Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9339

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
10/01862
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2010:BM2948
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9339
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/01862

Mr. Knigge

Zitting: 14 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij arrest van 7 april 2010 verdachte wegens "zaak A onder 1 primair: medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd" en "zaak A onder 2 primair en zaak B onder 3 primair, telkens: medeplegen van oplichting" veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.(1)

3. Namens verdachte heeft mr. M.L.M. van der Voet, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel

4.1. Het middel klaagt ten aanzien van het in zaak A onder 2 primair bewezenverklaarde dat de bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet kunnen dragen, althans dat het Hof een uitdrukkelijk voorgedragen en onderbouwd verweer dienaangaande ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen.

4.2. Ten laste van de verdachte is in zaak A bewezenverklaard dat:

"1.

hij in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 in Nederland, meermalen telkens tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

uitzendbedrijven, te weten

[A] B.V en

[B] B.V. en

[C] B.V. en

[D] B.V. en

[E] B.V. en

[F] BV. en

[G] B.V.,

hebben bewogen tot de afgifte van geld, hebbende verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders, toen aldaar telkens met vorenomschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- [betrokkene 1] benaderd en [H] doen/laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel en [betrokkene 1] een bankrekening doen/laten openen, en

- de valse naam [betrokkene 2] aangenomen, en vervolgens,

- die uitzendbedrijven benaderd of doen/laten benaderen om voor/namens die eenmansbedrijven [I] en/of [H] de loonadministratie en salarisuitbetaling te doen en daartoe ook zodanige contracten afgesloten met die bedrijven, en vervolgens

- bij die uitzendbedrijven zichzelf en anderen, te weten [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [medeverdachte] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] en [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en [betrokkene 9], als werknemer van die eenmanszaken aangemeld en ingeschreven of doen laten inschrijven, en vervolgens

- die personen niet ingevulde declaratieformulieren en werkbriefjes van die uitzendbedrijven doen/laten ondertekenen, en

- op die declaratieformulieren en werkbriefjes met betrekking tot die zogenaamde werknemers voor de opdrachtgevers [I] en/of [H] zogenaamd gewerkte uren en/of reiskosten ingevuld of doen laten invullen en/of die declaratieformulieren en/of werkbriefjes heeft ondertekend of doen/laten ondertekenen met een valse handtekening namens die opdrachtgevers en/of zonodig van een valse handtekening namens een of meer van die werknemers voorzien, en vervolgens

- die declaratieformulieren en werkbriefjes ingeleverd of doen/laten inleveren bij die uitzendbedrijven ter uitbetaling van dat salaris en/of die reiskostenvergoedingen, waardoor die bedrijven telkens werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;

2.

hij in de periode van 17 juni 2006 tot en met 19 juni 2006 te Groningen, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, het restaurant [J] heeft bewogen tot de afgifte van etenswaren en drinkwaren, hebbende verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededaders, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven -valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid de valse naam [betrokkene 2] aangenomen en een reservering gemaakt namens het bedrijf [H] en een visitekaartje met de naam [betrokkene 2] van [H] overhandigd en zich gepresenteerd als bona fide gasten van dat restaurant, waardoor dat restaurant werd bewogen tot bovenomschreven afgifte"

4.3. De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep ten aanzien van het in zaak A onder 2 tenlastegelegde het volgende aangevoerd:

"Ter zake van dit feit ga ik uw Hof verzoeken om vrijspraak zowel voor de primaire als de subsidiaire variant.

Duidelijk wordt uit de aangifte (pag. 361 dossier) dat [betrokkene 2] alias [betrokkene 3] namens [H] een reservering heeft gemaakt voor 8 personen bij de [J] in Groningen. Voorts is er door o.a. cliënt en [betrokkene 3] daar gegeten op rekening van [H]. Na afloop van die maaltijd werd de rekening door [betrokkene 2] alias [betrokkene 3] ondertekend. Daarbij werd er gevraagd om een kopie van een paspoort. Voorts heeft cliënt, die er alleen maar bij stond, zijn paspoort gegeven en is daarvan een kopie gemaakt.

In dat kader acht de verdediging ook de verklaring van [betrokkene 3] bij de politie van belang.

