet worden erkend en vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de Burgerlijke Stand, in cassatie tot uitgangspunt moet worden genomen.(14) Op grond van het bovenstaande meen ik dan ook dat verzoeker tot cassatie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voor het geval Uw Raad van oordeel mocht zijn dat verzoeker wel ontvankelijk is, bespreek ik de middelen nog kort.

3. Bespreking van het cassatieberoep

3.1 Het cassatieberoep bestaat uit drie middelen. In het eerste middel maakt [verzoeker] duidelijk dat hij zowel het huwelijk als het vaderschap ontkent en dat de rechtbank door hem niet als belanghebbende te horen art. 6 EVRM resp. art. 279 lid 1 Rv heeft geschonden.

3.2 Zoals ik onder nr. 2.6 heb vermeld, heeft [verzoeker] in zijn verzoekschrift tot cassatie aangegeven dat in cassatie de beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 mei 2010 tot uitgangspunt moet worden genomen, waarin is geoordeeld dat de in Egypte opgemaakte huwelijksakte moet worden erkend en dat deze akte vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de Burgerlijke Stand. Op grond hiervan heeft de rechtbank in de bestreden beschikking terecht aangenomen dat [verzoeker] de vader van [de dochter] is in de zin van art. 1 lid 1 aanhef en onder d RWN. Ingevolge deze bepaling wordt als 'vader' in de zin van de RWN aangemerkt: 'de man tot wie het kind, anders dan door adoptie, in de eerste graad in opgaande lijn in familierechtelijke betrekking staat'. Het toepasselijke recht op de familierechtelijke betrekking tussen [verzoeker] en [de dochter] moet worden bepaald aan de hand van art. 10:92 BW (voorheen art. 2 Wet conflictenrecht afstamming).(15) Of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde of gehuwd geweest zijnde man, wordt bepaald door het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en de man, of indien deze gemeenschappelijke nationaliteit ontbreekt, door het recht van de staat waar de vrouw en de man elk hun gewone verblijfplaats hebben. Ontbreekt ook deze gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, dan geldt het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind. In casu hebben [verzoeker] en [verweerster 1] geen gemeenschappelijke nationaliteit, zodat de conflictregel verwijst naar Nederlands recht als het recht van de staat van hun gewone verblijfplaats (dan wel, bij gebreke daarvan, naar Nederlands recht als de staat van de gewone verblijfplaats van het kind). Naar Nederlands recht geldt [verzoeker] als vader van [de dochter], omdat hij op het tijdstip van de geboorte van [de dochter] met de vrouw uit wie het kind geboren is, is gehuwd (art. 1:199 BW). Zijn huwelijk met [verweerster 1] is immers erkend en ingeschreven in een Nederlands register van de Burgerlijke Stand. Nu [verzoeker] de Nederlandse nationaliteit heeft en hij voor de toepassing van de RWN geldt als vader van [de dochter], bezit [de dochter] op grond van art. 3 lid 1 RWN de Nederlandse nationaliteit, zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld. [Verzoeker] stelt thans in cassatie dat hij niet de vader van [de dochter] is. Uit het bovenstaande volgt dat voor de toepassing van de RWN deze stelling dient te worden gepasseerd. De procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap is een andere procedure dan die tot ontkenning van vaderschap. Het middel faalt derhalve.

3.3 Voor zover het middel betoogt dat sprake is van schending van art. 6 EVRM en van art. 279 lid 1 Rv, faalt het eveneens. Zoals ik hierboven heb aangegeven, valt [verzoeker] niet als belanghebbende te beschouwen voor de toepassing van de vaststellingsprocedure van art. 17 RWN. Voor zover het middel nog een beroep doet op het procesreglement civiel jeugdrecht ziet het over het hoofd dat dit reglement niet van toepassing is op de procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap.(16) Van schending van art. 6 EVRM is geen sprake, omdat aan [verzoeker] geenszins het recht op toegang tot de rechter wordt ontzegd of beperkt waar het gaat om zijn burgerlijke rechten en verplichtingen. Daarop heeft de onderhavige procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap geen betrekking.

3.4 Het tweede middel voert kort gezegd aan dat de rechtbank ambtshalve had moeten onderzoeken of [verweerster 1] een machtiging van de kantonrechter had, omdat dit in art. 1:349 BW is voorgeschreven.

3.5 Op grond van art. 1:245 lid 4 BW heeft het ouderlijk gezag betrekking op de persoon van de minderjarige, het bewind over zijn vermogen en zijn vertegenwoordiging in burgerlijke handelingen, zowel in als buiten rechte. Vervolgens bepaalt art. 1:253i lid 1 BW dat de ouders met ouderlijk gezag gezamenlijk het kind in burgerlijke handelingen vertegenwoordigen, met dien verstande dat een ouder alleen hiertoe ook bevoegd is, mits niet van bezwaren van de andere ouder is gebleken. Een rechter behoeft zich niet ambtshalve ervan te vergewissen of de andere ouder bezwaren heeft.(17) Art. 1:253k BW verklaart art. 1:349 BW van overeenkomstige toepassing op het bewind van de ouders. Art. 1:349 BW bepaalt dat een voogd die zonder machtiging van de kantonrechter voor een minderjarige als eiser in rechte optreedt, niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dit vereiste geldt dus ook voor ouders in het kader van het bewind over het vermogen van de minderjarige. Nu de onderhavige zaak niet het vermogen van [de dochter] betreft, is een machtiging van de kantonrechter in de onderhavige procedure niet vereist. Het tweede middel faalt derhalve.

