Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9958

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
11/01629
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9958
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Echtscheiding. Alimentatie. Verzoek tot beëindiging op de voet van art. II WLA, althans tot nihilstelling of verlaging wegens wijziging van omstandigheden op de voet van art. 1:401 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/836
JWB 2012/296
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/01629

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 23 maart 2012

Conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Inleiding

1. Partijen (verder: de man en de vrouw) zijn gewezen echtgenoten. Hun huwelijk is in 1994 door echtscheiding ontbonden. Zij zijn 35 jaar gehuwd geweest. De man heeft verzocht primair zijn verplichting tot het betalen van alimentatie aan de vrouw te beëindigen op de voet van art. II Wet limitering alimentatie na scheiding (Wet van 28 april 1994, Stb. 1994, 325, verder: WLA) en subsidiair de alimentatie op de voet van art. 1:401 BW wegens wijziging van omstandigheden op nihil te stellen, althans te verlagen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd waarbij het primaire verzoek is afgewezen en de alimentatieverplichting van de man is verlengd met een voor verlenging vatbare termijn van vijftien jaar, en waarbij de hoogte van de door de man aan te vrouw te betalen alimentatie is verlaagd. In cassatie klaagt de man dat het hof de verzoeken van de man ten onrechte niet heeft beoordeeld aan de hand van alle relevante omstandigheden en dat 's hofs beschikking onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd.

2. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die door de rechtbank zijn vastgesteld en waartegen geen grieven zijn gericht. (Zie p. 1-2 van de tussenbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2009 alsmede p. 2 van de eindbeschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2002 onder "De vaststaande feiten". Zie voorts de beschikking van het hof onder "Procesverloop in eerste aanleg en vaststaande feiten".) Het gaat om het volgende:

i) Partijen zijn op 28 augustus 1958 in Voorburg gehuwd.

ii) Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 1993 is ten behoeve van de vrouw, bij wijze van voorlopige voorziening, een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 1.815,12 (ƒ 4.000,-).

iii) Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 29 juli 1993 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Op 24 maart 1994 is deze beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

iv) Bij de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat de man een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw, telkens bij vooruitbetaling, zal voldoen van € 2.042,01 (f 4.500,-) per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

v) Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 januari 2002 is, met wijziging in zoverre van de beschikking van 29 juli 1993, de aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 1 februari 2001 bepaald op € 1.939,91 per maand. De door de man ingevolge deze beschikking te betalen alimentatie bedraagt wegens indexering € 2.293,45 per maand.

3. Bij dit geding inleidend verzoekschrift van 18 december 2008 heeft de man verzocht zijn verplichting tot het betalen van een uitkering tot levensonderhoud ten behoeve van de vrouw op de voet van art. II WLA te beëindigen. Daartoe heeft de man aangevoerd dat hij reeds ruim vijftien jaar (aanvankelijk als voorlopige voorziening) een maandelijkse uitkering tot levensonderhoud heeft betaald en dat beëindiging niet van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Hij heeft in dat verband gesteld dat de behoefte van de vrouw lager is dan zij doet voorkomen, dat de vrouw vermogend is en inkomen uit haar vermogen kan genereren, dat zij AOW ontvangt en dat zij had kunnen anticiperen op een beëindiging van de alimentatie.

Ter zitting van de rechtbank heeft de man voorts nog subsidiair verzocht (aldus de rechtbank in haar eindbeschikking) de hoogte van de bijdrage te verlagen en de duur daarvan te limiteren. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zich een wijziging heeft voorgedaan in zijn financiële situatie waardoor zijn draagkracht is verminderd. Hij stelt dat zijn kosten met het bereiken van een hogere leeftijd zijn toegenomen. Voorts heeft hij aangevoerd dat zich een wijziging heeft voorgedaan aan de zijde van de vrouw nu zij een gedeelte van de haar in eigendom toebehorende bosgrond heeft verkocht.

