Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9868

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-06-2012
Datum publicatie
29-06-2012
Zaaknummer
11/01140
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2009:BQ2363
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ2364
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9868
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Ontbinding huurovereenkomst woonruimte wegens door huurder veroorzaakte overlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/926
JWB 2012/341
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknummer: 11/01140

mr. Wuisman

Roldatum: 9 maart 2012

CONCLUSIE inzake:

[Eiser],

eiser tot cassatie,

advocaat: mr. H.J.W. Alt,

tegen

Stichting Wonen West Brabant,

verweerster in cassatie,

niet verschenen.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan:((1))

(i) Tussen Stichting Wonen West Brabant (hierna: de Stichting) als verhuurster en eiser tot cassatie (hierna: [eiser]) als huurder is een huurovereenkomst gesloten, ingaande op 16 september 1986 en betrekking hebbend op een woning, gelegen aan de [a-straat 1] te [plaats] (hierna: de woning).((2))

(ii) De woning betreft een appartement op de derde verdieping van een flatgebouw.

1.2 Bij dagvaarding van 5 februari 2008 start de Stichting een procedure tegen [eiser] bij de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Bergen op Zoom. De Stichting vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Aan haar vorderingen heeft zij ten grondslag gelegd dat [eiser] overlast veroorzaakt aan omwonenden door agressief en intimiderend gedrag en zich onbehoorlijk gedraagt jegens medewerkers van de Stichting. [Eiser] verweert zich tegen de vorderingen van de Stichting. Een belangrijk verweer is dat [eiser] zelf in 2004 en in 2008 is mishandeld en dat de Stichting geen stappen heeft ondernomen jegens degenen die hem hebben mishandeld. Ook op andere klachten heeft de Stichting niet adequaat gereageerd. In reconventie vordert [eiser] veroordeling van de Stichting tot het uitvoeren van een aantal werkzaamheden aan de woning.

1.3 Bij eindvonnis d.d. 4 maart 2009 heeft de kantonrechter de vorderingen van de Stichting toegewezen en het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De kantonrechter heeft de vordering van [eiser] afgewezen.

1.4 Bij vonnis in kort geding van 23 april 2009 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiser] om de Stichting te verbieden het vonnis waarvan beroep ten uitvoer te leggen, althans de executie van dit vonnis te schorsen, totdat in hoger beroep is beslist, afgewezen. Vervolgens heeft de ontruiming van de woning plaatsgevonden op 28 april 2009.

1.5 [Eiser] komt bij exploot van 12 maart 2009 van het eindvonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, in hoger beroep bij het hof te 's-Hertogenbosch. In de appeldagvaarding voert [eiser] tien grieven aan. In een incidenteel arrest d.d. 21 juli 2009 wijst het hof de vordering van [eiser] tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis af en een vordering van de Stichting tot het alsnog uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling in reconventie toe. Bij akte houdende vermeerdering van eis wijzigt [eiser] zijn reconventionele vordering zoals deze door hem in eerste aanleg was ingesteld, in die zin dat hij vordert dat hem opnieuw de woning, althans een vervangende woning, ter beschikking wordt gesteld. In het eindarrest van 31 augustus 2010 wijst het hof de gewijzigde eis van [eiser] af en bekrachtigt het hof het bestreden vonnis van de kantonrechter. Het hof heeft daartoe, kort samengevat en voor zover in cassatie nog van belang, het volgende overwogen:

- De Stichting stelt zich op het standpunt dat [eiser] zich de afgelopen jaren met regelmaat schuldig heeft gemaakt aan agressief en intimiderend gedrag jegens omwonenden (belediging en bedreiging van [betrokkene 1], bedreiging en mishandeling van [betrokkene 2], bedreiging, belediging en mishandeling van [betrokkene 3] en intimiderend gedrag jegens [betrokkene 4]) en medewerkers van de Stichting, met name jegens [betrokkene 5] en [betrokkene 6], laatstgenoemde is op het kantoor van de Stichting beledigd en bedreigd waarbij de politie moest ingrijpen (rov. 8.4).