Hij verklaart (pag. 199 dossier): "ln verband met de betaling heeft mijn broer [verdachte] nog zijn legitimatie laten kopiëren. Immers als je de boel oplicht, dan laat je geen kopie maken, toch?"

Cliënt verklaart zelf daar ook over dat alles ten koste kwam van [H] (pag. 261 dossier). Hij ging er dus vanuit dat er gewoon betaald zou worden door [H]. Duidelijk wordt dat de enige gedraging die aan cliënt te koppelen is, is dat hij in het restaurant aan het eten was (net als de zes andere personen) en dat hij een kopie van zijn paspoort heeft laten maken. Dit zijn volgens de verdediging geen uitvoeringshandelingen te noemen en als ze dat al zijn dan is voor een bewezenverklaring van medeplegen vereist is dat cliënt zelfstandig het oogmerk (meer dan voorwaardelijk opzet) om zich/ander wederrechtelijk te bevoordelen en zich als bonafide gast te presenteren. De gedraging dat hij een kopie van zijn paspoort heeft laten maken sluit volgens de verdediging nu juist uit dat cliënt die wetenschap (oogmerk) heeft gehad om zich/ander wederrechtelijk te bevoordelen en zich als bonafide gast te presenteren (zie genoemde verklaring [betrokkene 3]).

Ik verzoek u cliënt vrij te spreken ter zake van het onder 2 primair ten laste gelegde feit vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen cliënt en [betrokkene 3] en daarbij ontbreekt het oogmerk van wederrechtelijk bevoordeling en het oogmerk om zich als bonafide gast te presenteren.

4.4. Het Hof heeft aan de bewezenverklaring in zaak A de navolgende bewijsoverwegingen (met weglating van voetnoten) gewijd.

"feit 1

Om van medeplegen te kunnen spreken is bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en zijn mededader(s) vereist, gericht op het te plegen strafbare feit. De vraag of sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking, hangt sterk af van de feiten en omstandigheden van bet concrete geval.

Medeverdachte [betrokkene 4] heeft verklaard dat het plan om uitzendbureaus op te lichten is bedacht door medeverdachte [betrokkene 3]. Getuige [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij door [betrokkene 3] is overgehaald om een eenmanszaak, genaamd '[H]' in te schrijven. Hij is daartoe samen met [betrokkene 3] en verdachte naar de Kamer van Koophandel gegaan. [Betrokkene 1] heeft voorts verklaard dat het bedrijf in werkelijkheid niet bestond: er werden geen activiteiten binnen het bedrijf verricht en het had geen personeel in dienst.

Op dezelfde wijze is [betrokkene 10] benaderd door [betrokkene 3] om de eenmanszaak [I] in te schrijven bij de Kamer van Koophandel. Ook dit bedrijf bestond alleen op papier.

De in de tenlastelegging genoemde uitzendbureaus zijn door medeverdachten [betrokkene 3] en [betrokkene 4] benaderd om de loonadministratie en uitbetaling te verzorgen (het zogenoemde payrollen) voor de fictieve bedrijven [H] en [I].

Bij de uitzendbureaus [G], [E] en [F] heeft verdachte zelf oplichtingshandelingen verricht door zich in te schrijven als werknemer van [I] ([E]) en als werknemer van [H] ([G] en [F]), alsmede door (blanco)werkbriefjes in te vullen. Verdachte heeft op zijn bankrekening [001] in totaal een bedrag van ruim € 21.000,- aan salaris ontvangen van de uitzendbureaus [A] BV, [B] BV, [F] en [C]. Verdachte heeft voorts verklaard van [E] salaris te hebben ontvangen. Daarnaast heeft verdachte op voornoemd bankrekeningnummer een bedrag van (in totaal) ruim € 15.000,- ontvangen van de uitzendbureaus [G], [D] en [C] ter zake van salaris van [betrokkene 3]. Verdachte ontving de salarisbetalingen, terwijl hij wist dat er geen sprake was van werkzaamheden door [betrokkene 3] en hemzelf voor [H] of [I]. Gelet op het voorgaande, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwer-king tussen verdachte, [betrokkene 3] en [betrokkene 4], gericht op de oplichting van voornoemde uitzendbureaus.

feit 2

De raadsman heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van dit feit, nu verdachte geen opzet heeft gehad op de oplichting, omdat bij ervan uit ging dat [H] de rekening zou betalen van bet Chinese restaurant.