4. De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft onder meer gesteld dat beëindiging van de alimentatie van zo ingrijpende aard is - gelet op de hoogte van de alimentatie en de verhouding waarin de alimentatie staat tot haar totale inkomen - dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd. Zij heeft betwist dat zij had kunnen anticiperen op een beëindiging nu zij de pensioengerechtigde leeftijd reeds is gepasseerd. Zij heeft bovendien betwist dat zij vermogend is zoals de man stelt en voorts dat haar vermogen in schril contrast staat met dat van de man. Voorts heeft zij erop gewezen dat zij geen recht heeft op een aandeel in het pensioen van de man. Zij heeft de rechtbank bij zelfstandig tegenverzoek verzocht een termijn vast te stellen van vijftien jaar. Zij heeft een behoefteberekening overgelegd waaruit volgt dat zij per saldo behoefte heeft aan een bruto partneralimentatie van € 5.936,- per maand.

5. Nadat de rechtbank Rotterdam bij tussenbeschikking van 20 juni 2009 de zaak heeft aangehouden in afwachting van door partijen nader over te leggen bescheiden, heeft de rechtbank bij (eind)beschikking van 9 november 2009 het primaire verzoek van de man tot beëindiging van de alimentatieverplichting afgewezen; zij heeft de termijn van de alimentatieverplichting van de man bepaald op vijftien jaar, welke termijn voor verlenging vatbaar is. De rechtbank heeft het subsidiaire verzoek in zoverre toegewezen dat zij de beschikking van 18 januari 2002 heeft gewijzigd in die zin dat de daarbij aan de man opgelegde uitkering tot levensonderhoud van de vrouw met ingang van 29 juni 2009 wordt bepaald op € 1.521,- per maand.

De rechtbank overwoog (nadat zij had vooropgesteld dat de in art. II WLA genoemde termijn van vijftien jaar is aangevangen op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en derhalve op 25 maart 2009 is verstreken) dat beëindiging van de alimentatieverplichting een inkomensachteruitgang van € 2.293,45 bruto per maand voor de vrouw betekent, waardoor sprake is van een ingrijpende terugval in het inkomen. Zij oordeelde dat deze inkomensachteruitgang gelet op de omstandigheden genoemd in art. II lid 2 WLA van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd, mede in aanmerking genomen de financiële positie waarin de man verkeert. Genoemde omstandigheden maakten dat de rechtbank aanleiding zag om een voor verlenging vatbare termijn van vijftien jaar vast te stellen.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek stelde de rechtbank voorop dat sprake is van een wijziging van omstandigheden nu de vrouw niet betwist dat zij bosgrond te gelde heeft gemaakt, en dat derhalve beoordeeld dient te worden of de te betalen alimentatie nog voldoet aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank is uitgegaan van de behoefte van de vrouw aan een uitkering tot levensonderhoud door de man zoals bepaald bij de echtscheidingsbeschikking van 29 juli 1993 (waarin is overwogen dat de daar vastgestelde alimentatie die meebrengt dat de man en de vrouw aldus nagenoeg dezelfde financiële ruimte hebben, redelijk en billijk wordt geacht) en vervolgens gewijzigd bij beschikking van 18 januari 2002 (naar aanleiding van een wijziging van omstandigheden daarin bestaande dat de vrouw wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd een AOW-uitkering ontving en inkomsten uit lijfrente terwijl zij een aantal inkomsten uit vermogen niet meer ontving). De rechtbank kwam tot de slotsom dat - uitgaande van de eerder vastgestelde alimentatie - de totale netto behoefte van de vrouw € 2.812,69 per maand bedraagt, die minus de huidige netto AOW-uitkering inclusief vakantiegeld, de lijfrente-uitkering, de rente uit vermogen en het forfait rendement dat de vrouw wordt geacht te kunnen genereren uit haar vermogen van € 197.638,- resulteert in een netto behoefte van € 1.017,45 per maand aan alimentatie en een bruto behoefte van € 1.521,-. De rechtbank kwam voorts tot de slotsom dat een door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw van genoemd bedrag van € 1.521,- in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

6. Het hof 's-Gravenhage heeft op het door de man ingestelde principale en het door de vrouw ingestelde incidentele appel, bij beschikking van 5 januari 2011 de eindbeschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof overwoog daartoe onder meer als volgt.