- Voormelde incidenten hebben plaatsgevonden in de jaren 2006, 2007 en 2008. De Stichting heeft de incidenten onderbouwd met schriftelijke verklaringen en processen-verbaal van aangifte bij de politie. [Eiser] is strafrechtelijk veroordeeld voor belediging en bedreiging van [betrokkene 1]. De gevolgen van mishandeling van [betrokkene 3] (gebroken gebit en zwellingen) zijn door de betreffende verbalisant waargenomen en in het proces-verbaal van aangifte vastgelegd. [Eiser] heeft de voormelde incidenten slechts in algemene termen betwist. De mishandeling van [betrokkene 2] op 13 maart 2009 is in het geheel niet weersproken. In het licht van de gedetailleerde gegevens en verklaringen van de voornoemde incidenten, acht het hof de betwisting door [eiser] ontoereikend, zodat het hof uitgaat van de juistheid van de gestelde incidenten (rov. 8.5).

- Ter rechtvaardiging van zijn handelen voert [eiser] aan dat hij zelf in 2004 door omwonenden is mishandeld. Een zekere [betrokkene 7] zou voor die mishandeling strafrechtelijk veroordeeld zijn. Ook in 2008 zou hij mishandeld en bedreigd zijn door een onbekend gebleven persoon, in het bijzijn van [betrokkene 3]. Hiervan heeft [eiser] aangifte gedaan bij de politie. De Stichting heeft geen stappen ondernomen jegens degenen die hem mishandeld hebben. Dit verwijt geldt ook voor andere klachten die hij de afgelopen jaren bij de Stichting heeft ingediend, onder meer over rommel in de woonomgeving, illegale bewoning en een illegale satellietschotel. De Stichting stelt dat zij wel degelijk adequaat heeft gereageerd op de klachten van [eiser]. Zij heeft correspondentie overgelegd om dit te onderbouwen (rov. 8.6).

- De omstandigheid dat [eiser] zelf ook overlast heeft ondervonden en klachten heeft geuit waarop in zijn ogen ontoereikend door de Stichting zou zijn gereageerd, kan geen rechtvaardiging vormen voor zijn wangedrag (zoals onder rov. 8.4 is weergegeven). Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de Stichting bij de afhandeling van de klachten van [eiser] niet haar eigen klachtenregeling zou hebben nageleefd, zoals [eiser] stelt en de Stichting betwist. In het licht van het voorgaande is er geen aanleiding om het aanbod van [eiser] te honoreren om zijn hier bedoelde stellingen door middel van getuigen te bewijzen (rov. 8.7).

- Ook overigens is er naar het oordeel van het hof geen grond om het in algemene termen gestelde bewijsaanbod van [eiser] om zijn stellingen door middel van getuigen te bewijzen, te honoreren (rov. 8.8).

- Het wangedrag van [eiser] jegens omwonenden en medewerkers van de Stichting is zodanig ernstig, dat de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen gerechtvaardigd is. Hierbij weegt het hof mee dat de problemen zich over een periode van jaren hebben voorgedaan en dat de Stichting aannemelijk heeft gemaakt dat zij adequate pogingen heeft gedaan om in overleg met [eiser] tot een oplossing te komen, onder meer door het aanbieden van een vervangende woning, maar dat die pogingen vruchteloos zijn geweest door gebrek aan medewerking aan de zijde van [eiser]. Zo heeft hij bij gelegenheid van het pleidooi bij het hof erkend dat hij een hem aangeboden vervangende woning heeft geweigerd (rov. 8.9).

1.6 Van het arrest van 31 augustus 2010 is [eiser] op 30 november 2010, derhalve tijdig, in cassatie gekomen. [Eiser] heeft, na verstekverlening tegen de niet verschenen Stichting, zijn standpunt in cassatie nog door zijn advocaat schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Na een weergave van de kern van de zaak volgen in het voorgedragen cassatiemiddel klachten verdeeld over vier onderdelen, genummerd 2.1, 2.2, 2.3 en 2.4. De eerste drie onderdelen kennen ieder subonderdelen.

onderdeel 2.2

2.2 Onderdeel 2.2 bevat klachten tegen rov. 8.5, aan het slot waarvan het hof besluit uit te gaan van de juistheid van de in rov. 8.4 vermelde incidenten, bestaande uit agressief en intimiderend gedrag jegens omwonenden en jegens medewerkers van de Stichting. Deze klachten zijn van de verste strekking en komen om die reden als eerste voor bespreking in aanmerking.