3.6 Het derde middel behoeft geen bespreking, omdat het voortbouwt op de eerste twee middelen.

3.7 Nu de middelen falen, dient het beroep te worden verworpen. Zoals hierboven aangegeven, meen ik echter dat verzoeker niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] als verzoeker tot cassatie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie rov. 2.1 tot en met 4.3 van de beschikking van de Rechtbank 's-Gravenhage van 19 mei 2011.

2 Bij gebreke van een afwijkende cassatietermijn in de RWN, geldt de algemene termijn van drie maanden van art. 426 lid 1 Rv (zie HR 11 juli 2008, LJN: BD2714, RvdW 2008/742 en HR 23 april 2010, LJN: BL6186, NJ 2010/243).

3 HR 4 maart 1988, LJN: AB8705, NJ 1989/628, m.nt. GRdG. Zie ook C.S. Poortman, Rechterlijke vaststelling van het bezit van de nationaliteit in Nederland en Duitsland, diss. Maastricht 1996, p. 88-89. Poortman (p. 85, noot 323) wijst erop dat naast de Staat der Nederlanden ook andere belanghebbenden denkbaar zijn en noemt in dat verband 'andere staten waarvan de nationaliteit (en het nationaliteitsrecht) mede in het geding kan zijn', zoals bijv. Suriname bij geschillen over de Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname.

4 Zie de in de vorige noot genoemde beschikking van 4 maart 1988.

5 Zie wetsvoorstel 16 947 (R 1181), bijlage bij MvT, nr. 3, p. 34-44, i.h.b. p. 44. Het advies is ook opgenomen in E.N. Frohn, E. Hennis (red.), Staatscommissie IPR, Geselecteerde Adviezen, Naar een afgewogen IPR, Den Haag 1995, p. 3-12.

6 Zie wetsvoorstel 16 497 (R 1181), bijlage bij MvT, nr. 3, p. 49.

7 Zie art. I onder I van de Rijkswet van 17 juni 2010 houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap met betrekking tot meervoudige nationaliteit en andere nationaliteitsrechtelijke kwesties (Stb. 2010, 212), inwerkingtreding 1 oktober 2010.

8 Wetsvoorstel 31 813, MvT, nr. 3, p. 8.

9 Van Mierlo 2010 (T&C Rv), art. 271 Rv, aant. 3; HR 25 oktober 1991, LJN: ZC0387, NJ 1992/149, m.nt. Ma; HR 6 juni 2003, LJN: AF9440, NJ 2003/486, m.nt. Ma; HR 10 november 2006, LJN: AY8290, NJ 2007/45, m.nt. Ma.

10 HR 6 juni 2003, LJN: AF9440, NJ 2003/486, m.nt. Ma; HR 10 november 2006, LJN: AY8290, NJ 2007/45, m.nt. Ma.

11 HR 10 september 1993, LJN: ZC1056, NJ 1993/777, m.nt. PAS.

12 Zie Nauta 2010 (T&C Rv), Boek 3, Titel 6, Inleidende opmerkingen, aant. 1.

13 Zie voor maatregelen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid art. 15 van het Haagse Kinderbeschermingsverdrag van 19 oktober 1996 (Trb. 1997, 299; inwerkingtreding voor Nederland op 1 mei 2011) en voor alimentatie art. 3 van het Haagse Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen van 23 november 2007 (PbEU 2009, L 331; voorlopige toepassing door de lidstaten van de Europese Unie vanaf 18 juni 2011).

14 Overigens merk ik op dat deze beschikking van 17 mei 2010 in het procesdossier ontbreekt.

15 De beide bepalingen zijn overigens volstrekt identiek. Zie nog art. 10:102 BW voor het overgangsrecht op grond waarvan de desbetreffende bepalingen inzake het afstammingsrecht van toepassing zijn op rechtsbetrekkingen die na 1 januari 2003 zijn vastgesteld of gewijzigd alsmede op de erkenning van na 1 januari 2003 buitenslands vastgestelde of gewijzigde rechtsbetrekkingen. In deze zaak is [de dochter] geboren op [geboortedatum] 2009.

16 Zie punt 1.1 in verbinding met Bijlage A van genoemd reglement.

17 HR 21 oktober 1988, NJ 1989/411, m.nt. EAAL met betrekking tot de voorloper van het huidige artikel dat nog toestemming van de andere ouder voorschreef.