Met betrekking tot de door de man verzochte limitering stelde het hof in rov. 10 voorop dat door de man geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat een beëindiging van de alimentatie voor de vrouw ingrijpend zou zijn, zodat het hof hiervan uitgaat. Vervolgens overwoog het hof - onder verwijzing naar rov. 15 (hierna geciteerd) - dat het de vrouw niet valt te verwijten dat zij niet volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Daarop overwoog het hof dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de inkomensachteruitgang in geval van beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend is dat deze niet van de vrouw kan worden gevergd. Het hof overwoog daarbij rekening te houden met de duur van het huwelijk (35 jaar), de leeftijd van de vrouw (74 jaar), de omstandigheid dat de vrouw geen recht heeft op een aandeel in het pensioen van de man en het feit dat de vrouw de zorg had voor de huishouding en de kinderen van partijen en alleen werkzaamheden verrichtte in de huisartsenpraktijk van de man, hetgeen haar verdiencapaciteit negatief heeft beïnvloed. In rov. 11 overwoog het hof dat de rechtbank eveneens terecht en op goede gronden aanleiding heeft gezien om een termijn van vijftien jaar vast te stellen, welke termijn voor verlenging vatbaar is. Het hof kwam in rov. 12 tot de slotsom dat het voorgaande meebrengt dat het hof de bestreden beschikking voor wat betreft de verzochte beëindiging derhalve bekrachtigen.

Met betrekking tot de wijziging van de alimentatie stelde het hof in rov. 13 voorop dat partijen geen grief hebben gericht tegen de vaststelling van de rechtbank dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, zodat beoordeeld dient te worden of de door de man te betalen alimentatie nog voldoet aan de wettelijke maatstaven. Daarop overwoog het hof als volgt:

14. De man voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat aan de zijde van de vrouw rekening dient te worden gehouden met een netto rendement uit vermogen van € 412,92. De man meent dat er vanuit moet worden gegaan dat de vrouw een dusdanig rendement kan behalen dat zij volledig in haar eigen behoefte kan voorzien. Volgens de man heeft de vrouw gelogen over de hoogte van haar vermogen. De man stelt verder, zo begrijpt het hof, dat de vrouw niets heeft ondernomen om zelf in haar kosten te kunnen voorzien.

15. Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen, nu de man zijn - door de vrouw uitdrukkelijk betwiste - stellingen niet nader heeft onderbouwd en niet heeft gestaafd met bewijsstukken. De rechtbank heeft, rekening houdende met de daarover verschuldigde Box 3 belasting, een netto maandelijks rendement uit vermogen van € 412,92 vastgesteld, met welk bedrag de netto behoefte van de vrouw is verminderd. De rechtbank heeft hierbij betrokken de waarde van de grond die de vrouw nog in eigendom heeft. De enkele stelling van de man dat de vrouw gelogen heeft over de hoogte van haar vermogen, acht het hof niet voldoende om van een ander bedrag uit te gaan. Dit geldt evenzeer voor de stelling van de man, dat de vrouw niets heeft ondernomen om zelf in haar inkomen te kunnen voorzien. De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij haar best heeft gedaan om op enige wijze aan het werk te komen, doch dit is niet gelukt, mede gezien haar leeftijd en gezondheidsklachten. Voor zover de vrouw in incidenteel hoger beroep aanvoert dat haar vermogen op een lager bedrag dient te worden gesteld, en de man voorts aanvoert dat de vrouw inkomen had kunnen genereren dat aanmerkelijk hoger lag (de vrouw had bijvoorbeeld een bedrag in een lijfrentepolis kunnen storten), gaat het hof ook voorbij nu ook deze stellingen van beide partijen onvoldoende zijn onderbouwd, noch ter zitting zijn verduidelijkt.

Ook het betoog van de man dat de vrouw nog meer geld gaat ontvangen zodra de percelen grond een woonbestemming krijgen, waardoor de vrouw een lagere behoefte zal hebben, wordt gepasseerd, nu deze situatie zich nog niet heeft voorgedaan en het volstrekt onzeker is dat die situatie zich feitelijk zal voordoen."

