Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9773

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
11/05602
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9773
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. WSNP. Tussentijdse beëindiging; art. 350 lid 3, onder c, F.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/587

Conclusie

11/05602

Mr. L. Timmerman

Parket: 22 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

iverzoeker tot cassatie

1. [Verzoeker] is op 22 december 2009 gelijktijdig met zijn echtgenote [betrokkene 1] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank Utrecht heeft bij vonnis van 14 november 2011 ten aanzien van [verzoeker] de wettelijke schuldsaneringsregeling tussentijds beëindigd op de grond dat hij niet zou hebben voldaan aan de op hem rustende schuldsaneringsverplichtingen. Hij zou niet hebben voldaan aan de voorwaarden waaronder hem tot 1 januari 2011 ontheffing voor de sollicitatieplicht was verleend en na 1 januari 2011 zou hij geen sollicitatiebewijzen hebben overgelegd, terwijl hij per die datum weer een volledige sollicitatieplicht had. Het hof Arnhem heeft bij arrest van 19 december 2011 het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. [Verzoeker] is hiervan tijdig in cassatie gekomen.(1)

2. In cassatie worden vier klachten tegen het oordeel van het hof ingebracht. Onderdeel 1 betoogt, als ik het goed zie, dat het hof in rov. 3.3 ter zake van de voorwaarden waaronder [verzoeker] tot 1 januari 2011 ontheffing voor zijn sollicitatieplicht was verleend, ten onrechte is uitgegaan van een resultaatsverplichting. [Verzoeker] was vrijgesteld van zijn sollicitatieplicht onder de voorwaarde dat hij concrete stappen zou nemen "ter sociale activering" en psychiatrische hulpverlening zou opstarten. In rov. 3.3 heeft het hof geconstateerd dat [verzoeker] aan beide voorwaarden niet heeft voldaan. Dat oordeel wordt op zich niet betwist. Aangevoerd wordt slechts dat het hof hier is uitgegaan van een resultaatsverbintenis, terwijl het zou gaan om een inspanningsverbintenis. De klacht faalt omdat, voor zover het hof al van het verkeerde type verbintenis (resultaatsverbintenis) zou zijn uitgegaan, [verzoeker] ook aan het door het onderdeel voorgestane type verbintenis (inspanningsverbintenis) in het licht van 's hofs voornoemde overweging niet zou hebben voldaan. Het onderdeel lijkt te miskennen dat ook een inspanningsplicht veronachtzaamd kan worden, namelijk wanneer van geen enkele dan wel onvoldoende inspanning blijk wordt gegeven. Dat is volgens het hof hier aan de hand. Blijkens de weergave van hetgeen het hof is gebleken in rov. 3.1 (vijfde tekstblok, derde regel), heeft het hof overigens ook onderkend dat op [verzoeker] een inspanningsplicht rustte. Dat mag niet verbazen, nu het nemen van stappen ter sociale activering en het opstarten van psychiatrische hulpverlening op zichzelf genomen reeds onvoldoende concrete doelen zijn om van een "resultaatsverplichting" te kunnen spreken.(2) Overigens heeft het hof de tussentijdse beëindiging, als ik het goed zie, niet gebaseerd op de schending van de voorwaarden die waren verbonden aan de tot 1 januari 2011 geldende ontheffing van de sollicitatieplicht, maar op de schending van de sollicitatieplicht na die datum. In zoverre zie ik niet, althans niet zonder meer in welk belang gemoeid is met de in dit onderdeel vervatte klacht.

3. Onderdeel 2 voert naar de kern genomen aan, althans zo begrijp ik de klacht, dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] met het in maart 2011 bij de rechter-commissaris gedane verzoek tot ontheffing van de sollicitatieplicht, zou hebben voldaan aan zijn verplichting om (na de brief van 26 juli 2010) de bewindvoerder inlichtingen te verstrekken aangaande de "ter sociale activering" genomen concrete stappen en gestarte psychiatrische hulpverlening.'s Hofs oordeel dat [verzoeker] niet aan voornoemde verplichting heeft voldaan, ook niet met het verzoek tot ontheffing van de sollicitatieverplichting, is onjuist noch onbegrijpelijk. Hetgeen het onderdeel in dit verband aanvoert met betrekking tot het verzoek, noopt in elk geval geenszins tot een ander oordeel, integendeel, onderstreept de juistheid van 's hofs oordeel veeleer. Het onderdeel faalt dan ook.

4. Onderdeel 3 keert zich tegen het oordeel van het hof dat voor zover [verzoeker] stelt dat hij gezien het rapport van 29 januari 2010 van A-REA als volledig arbeidsongeschikt zou moeten worden aangemerkt, deze stelling geen steun vindt in het een half jaar later uitgebrachte rapport van de GGD en dat zij verder ook niet door [verzoeker] met medische stukken is onderbouwd of anderszins aannemelijk is gemaakt. Volgens het onderdeel kan deze redenering niet de conclusie dragen die het hof eraan verbindt. Voor zover bedoeld wordt dat deze redenering niet het oordeel van het hof kan dragen dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij per 1 januari 2011 arbeidsongeschikt was (en dat daarom vanaf die datum onverkort weer de sollicitatieverplichting op hem rustte), meen ik dat 's hofs oordeel onjuist noch onbegrijpelijk is. Het A-REA rapport is blijkens de brief van de RSG(3) niet aan te merken als een "gedegen arbeidskundig oordeel" en daarom is [verzoeker] ook slechts een tijdelijke vrijstelling verleend in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB). De in het onderdeel betrokken althans gelegen stelling dat [verzoeker] op basis van het A-REA rapport en/of op grond van de daarop gebaseerde vrijstelling in het kader van de WWB moet worden aangemerkt als volledig arbeidsongeschikt, snijdt in het licht van voornoemde brief van de RSG geen hout. Waar het onderdeel aanvoert dat uit het GGD-rapport niet blijkt [verzoeker] "onvoorwaardelijk arbeidsgeschikt is te achten", gaat het onderdeel voorbij aan het oordeel van het hof. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat [verzoeker] "onvoorwaardelijk arbeidsgeschikt is te achten", maar dat [verzoeker] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij als (volledig) arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt.

5. Onderdeel 4, dat betoogt dat de WWB zou primeren boven de Wsnp, gaat niet alleen uit van een onjuiste lezing van 's hofs arrest, maar ook van een onjuiste rechtsopvatting. De WWB en Wsnp kennen voor toekenning van een uitkering respectievelijk de verlening van een schone lei eigen voorwaarden. Niet gezegd kan worden dat de ene wet boven en andere staat. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het enkele feit dat een schuldenaar in het kader van de WWB is vrijgesteld van bepaalde verplichtingen, niet zonder meer betekent dat die vrijstelling ook geldt in het kader van de Wsnp.

6. Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Het verzoekschrift is per fax en per post ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 22 december 2011, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.

2 Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse taal definieert "resultaatsverplichting" als "een verplichting om een vooraf vrij nauwkeurig omschreven resultaat te bereiken".

3 Zie prod. 6 bij de brief van Mr Van Ewijk aan het hof Arnhem van 8 december 2011.