2.3 Het hof acht de stellingen van de Stichting inzake de incidenten onvoldoende gemotiveerd bestreden. Artikel 149, lid 1, tweede volzin brengt mee dat onvoldoende gemotiveerd bestreden stellingen voor juist worden gehouden.

2.4 In subonderdeel 2.2.1 wordt niet en met name niet met verwijzingen naar stellingen in processtukken van de zijde van [eiser] aangetoond dat het hof, gelet op het van de zijde [eiser] gestelde, in redelijkheid niet heeft kunnen oordelen dat er sprake van een onvoldoende gemotiveerd bestrijden van de onderbouwde stellingen van de Stichting aangaande de incidenten.

In subonderdeel 2.2.3 wordt verwezen naar een door [eiser] in het geding gebrachte brief van 15 november 2006 en naar drie door hem in het geding gebrachte sepot beslissingen. Deze stukken hebben echter geen betrekking op de incidenten waarvan het hof uitgaat, het tegengestelde valt in ieder geval niet uit die stukken af te leiden. Deze stukken missen dan ook betekenis voor de vraag of [eiser] de door het hof voorjuist gehouden stellingen van de Stichting wel genoegzaam heeft bestreden.

Het beroep op de toelichting van [eiser] tijdens het pleidooi bij het hof, waaraan aan het slot van subonderdeel 2.2.3 wordt gerefereerd, kan niet baten, nu het proces-verbaal geen deel is gaan uitmaken van het in cassatie overgelegde dossier.

In subonderdeel 2.2.4 wordt uit het oog verloren dat het hof ook uitgaat van aangiftes van [betrokkene 2] tegen [eiser] in 2008 en 2009 wegens mishandeling. Dat [eiser] hiertegen duidelijk stelling heeft genomen, wordt niet aangetoond. Bij die stand van zaken legt de in subonderdeel 2.2.4 geciteerde passage, die op een eerder incident uit 2007 betrekking heeft, niet meer echt gewicht in de schaal. Bovendien, voor zover het incident uit 2007 uit een belediging heeft bestaan, vindt dat met de passage geen bestrijding.

Kortom, de klachten in de subonderdelen 2.2.1, 2.2.3 en 2.2.4 ter bestrijding van het oordeel van het hof dat de stellingen van de Stichting inzake de door [eiser] veroorzaakte incidenten door laatstgenoemde niet voldoende gemotiveerd zijn bestreden en dus deze stellingen voor juist zijn te houden, treffen geen doel.

2.5 Het gegeven dat onvoldoende gemotiveerd bestreden stellingen voor juist moeten worden gehouden, houdt in dat bewijs van en tegen die stellingen niet mogelijk is. De klacht in subonderdeel 2.2.1 over het niet toelaten van [eiser] tot het leveren van tegenbewijs stuit hierop af.

2.6 In subonderdeel 2.2.2 wordt miskend dat het hof in rov. 8.7 het bewijsaanbod van [eiser] passeert met betrekking tot stellingen van hem inzake het tekortschieten van de Stichting bij het nemen van maatregelen naar aanleiding van door hem gestelde mishandelingen van anderen en door hem bij de Stichting geuite klachten. Anders gezegd, het passeren in rov. 8.7 van het bewijsaanbod van [eiser] heeft niet van doen met het wel of niet voldoende gemotiveerd betwist zijn door [eiser] van stellingen van de Stichting aangaande de door [eiser] veroorzaakte incidenten. Hierop loopt de klacht in subonderdeel 2.2.2 over het niet toelaten van [eiser] tot (tegen)bewijs vast.

onderdeel 2.1

2.7 De kernklacht van onderdeel 2.1 bestaat hieruit dat het hof heeft miskend dat een tekortschieten van de Stichting als verhuurder vanaf 9 oktober 2004 - de datum waarop [eiser] door medehuurders is mishandeld - met name door niet, althans volstrekt onvoldoende, op te treden tegen wangedrag van medehuurders jegens hem eraan in de weg staat dat de huurovereenkomst met [eiser] kan worden ontbonden wegens een tekortschieten van hem jegens de Stichting door wangedrag tegen medehuurders aan de dag te leggen. Blijkens de toelichting op dit onderdeel wordt voor dit standpunt steun gezocht in artikel 6:266 lid 1 BW, waar is bepaald: "Geen ontbinding kan worden gegrond op een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis ten aanzien waarvan de schuldeiser zelf in verzuim is."