In rov. 16 en 17 overwoog het hof met betrekking tot het betoog in het incidentele appel van de vrouw dat de partneralimentatie gelet op haar behoefte en de draagkracht van de man moet worden berekend op € 3.972,29 per maand, dat het gelet op de stukken en het besprokene ter terechtzitting van oordeel is dat de rechtbank de behoefte van de vrouw en haar aanvullende behoefte aan alimentatie op de juiste wijze heeft berekend, zodat ook het hof uitgaat van een aanvullende behoefte van de vrouw van bruto € 1.521,-.

In rov. 23 kwam het hof - nadat het was ingegaan op de draagkracht van de man - tot de slotsom dat de draagkracht van de man een alimentatie voor de vrouw toelaat van € 1.521,- per maand, welke alimentatie, gelet op de behoefte en andere inkomsten van de vrouw, in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven.

7. De man heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Gebruik makend van het voorbehoud in zijn cassatieverzoekschrift (onder 39) heeft de man naar aanleiding van het nadien toegestuurde proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn cassatieverzoekschrift aangevuld.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

De cassatiemiddelen

8. Het cassatieberoepschrift bevat twee middelen, beide aangevuld bij "aanvullend cassatieschrift naar aanleiding van het proces-verbaal van hoger beroep".

Middel 1: verzoek om limitering alimentatieplicht en tegenverzoek om vaststelling termijn

9. Middel 1 is gericht tegen 's hofs oordeel dat de bestreden beschikking van de rechtbank waarbij het verzoek om beëindiging van de alimentatieverplichting is afgewezen en de verplichting is verlengd met een (voor verlenging vatbare) termijn van 15 jaar, moet worden bekrachtigd.

Het middel gaat blijkens de daaraan voorafgaande inleiding ervan uit dat het hof zich bij zijn beoordeling van de vraag of de alimentatie gelimiteerd moet worden, in het geheel niet heeft uitgelaten over het door de man gedane beroep op het argument dat de vrouw een lijfrente had kunnen kopen om een inkomen uit haar vermogen te verkrijgen. Het grondt zijn klachten op deze vooronderstelling. Zo klaagt het middel naar de kern genomen dat het hof heeft miskend dat het bij de beoordeling van het verzoek om beëindiging van de alimentatieverplichting en de vaststelling van een termijn, alle relevante omstandigheden ten tijde van het limiteringsverzoek had moeten betrekken, waaronder ook de aan het verzoek tot wijziging van de alimentatie ten grondslag gelegde omstandigheden zoals de behoefte van de vrouw en de mate waarin de vrouw zich redelijkerwijs inkomsten heeft kunnen verschaffen respectievelijk heeft nagelaten zich inkomsten te verschaffen en of van de vrouw kan worden gevergd dat zij inteert op haar vermogen door bijvoorbeeld een lijfrente te kopen. Het middel klaagt dat 's hofs oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is nu het hof eerst in het kader van het verzoek tot vaststelling van de alimentatie wegens wijziging van omstandigheden nog een veelheid van omstandigheden gaat wegen, nadat het eerst had beslist op het verzoek tot limitering.

Voorts wordt geklaagd dat rov. 10 onbegrijpelijk is waar het hof overweegt dat de alimentatie thans € 3.000,- bruto per maand bedraagt. Dit, in het licht van het gegeven dat de alimentatie voorafgaande aan de verlaging door de rechtbank € 2.300,- beliep en door de rechtbank is vastgesteld op € 1.521,-, een beslissing die door het hof is gehandhaafd. Bij aanvullend cassatieverzoekschrift wordt geklaagd dat het hof niet is ingegaan op het verweer van de man dat de behoefte van de vrouw is gewijzigd in verband met haar verhuizing naar een serviceflat en de als gevolg daarvan aanzienlijke daling van haar woonlasten.

