Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9286

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
10/01051
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9286
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. De vaststelling van het Hof dat verdachte "eerder is veroordeeld voor het plegen van verduistering" is niet begrijpelijk, nu het door het Hof genoemde uittreksel Justitiële Documentatie geen veroordeling wegens verduistering inhoudt. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 10/01051

Mr. Knigge

Zitting: 14 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte 2]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 17 februari 2010 verdachte wegens 1. "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en 2. "medeplegen van een beroep of een gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Het Hof heeft de bewaring ten behoeve van de rechthebbende(n) gelast van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen. Voorts heeft het Hof beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander op de wijze als weergegeven in het arrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.(1)

3. Namens verdachte heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld. Ik bespreek eerst het tweede middel.

4. Het tweede middel

4.1. Het middel klaagt dat het Hof in de strafmotivering ten onrechte rekening heeft gehouden met een eerdere veroordeling voor verduistering.

4.2. Het Hof heeft ten aanzien van de opgelegde straf, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

"Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft over een langere periode deelgenomen aan een organisatie die zich op grote schaal bezig hield met flessentrekkerij en valsheid in geschrift. Door aldus te handelen heeft verdachte doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd. De verdachte en zijn medeverdachten hebben zich daarbij niet bekommerd om het financiële nadeel dat de slachtoffers hierbij hebben geleden. Het hof is van oordeel dat aldus een ernstige inbreuk is gemaakt op de rechtsorde, gelet ook op de schaal waarop is geopereerd en de professionele wijze waarop te werk is gegaan. Bovendien hebben de verdachte en zijn medeverdachten door flessentrekkerij misbruik gemaakt van het vertrouwen dat de leveranciers van de goederen in hen stelden. Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 januari 2010, waaruit blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van verduistering, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. In het voordeel van de verdachte heeft het hof meegewogen dat de verdachte zijn leven inmiddels een positieve wending heeft gegeven en ter terechtzitting blijk heeft gegeven het verwerpelijke van zijn handelen in te zien en reeds een bedrag heeft gespaard teneinde zijn slachtoffers schadeloos te kunnen stellen."

4.3. Het Hof heeft blijkens deze overwegingen bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte laten meewegen dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van verduistering, maar dat dit hem er niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Het door het Hof bedoelde Uittreksel Justitiële Documentatie van 20 januari 2010 bevindt zich bij de stukken van het geding. Dit Uittreksel - dat niet uitblinkt door helderheid - houdt niet in dat de verdachte onherroepelijk is veroordeeld wegens verduistering. Integendeel, ik leid uit het Uittreksel juist af dat de verdachte daarvan is vrijgesproken.(2) Het Hof had dus de veroordeling wegens verduistering bij de strafoplegging niet in aanmerking mogen nemen. De strafoplegging is daarom ontoereikend gemotiveerd.(3)

4.4. Het middel is terecht voorgesteld.

5. Het eerste middel

5.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.

5.2. Hoewel het middel op zich gegrond is, zal het, gelet op de met betrekking tot het tweede middel bereikte slotsom, buiten bespreking dienen te blijven (HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.5.3.).

6. Het tweede middel slaagt. Het eerste middel dient daarom buiten bespreking gelaten te worden.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat de strafoplegging betreft en in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met de zaken tegen [verdachte 4] (10/04961), [verdachte 3] (10/02620) en [verdachte 1] (10/05230), in welke zaken ik vandaag eveneens concludeer.

2 Uit het Uittreksel leid ik het volgende af met betrekking tot enige vervolging van de verdachte ter zake verduistering. Onder het kopje "Gegevens betreffende afgedane rechtbankzaken" houdt het Uittreksel in dat de zaak met parketnummer 05-07264-02 door de Officier van Justitie in het arrondissement Arnhem is overgedragen aan de Officier van Justitie in het arrondissement Breda met als nieuw parketnummer 02-017410-02. In deze zaak (onder laatstgenoemd parketnummer) is beslist door de Politierechter te Breda. Volgens het Uittreksel Justitiële Documentatie op twee data: 28 maart 2003 en 15 augustus 2005 (kennelijk betrof het twee feiten, in beide gevallen verduistering, met identieke pleegperiode en -plaats). Voorts houdt het Uittreksel in dat een rechtsmiddel is aangewend in de zaak met parketnummer 02-017410-02, voornoemde zaak dus, welke procedure is geëindigd met een vrijspraak (vreemd genoeg wordt na "Datum beslissing" vermeld "18 april 2006 Politierechter 's-Hertogenbosch"). Deze lezing vindt bevestiging in het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg van 25 oktober 2007, waarin het volgende te lezen valt: "De raadsman van verdachte verklaart: Het strafblad van cliënt is niet erg duidelijk. Op pagina 2 staan namelijk twee zaken met betrekking tot verduistering vermeld, van welke zaken cliënt in hoger beroep is gegaan en in hoger beroep is hij van beide feiten vrijgesproken. De officier van justitie verklaart: Wat de raadsman heeft opgemerkt met betrekking tot het strafblad van verdachte is juist."

3 Vgl. o.m. HR 13 september 2011, LJN BQ9106.