Het hof overweegt dat verdachte, gelet op hetgeen hierboven inzake feit 1 is overwogen, wist dat de onderneming [H] in werkelijkheid niet bestond en dus de rekening niet zou betalen. Derhalve acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van medeplegen van oplichting van het Chinese restaurant, door aldaar op naam van [H] te dineren en de rekening niet te betalen. Het feit dat verdachte zijn paspoort door de restauranteigenaar liet kopiëren vormt niet, zoals de raadsman heeft bepleit, een contra-indicatie voor het bewijs van opzet op oplichting, maar is naar het oordeel van het hof veeleer aan te merken als een onderdeel van de façade die de restauranteigenaar moest doen geloven dat het met [H] wel goed zat."

4.5. Blijkens de toelichting op het middel, richt het middel zich naar de kern genomen tegen 's Hofs overweging dat verdachte wist dat het bedrijf [H] in werkelijkheid niet bestond en dus de rekening niet zou betalen. Deze overweging zou niet begrijpelijk zijn, omdat [H] over een bankrekening beschikte waarvan het etentje betaald zou kunnen worden en uit de bewijsoverweging in samenhang met de gebezigde bewijsmiddelen niet eenduidig blijkt dat verdachte wist dat de rekening van het etentje in het Chinees restaurant niet zou worden betaald. Daarmee is het redengevend bewijs dat verdachte het oogmerk had op de oplichting niet geleverd en het daartoe strekkende verweer van de raadsman ontoereikend gemotiveerd verworpen, aldus de steller van het middel.

4.6. Het middel berust op een onjuiste lezing van de bedoelde bewijsoverweging van het Hof. Het Hof heeft in die bewijsoverweging verwezen naar de bewijsoverweging inzake feit 1. Dit feit betreft -kortweg- het medeplegen van oplichting van uitzendbureaus door die uitzendbureaus loonadministratie te laten doen van en uitbetaling van salarissen te verzorgen voor niet bestaande bedrijven. In de bewijsoverweging inzake feit 1, heeft het Hof met verwijzing naar de relevante bewijsmiddelen uiteengezet wat verdachtes aandeel in die oplichting is geweest, namelijk dat verdachte met een medeverdachte naar de Kamer van Koophandel is gegaan om [H] in te schrijven; dat hij zich bij de uitzendbureaus heeft ingeschreven als werknemer van [H] en [I]; dat hij werkbriefjes heeft ingevuld; en dat hij op zijn bankrekening salarissen heeft ontvangen voor werkzaamheden voor [H] en [I] terwijl hij wist dat daar geen sprake van was. Onder meer op grond van het voorgaande heeft het Hof geoordeeld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten, gericht op de oplichting van de in de bewezenverklaring genoemde uitzendbureaus.

4.7. Met de verwijzing naar feit 1 (zaak A onder 1) in de bewijsoverweging ten aanzien van feit 2 (zaak A onder 2) heeft het Hof kennelijk niet alleen tot uitdrukking willen brengen dat verdachte wist dat [H] enkel op papier bestond, maar tevens dat de verdachte wist dat deze onderneming werd gebruikt voor de oplichting van uitzendbureaus. Daaruit heeft het Hof wel degelijk kunnen afleiden dat ook in het geval van feit 2 sprake was van opzet en oplichting. Onbegrijpelijk is dat niet en de verwerping van het onder 4.3. weergegeven verweer is dan ook toereikend gemotiveerd.

4.8. Het middel faalt.

5. Het tweede middel

5.1. Het middel klaagt dat de bewezenverklaring van het in zaak B onder 3 tenlastegelegde onvoldoende met redenen is omkleed. Daartoe wordt aangevoerd dat het Hof de bewezenverklaring hoofdzakelijk heeft doen steunen op de verklaring van aangever [betrokkene 11], terwijl die verklaring door de overige gebezigde bewijsmiddelen niet in voldoende mate wordt ondersteund en in zoverre niet aan het bewijsminimum niet voldaan.