10. Zoals rechtbank en hof tot uitgangspunt hebben genomen, kan in gevallen als het onderhavige waarin de alimentatie vóór 1 juli 1994 door de rechter is toegekend (de zgn. 'oude gevallen'), de alimentatieverplichting op de voet van de overgangsbepaling van art. II WLA op verzoek van de alimentatieplichtige worden beëindigd ingeval de verplichting vijftien jaren heeft geduurd, tenzij beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Ter beantwoording van de vraag of deze uitzondering zich voordoet, moeten inderdaad, zoals de man betoogt, alle relevante omstandigheden in aanmerking worden genomen, zowel die aan de zijde van de alimentatiegerechtigde als die aan de zijde van de alimentatieplichtige, waaronder ook de financiële omstandigheden. Ingevolge art. II WLA moet in ieder geval rekening worden gehouden met de leeftijd van de alimentatiegerechtigde, de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren, de datum en duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de alimentatiegerechtigde heeft beïnvloed en de omstandigheid dat geen recht op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen bestaat. In de regel moet de situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert op het moment vóór de beëindiging worden vergeleken met de situatie waarin hij of zij als gevolg van de beëindiging zal komen te verkeren. Indien de rechter van oordeel is dat beëindiging voor de alimentatiegerechtigde naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, moet hij op verzoek van de alimentatiegerechtigde een termijn vaststellen. Zie Asser/De Boer I*, 2010, nr. 633c-633d, met verdere verwijzingen.

Het hof heeft een en ander niet miskend zoals blijkt uit de hiervoor samengevat weergegeven rov. 10 en 11 van zijn beschikking. Het middel mist feitelijke grondslag met zijn klacht dat het hof bij de beoordeling van het verzoek tot beëindiging van de alimentatieverplichting en de vaststelling van een termijn niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken, in het bijzonder de stellingen van de man dat de vrouw zich redelijkerwijs inkomsten heeft kunnen verschaffen respectievelijk dat heeft nagelaten, en dat van de vrouw kan worden gevergd dat zij inteert op haar vermogen door bijvoorbeeld een lijfrente te kopen. Het hof heeft immers - nadat het in rov. 9 expliciet had vermeld dat de man heeft aangevoerd dat de inkomensvermindering aan de vrouw zelf is te wijten - in rov. 10, waarin het overweegt dat de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat de inkomensachteruitgang in geval van beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend is dat die niet van de vrouw gevergd kan worden, expliciet verwezen naar zijn gemotiveerde oordeel in rov. 15 (hiervoor geciteerd) dat het de vrouw niet valt te verwijten dat zij niet volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dat de stelling van de man dat de vrouw inkomen had kunnen genereren dat aanmerkelijk hoger lag dan het door de rechtbank vastgestelde netto maandelijks rendement van € 412,92 bijvoorbeeld door een lijfrente te kopen, onvoldoende is onderbouwd en ook ter zitting niet is verduidelijkt.

Anders dan het middel betoogt, behoefde het hof bij de beoordeling van vraag of de beëindiging van de alimentatieverplichting van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd, niet in te gaan op de bij de mondelinge behandeling, in het kader van zijn subsidiaire verzoek tot vermindering van de alimentatie, door de man gestelde daling van de woonlasten van de vrouw.

11. De klacht dat onbegrijpelijk is 's hofs overweging in rov. 10 dat de alimentatie thans € 3.000,- bruto per maand bedraagt, faalt bij gebrek aan belang nu het hof dit bedrag uitsluitend heeft genoemd in het kader van zijn 'vooropstelling' dat geen grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de beëindiging van de alimentatie een ingrijpende terugval in inkomen betekent. Dat sprake is van een ingrijpende terugval gelet op de hoogte van de alimentatie wordt op zichzelf genomen immers - terecht - niet betwist. De man betwist slechts het oordeel dat deze inkomensachteruitgang van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Uit 's hofs beschikking blijkt dat het hof verder steeds is uitgegaan van de gegevens waarvan de rechtbank ook is uitgegaan, dat wil zeggen ook van het gegeven dat de door de man te betalen alimentatie waarvan de man limitering subsidiair wijziging verzoekt, € 2.293,45 bruto per maand bedroeg.