2.8 Voor zover ervan wordt uitgegaan - zie met name subonderdeel 2.1.2 - dat het hof aan de door [eiser] gestelde wanprestatie van de Stichting is voorbijgegaan, mist de kernklacht feitelijke grondslag. In rov. 8.7 neemt het hof in aanmerking, dat in de ogen van [eiser] de Stichting niet toereikend op klachten heeft gereageerd en haar eigen klachtenregeling niet zou hebben nageleefd. In rov. 8.9 oordeelt het hof dat de Stichting ten aanzien van de problemen, die zich over de jaren heen hebben voorgedaan, aannemelijk heeft gemaakt dat zij adequate pogingen heeft gedaan om in overleg met [eiser] tot een oplossing te komen, onder meer door het aanbieden van een vervangende woning, maar dat die pogingen vruchteloos zijn geweest door gebrek aan medewerking aan de zijde van [eiser]. In zowel rov. 8.7 als rov. 8.9 staat het hof dus stil bij de door [eiser] gestelde wanprestatie van de Stichting.

2.9 Hetgeen het hof in rov. 8.7 en in aansluiting daarop in rov. 8.9, eerste volzin, overweegt, komt hierop neer dat noch de door [eiser] zelf ervaren overlast noch het in de ogen van [eiser] niet toereikend gereageerd zijn door de Stichting op klachten van [eiser] en door haar niet nageleefd zijn van de eigen klachtenregeling het in rov. 8.4 omschreven wangedrag kunnen rechtvaardigen. Het wangedrag is van zo ernstige aard dat zelfs bij het door [eiser] gestelde tekortschieten van de Stichting jegens [eiser], hij zich ook tegenover de Stichting niet aan het in rov. 8.4 omschreven wangedrag schuldig had mogen maken en derhalve de Stichting gerechtigd bleef om ontbinding van de huurovereenkomst te vorderen. Tot dit laatste was de Stichting, zo oordeelt het hof in rov. 8.9 tweede en derde volzin, te meer bevoegd, omdat zij aannemelijk heeft gemaakt adequate pogingen te hebben ondernomen om in overleg met [eiser] tot een oplossing te komen, onder meer door een vervangende woning aan te bieden, maar dat de pogingen vruchteloos zijn gebleven door een gebrek aan medewerking van [eiser].

2.10 Anders dan met name in de subonderdelen 2.1.1, 2.1.2 en 2.1.3 wordt aangevoerd, geeft het hof met het zojuist genoemde oordeel in rov. 8.7 geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dat oordeel ook niet in motivering tekort schiet. Artikel 6:266 BW ziet op verzuim aan de zijde van de schuldeiser waarin voor de schuldenaar een rechtvaardiging voor het zijnerzijds niet nakomen van een verplichting jegens de schuldeiser is gelegen. Van een dergelijk verzuim van de schuldeiser kan in twee situaties sprake zijn; 1) de schuldeiser verleent niet de medewerking die de schuldenaar nodig heeft om zijn verplichting jegens de schuldeiser te kunnen nakomen (artikel 6:58 BW); 2) de schuldeiser komt zijnerzijds een verplichting jegens de schuldenaar niet na waaraan laatstgenoemde de bevoegdheid kan ontlenen om een verbintenis jegens de schuldeiser op te schorten (artikel 6:59 BW).((3)) Van de ene noch de andere situatie is in casu sprake. Voor het zich op gepaste wijze tegen medehuurders gedragen had [eiser] de medewerking van de Stichting niet nodig. En aan het tekortschieten van de Stichting jegens [eiser] als door hem gesteld heeft [eiser] niet een grond kunnen ontlenen om zijn - ook tegenover de Stichting geldende - verplichting om zich tegenover medehuurders op passende wijze te gedragen op te schorten. Er bestaat tussen genoemde verplichtingen van de Stichting en [eiser] niet een zodanig verband dat het nakomen van de ene verplichting het nakomen van de andere billijk doet zijn of omgekeerd dat, indien de ene verplichting niet wordt nagekomen, het niet langer billijk is om nakoming van de andere verplichting te verlangen. Dit laatste doet in casu te meer opgeld, omdat het wangedrag waaraan [eiser] zich jegens de medehuurders schuldig heeft gemaakt in tijdsduur, omvang en ernst excessief is te achten.

2.11 Omdat [eiser] voor zijn in rov. 8.4 omschreven wangedrag geen rechtvaardiging heeft kunnen vinden in het tekortschieten van de Stichting, heeft het hof in rov. 8.7 kunnen besluiten om [eiser] niet toe te laten tot het leveren van bewijs van zijn stellingen inzake het tekortschieten van de Stichting. Dat bewijs zou niet tot een andere beslissing leiden en was daarmee niet terzake doende. De klacht in subonderdeel 2.1.3 over het ten onrechte passeren van bewijsaanbiedingen van [eiser] of het hem geen bewijs laten leveren strandt hierop.

2.12 Bij gebreke van een rechtvaardiging daarvoor heeft het hof in rov. 8.9 kunnen oordelen dat het wangedrag van [eiser] de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking kunnen nemen dat de Stichting adequate pogingen heeft gedaan om in overleg met [eiser] tot een oplossing te komen, onder meer door het aanbieden aan [eiser] van een vervangende woning, en dat de pogingen vruchteloos zijn geweest door gebrek aan medewerking aan de zijde van [eiser]. Dit heeft het hof op basis van de stellingen van de Stichting en de onderbouwing, die de Stichting voor haar desbetreffende stellingen heeft gegeven((4)), aannemelijk kunnen achten. Daaraan staat niet in de weg, zoals in subonderdeel 2.1.3 wordt betoogd, dat gesteld noch gebleken is dat de Stichting actief de door de omwonenden aan [eiser] toegedane overlast heeft aangepakt en dat niet met voorrang door de Stichting naar een andere woning is gezocht.((5)) Desalniettemin kan er sprake zijn van adequate pogingen aan de kant van de Stichting om in overleg met [eiser] tot een oplossing te komen.

onderdeel 2.3

2.13 Onderdeel 2.3 bevat klachten waarmee geen andere aspecten en vraagpunten aan de orde gesteld worden dan reeds aan de orde komen in de hiervoor besproken onderdelen 2.1 en 2.2. Onderdeel 2.3 deelt daarmee het lot van deze onderdelen.

onderdeel 2.4

2.14 In onderdeel 2.4 wordt volstaan met een teruggrijpen op de voorafgaande onderdelen. Het onderdeel mist daardoor zelfstandige betekenis naast de drie andere onderdelen en kan hier verder onbesproken blijven.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Ontleend aan rov. 8.1 van het eindarrest van het hof 's-Hertogenbosch d.d. 31 augustus 2010.

2. De huurovereenkomst is in eerste aanleg als productie 1 bij de inleidende dagvaarding in het geding gebracht.

3. Zie over het verzuim van de schuldeiser nader: Asser/Hartkamp & Sieburg, 6-III*, 2010, nrs. 686 jo. 712 - 714 en Asser/Hartkamp & Sieburgh, 6-I*, 2012, nr. 305; F.B. Bakels, Ontbinding van overeenkomsten, Mon. BW B58, 2011, nr. 54.

4. Zie de inleidende dagvaarding, sub 14 en 16; conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, sub 13 jo. de daargenoemde producties bij de conclusie van antwoord en 17; conclusie van dupliek in reconventie tevens akte overlegging producties, sub 2, 4, en 14; memorie van antwoord in appel, sub 30 t/m 41, vooral, sub 34, 35 en 40.

5. Waaruit de gehoudenheid van de Stichting daartoe zou voortvloeien wordt overigens niet aangegeven. Zie in dit verband ook productie 18 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg, zijnde een brief van 26 oktober 2005 van de Stichting aan de raadsman van [eiser] over het aanbod aan [eiser] van een andere woning.