5.2. Ten laste van de verdachte is in zaak B bewezenverklaard dat:

"3

hij in juni 2006, in de gemeenten Smallingerland en Grootegast, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door een of meer listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 11] en het bedrijf [K] B.V. heeft bewogen tot de afgifte van een notebook en een beamer, hebbende verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid de valse naam [betrokkene 2] aangenomen en zich voorgedaan als bedrijfleider van het bedrijf [H] en tegen die [betrokkene 11] gezegd een notebook en een beamer te willen huren en als borg een kentekenbewijs van een personenauto overhandigd en een paspoort en een visitekaartje op naam van [betrokkene 2] getoond en een huurcontract ondertekend en zich aldus gepresenteerd als bona fide huurders,waardoor die [betrokkene 11] en dat bedrijf [K] B.V. werden bewogen tot bovenomschreven afgifte."

5.3. De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep ten aanzien van het in zaak B onder 3 tenlastegelegde het volgende aangevoerd:

"Als bewijsmiddel voor dit feit wordt gebruik gemaakt van de verklaring van de raadsman die hij ter zitting zou hebben afgelegd, namelijk dat zijn cliënt dit feit heeft bekend.

Zoals uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad blijkt, kunnen verklaringen en mededelingen van de raadsman die ttz. al dan niet op de voet van art. 279.1 Sv als zodanig optreedt niet als wettige bewijsmiddelen gelden (zie o.a. HR LJN AX9179).

Blijft in deze zaak alleen over de aangifte en volgens de rechtbank de verklaring van [betrokkene 3]: Zo op het ogenblik weet ik het niet. U zou mij hierover inhoudelijk meer moeten vertellen.

Die verklaring voegt helemaal niets toe en geeft ook helemaal niets aan over de rol van [verdachte].

Met andere woorden; blijft over de aangifte en enkel en alleen de aangifte is onvoldoende om tot wettig en overtuigend bewijs te komen voor betrokkenheid van cliënt bij zowel het primair al subsidiair onder 3 tenlastegelegde feit (art. 342 lid 2 Sv).

Ik verzoek u dan ook cliënt voor dit feit vrij te spreken."

5.4. Naar aanleiding van dit verweer heeft het Hof in het bestreden arrest de navolgende bewijsoverweging opgenomen (met weglating van voetnoten):

"De raadsman heeft eveneens vrijspraak van dit feit bepleit, omdat er naast de aangifte geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich hieraan heeft schuldig gemaakt.

Het hof overweegt dat aangever heeft verklaard dat hij is opgelicht door twee mannen die voorgaven op te treden namens [H] en waarvan er één zich voorstelde als [betrokkene 2]. Eén van de twee mannen legitimeerde zich met een paspoort. Dit paspoort stond op naam van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats]. Aangever heeft voorts het nummer van het paspoort genoemd en heeft verklaard dat de persoon die hem het paspoort overhandigde hem meedeelde dat dit zijn paspoort was. De pasfoto in het paspoort kwam volgens aangever overeen met de persoon die hem het paspoort overhandigde.

Gelet hierop en het feit dat zich in het dossier een kopie van een paspoort op naam van verdachte bevindt waarvan het nummer overeenkomt met het nummer dat aangever heeft genoemd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die zich samen met een ander aan dit feit schuldig heeft gemaakt.

Voor zover het verweer van de raadsman ertoe strekt te betogen dat niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv, overweegt het hof het volgende.

Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beoordelen maar vraagt een beoordeling van het concrete geval. In dit geval vindt de bewezenverklaring van het ten laste gelegde, in aanvulling op de hiervoor inzake feit 3 genoemde bewijsmiddelen, grond in de eerder aangehaalde verklaring van [betrokkene 1] waaruit valt op te maken dat [H] een -kortweg- nepbedrijf was, alsmede in de bewezenverklaring van de andere ten laste gelegde feiten waaruit volgt dat verdachte zich bij zijn oplichtingspraktijken meermalen van dat nepbedrijf heeft bediend."

5.5. De in de bewijsoverweging aangehaalde bewijsmiddelen zijn opgenomen in de aanvulling op het arrest en luiden als volgt:

"21. Een proces verbaal met het nummer 2006061403-1, deeluitmakend van een strafdossier genummerd 2006098776-1, in wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 29 juni 2006 door [verbalisant 1], brigadier van politie, werkzaam bij de politie Fryslân, (dossierpagina 150) e.v.), zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 11]:

"lk ben hoofd technische dienst/bedrijfsleider van de firma [K] BV te Drachten. Ons bedrijf verhuurt onder andere computerapparatuur en randapparatuur. ln week 24 van 2006 kreeg ik een telefoontje van een man die zich voorstel als [betrokkene 2], werkzaam bij [H] te Groningen. Hij wilde een notebook en een beamer huren voor een presentatie. Ik gaf hem aan dat bij 300 euro borg diende te betalen en bet huurbedrag ter grootte van € 200,- vooraf diende te voldoen, verder deelde ik hem mede dat de huurder zich diende te legitimeren. Ik werd nog diezelfde dag door [betrokkene 2] teruggebeld. Hij gaf aan dat de directie akkoord was. [Betrokkene 2] gaf mij daarop via de telefoon aan dat hij iemand van zijn bedrijf op 24 juni 2006 zou langs sturen om de borg te betalen, het huurbedrag te voldoen en om zich te legitimeren, de apparatuur zou meteen worden meegenomen. Omdat er op 24 juni 2006 voor sluitingstijd nog niemand was gekomen, belde ik [betrokkene 2] op. Ik sprak met [betrokkene 2] af dat hij de apparatuur bij mij thuis in [woonplaats] kon ophalen. [Betrokkene 2] verzekerde mij dat met de betaling alles goed zou komen. Op 24 juni 2006 kwamen twee mannen bij mij aan de deur in [woonplaats]. De mannen gaven aan dat ze namens de firma [H] uit Groningen kwamen en de apparatuur op kwamen halen. Ik vroeg aan de mannen wat er als onderpand voor de huur achter kon blijven. Dit omdat men had aangegeven de borg niet ter plaatse te kunnen voldoen, Ik zag zag daarop dat de mannen mij een kentekenbewijs toonden.

Verder had een van de mannen een paspoort bij zich. Hij toonde mij een Nederlands paspoort, met het nummer [002], afgegeven op 15 september 2005, ten name van [verdachte], geboren [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats]. Hij gaf aan dat dit zijn paspoort was. Volgens mij kwam de pasfoto op het getoonde paspoort overeen met de man die voor mij stond. In de woning maakte ik een huurcontract op. De zich als bedrijfsleider van bedrijf uitgevende man tekende het huurcontract. De ene man gaf zich uit als [verdachte], werknemer van het genoemde betonbedrijf en de andere als bedrijfsleider van het betonbedrijf. Daarna heb ik de apparatuur afgegeven. lk sprak met [betrokkene 2] af dat hij op 26 juni 2006 omstreeks 10.00 uur de apparatuur bij het bedrijf zou terugbrengen. Om 11.00 uur belde [betrokkene 2]. Hij vertelde dat de gehuurde apparatuur was gestolen en dat ik aangifte moest doen. De verbinding werd verbroken. Ik heb de man nooit gezien. Ik overhandig hierbij een kopie van het paspoort."

22. Een geschrift, zijnde een kopie van een paspoort met het nummer [002], afgegeven d.d. 15 september 2004, ten name van [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats].

9. Een proces-verbaal van verhoor, met het nummer PL 01KA/06-057951 in wettelijke vorm opgemaakt en ondertekend op 16 juni 2006 door [verbalisant 2] voornoemd, (dossierpagina 224 e.v.), zakelijk weergegeven inhoudende:

als verklaring van [betrokkene 1]:

[betrokkene 3] was degene die mij overhaalde om directeur te worden van een eenmanszaak. Ik hoorde van [betrokkene 3] dat hij een bedrijf wilde hebben en dat ik de juiste man was. [H] werd opgezet ten behoeve van het verrichten van betonwerkzaamheden, vlechtwerk en hakken en boren van beton. Ik ben samen met [betrokkene 3] en [verdachte] naar de Kamer van Koophandel gegaan om mij in te schrijven als directeur van [H]. Ik ben samen met [betrokkene 3] naar de SNS bank te Groningen geweest. Er moest een bankrekening op mijn naam geopend worden. Dit leidde er uiteindelijk toe, dat na opening diverse bedragen van voor mij onbekende bedrijven op de rekening werden gezet. Zo heb ik gelden ontvangen van [A] uitzendbureau en [F] uitzendbureau. Ik ken in het geheel geen [betrokkene 2]. U laat mij formulieren zien van [betrokkene 5], [medeverdachte], [betrokkene 9], [betrokkene 8], [betrokkene 6] en [betrokkene 7]. Geen van deze personen was werknemer van [H]. Ik ken alle hiervoor genoemde personen niet. Ik heb hen niet in dienst gehad bij [H]. Ik zag visitekaartjes op mijn naam, [betrokkene 1]. Deze heb ik nooit eerder gezien. U laat mij formulieren van [A] te Ruinen zien. Dit waren contracten en werkbriefjes en facturen gericht aan [betrokkene 2] in Groningen. Ik heb geen van de formulieren van [A] gezien of ondertekend. Ik heb de fax, afkomstig van uitzendbureau [G] te Groningen gezien en ik kan u verklaren dat de geplaatste handtekening niet van mij is. Ik heb de urendeclaraties van [F] niet ondertekend. Ik heb deze nooit eerder gezien. [Betrokkene 3] te Smilde heb ik nooit gezien en of ondertekend. Werkurenbriefjes en facturen gericht aan [betrokkene 1] heb ik nimmer gezien. Op 9 juni 2006 heb ik de inschrijving bij de Kamer van Koophandel ongedaan gemaakt. Ik heb niets met betrekking tot de bedrijfsomschrijving gedaan. Ik heb nooit werknemers gehad. Ik heb nooit baasje kunnen spelen. Ik heb nooit enige cent voor het bedrijf gehad. Mij werden gouden bergen beloofd, maar ik heb geen cent ontvangen. Ik voel me door [verdachte en betrokkene 3] opgelicht.

5.6. Vooropgesteld moet worden dat volgens het tweede lid van art. 342 Sv -dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan- het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. Bij de in cassatie aan te leggen toets of aan dat bewijsminimum is voldaan, kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd.(2)

5.7. Blijkens de bewijsoverweging en de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof de bewezenverklaring niet alleen gebaseerd op de verklaring van de aangever, maar daarnaast ook op onder meer de kopie van het paspoort van verdachte, waarbij opmerking verdient dat door of namens de verdachte geen redelijke, de bewijzende betekenis ervan ontzenuwende, verklaring is gegeven voor het feit dat de aangever over een kopie van verdachtes paspoort beschikte. Het Hof heeft daarbij voorts overwogen dat de bewezenverklaring steun vindt in de verklaring van [betrokkene 1] en de bewezenverklaringen van de andere tenlastegelegde feiten. Het Hof heeft gemotiveerd uiteengezet dat en waarom het van oordeel is dat de verklaring van de aangever voldoende steun vindt in het overige gebezigde bewijsmateriaal. Dat oordeel geeft geen blijk van miskenning van art. 342, tweede lid, Sv. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat naar het Hof - niet onbegrijpelijk - heeft vastgesteld uit de verklaring van [betrokkene 1] valt op te maken dat [H] een nepbedrijf was en dat uit de als 'schakelbewijs' gebezigde bewezenverklaring van de andere tenlastegelegde feiten volgt dat verdachte zich bij zijn oplichtingspraktijken meermalen van dat nepbedrijf heeft bediend. De bewezenverklaring is toereikend gemotiveerd.

5.8. Het middel faalt.

6. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (10/01903), in welke zaak ik vandaag eveneens concludeer.

2 Vgl. HR 26 januari 2010, LJN BK2094, NJ 2010/512, HR 13 juli 2010, LJN BM2452, NJ 2010/515, HR 5 oktober 2010, LJN BN1728, NJ 2010/612, m.nt. M.J. Borgers, en HR 25 januari 2011, LJN BO6753, NJ 2011/64.