Middel 2: vaststelling alimentatie op grond van wijziging van omstandigheden

12. Middel 2 keert zich tegen 's hofs oordeel dat de rechtbank de behoefte van de vrouw en haar aanvullende behoefte aan alimentatie op de juiste wijze heeft berekend en dat derhalve moet worden uitgegaan van een aanvullende behoefte van de vrouw van bruto € 1.521,-.

Het middel klaagt ten eerste dat het hof heeft miskend dat een verzoek tot wijziging van alimentatie dient plaats te vinden aan de hand van alle ten tijde van de beoordeling van het verzoek bekende omstandigheden, waaronder ook de behoefte van de vrouw en de mate waarin zij zich redelijkerwijs inkomsten heeft kunnen verschaffen, respectievelijk dat heeft nagelaten, en dat het van de omstandigheden van het geval afhangt of van de alimentatiegerechtigde mag worden gevergd dat zij inteert op haar vermogen. Het middel klaagt voorts dat het hof althans zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd gelet op "de niet bestreden rechtsoverweging van Rechtbank en Hof in de inleiding van het vorige en van dit middel". Het middel doelt daarmee kennelijk op de vaststelling van de rechtbank dat de vrouw over een vermogen beschikt van € 197.638,-. Het middel klaagt dat in het bijzonder onbegrijpelijk is 's hofs oordeel in rov. 15 dat de man onvoldoende heeft gesteld ter onderbouwing van zijn beroep dat de vrouw inkomen had kunnen genereren door een bedrag in een lijfrentepolis te storten. In dat verband voert de man aan dat hij offertes van Ohra heeft bijgevoegd, toegespitst op de situatie van de vrouw.

In het aanvullende cassatieverzoekschrift wordt geklaagd dat het hof ten onrechte niet, althans onvoldoende, is ingegaan op de stelling van de man dat de behoefte van de vrouw verder is verlaagd doordat de vrouw goedkoper is gaan wonen nu zij is verhuisd naar een serviceflat.

13. De eerste klacht faalt. Dat blijkt reeds uit de hiervoor geciteerde rov. 15 waarin het hof het in de memorie van grieven vervatte betoog van de man dat ervan moet worden uitgegaan dat de vrouw een dusdanig rendement uit haar vermogen kan behalen dat zij volledig in haar eigen behoefte kan voorzien, dat de vrouw niet de waarheid heeft gesproken over de hoogte van haar vermogen en dat zij niets heeft ondernomen om zelf in haar inkomsten te voorzien terwijl dat wel van haar gevergd kon worden, heeft beoordeeld en vervolgens gemotiveerd heeft verworpen, in welk verband het hof ook is ingegaan op de stelling van de man dat de vrouw een inkomen had kunnen genereren dat aanzienlijk hoger lag doordat zij bijvoorbeeld een bedrag in een lijfrentepolis had kunnen storten. Het hof heeft geoordeeld dat de man zijn - door de vrouw uitdrukkelijk betwiste - stellingen niet nader heeft onderbouwd noch gestaafd met bewijsstukken en dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar best heeft gedaan om op enige wijze aan het werk te komen. Het hof heeft in dat verband nog overwogen dat de stelling van de man dat de vrouw inkomen had kunnen genereren dat aanmerkelijk hoger lag dan het door de rechtbank in aanmerking genomen forfait rendement uit vermogen door bijvoorbeeld een bedrag in een lijfrentepolis te storten, als onvoldoende onderbouwd en ook ter zitting niet verduidelijkt moet worden gepasseerd.

's Hofs oordeel is onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd. Dat geldt ook voor zijn oordeel met betrekking tot de stelling van de man dat de vrouw een aanmerkelijk hoger inkomen had kunnen genereren door een bedrag in een lijfrentepolis te storten. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. De man heeft bij brief van 12 augustus 2009 (die als productie 9 is overgelegd bij het appelschrift van de man) twee voorbeeld Lijfrentepolissen overgelegd, waaruit naar zijn oordeel blijkt dat de vrouw met haar vermogen inkomsten kan genereren en dit in het verleden ook heeft kunnen doen. Het betreft (productie 3 bij de brief) twee offertes van een Ohra Direct Ingaande Lijfrente, die de vrouw volgens de offerte per 1 mei 2009 bij een koopsom van € 38.200,- levenslang een maandelijkse uitkering van € 282,64 oplevert respectievelijk per 1 augustus 2009 bij een koopsom van € 135.000,- levenslang een maandelijkse uitkering van € 1.012,71. De vrouw heeft tegen de stellingen van de man aangevoerd (verweerschrift tevens incidenteel appel, nrs. 26-28) dat de door hem aangevraagde offertes met een rentepercentage van tussen de 9% en 10% volkomen arbitrair zijn, dat de rechtbank in haar becijferingen het gebruikelijke en realistische percentage van 4% heeft gehanteerd en dat niet valt in te zien waarom het door de rechtbank gehanteerde percentage niet correct is. Voor het overige heeft de vrouw betoogd dat de man zijn stellingen ter zake van haar vermogen en een daaruit te behalen rendement niet heeft onderbouwd. De offertes van de man zijn ter gelegenheid van de mondelinge behandeling blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting niet meer aan de orde gekomen. In het licht van dit alles is niet onbegrijpelijk 's hofs oordeel dat de stelling van de man dat de vrouw inkomen had kunnen genereren dat aanmerkelijk hoger lag dan het door de rechtbank in aanmerking genomen forfait rendement door bijvoorbeeld een bedrag in een lijfrentepolis te storten, moet worden gepasseerd als onvoldoende onderbouwd en ter zitting niet verduidelijkt nu de man niet is ingegaan op het verweer van de vrouw dat de door hem gepresenteerde offertes niet realistisch zijn en de man zijn stellingen ter zake niet nader heeft onderbouwd met bewijsstukken dan wel een toelichting op zijn offertes.

14. De klacht in het aanvullend cassatieverzoekschrift dat het hof ten onrechte niet, althans onvoldoende, is ingegaan op de ter zitting van het hof door de man geponeerde stelling dat de behoefte van de vrouw verder is verlaagd doordat de vrouw goedkoper is gaan wonen nu zij is verhuisd naar een serviceflat, faalt eveneens. Deze klacht gaat kennelijk ervan uit dat bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw is uitgegaan van het door het middel genoemde bedrag van € 717,42 per maand aan woonlasten, zodat een vermindering van de woonlasten (daargelaten of het door de man genoemde bedrag juist is) gevolgen kan hebben voor de berekening van de behoefte van de vrouw. Dat uitgangspunt mist evenwel feitelijke grondslag. Zoals hiervoor onder 5 aangegeven, is de rechtbank uitgegaan van de behoefte van de vrouw zoals bepaald bij de echtscheidingsbeschikking van 29 juli 1993 - waarin is overwogen dat de daar vastgestelde alimentatie die meebrengt dat de man en de vrouw aldus nagenoeg dezelfde financiële ruimte hebben, redelijk en billijk wordt geacht - en zoals vervolgens gewijzigd bij beschikking van 18 januari 2002 (naar aanleiding van een wijziging van omstandigheden daarin bestaande dat de vrouw wegens het bereiken van de 65-jarige leeftijd een AOW-uitkering ontving en inkomsten uit lijfrente terwijl zij een aantal inkomsten uit vermogen niet meer ontving). De rechtbank kwam tot de slotsom dat - uitgaande van de eerder vastgestelde alimentatie - de totale netto behoefte van de vrouw € 2.812,69 per maand bedraagt hetgeen resulteert in een netto behoefte van € 1.017,45 per maand aan alimentatie en een bruto behoefte van € 1.521,-. Het hof is daarvan in zijn bestreden beschikking ook uitgegaan (zie rov. 17). De aan de klacht ten grondslag liggende veronderstelling dat bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw een bepaald bedrag aan woonlasten in aanmerking is genomen, mist derhalve - zoals gezegd - feitelijke grondslag.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden