Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9234

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-05-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
10/00983
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9234
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Slagende bewijsklacht laster, art. 262 Sr. De enkele omstandigheid dat verdachte heeft verklaard geen bewijs te hebben dat de in de tll. opgenomen uitingen op waarheid berusten is onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/704
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/00983

Mr. Knigge

Zitting: 14 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 11 februari 2010 verdachte wegens "smaadschrift, meermalen gepleegd" en "laster" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een week, met een proeftijd van twee jaren. Aan deze veroordeling heeft het Hof een bijzondere voorwaarde verbonden zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.

3. Namens verdachte heeft mr. M.G. Cantarella, advocaat te 's-Gravenhage, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het eerste middel

4.1. Het middel klaagt over de motivering van de sub 2 bewezenverklaarde laster. Uit de bewijsmiddelen zou niet afgeleid kunnen worden dat de verdachte wist dat de door hem tenlastegelegde feiten in strijd met de waarheid waren.

4.2. Ten laste van verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat

"hij in de periode van 01 november 2007 tot met 31 januari 2008 te Nieuwerkerk ad IJssel, opzettelijk, door middel van verspreiding van geschrift de eer en de goede naam van [betrokkene 1], werkzaam bij de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond als horeca coƶrdinator in district Oost heeft aangerand door telastlegging van bepaalde feiten, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel geschriften op verdachtes internetsite: www.[...].nl geplaatst, met daarin (onder meer) de tekst: - "Het is dus zo gegaan dat ik geen vergunning kreeg voor een andere zaak omdat de [betrokkene 1] een valse aangifte in de politie computer heeft gezet" en/of - "Op zich een heel vriendelijke man, tot dat hij met zeer racistische verhalen komt op draven en gaat praten over hoe hij alles in de hand heb en dat hij, zo als hij zelf zegt, boven de wet staat in Rotterdam", terwijl verdachte wist dat deze telastegelegde feiten in strijd met de waarheid waren."

4.3. Het Hof heeft in totaal acht bewijsmiddelen gebezigd, die zowel op het onder 1 als het onder 2 bewezenverklaarde betrekking hebben. Uit de bewijsmiddelen 1 en 3 t/m 7 blijkt dat de verdachte de desbetreffende teksten op internet heeft geplaatst. Voor het bewijs van de in het middel bedoelde wetenschap zijn deze bewijsmiddelen niet (direct) van belang. Als bewijsmiddel 2 en bewijsmiddel 8 heeft het Hof voorts de volgende bewijsmiddelen gebezigd:

"2. De verklaring van de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 januari 2010 verklaard - zakelijk weergegeven -: Ik heb geen bewijs dat de in de tenlastelegging opgenomen uitlatingen op waarheid berusten.

(...)

8. Een geschrift, zijnde een Uittreksel Justitiƫle Documentatie d.d. 14 januari 2010, waaruit blijkt dat de verdachte voorafgaand aan de tenlastegelegde periode reeds meerdere malen was veroordeeld."

4.4. In het verkorte arrest heeft het Hof voorts nog overwogen:

"Ten slotte bepleit de raadsman vrijspraak voor het onder 2 tenlastegelegde, nu de onder dat feit tenlastegelegde uitlatingen naar de mening van de verdachte op waarheid zijn gestoeld. Nu die stelling ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk is geworden, verwerpt het hof reeds om die reden dit verweer."

4.5. Het tweede bewijsmiddel houdt niet in dat de verdachte wist dat zijn uitlatingen onwaar waren. Dat wordt duidelijk als de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte gelezen wordt in het verband van de gehele verklaring die de verdachte ter zitting aflegde. Die verklaring luidt, voor zover hier van belang:

"Het is mijn verhaal. Ik hoor u zeggen dat het niet alleen een verhaal is, maar ook een verwijt dat ik hem maak. Ik deel daarop mede dat ik het verhaal niet mooier heb gemaakt dan het is. Alle in de tenlastelegging opgenomen uitlatingen die ik op mijn website heb gedaan, zijn gebaseerd op de waarheid. [Betrokkene 1] heeft deze mededelingen zelf aan mij gedaan tijdens mijn eerste gesprek met hem. Hij deelde mij destijds tevens mede dat ik hem nodig had. Ik heb geen bewijs dat de in de tenlastelegging opgenomen uitlatingen op waarheid berusten. Ik heb weliswaar meerdere ondernemers gesproken die het zouden kunnen bevestigen, maar zij durven niet tegen hem te getuigen."

4.6. Wat de functie van het achtste bewijsmiddel is, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk. Mogelijk bedoelde het Hof daarmee te bewijzen dat verdachte geen vergunning kreeg vanwege zijn strafblad en dat dus onwaar is dat hij die vergunning niet kreeg omdat "de [betrokkene 1] een valse aangifte in de politie computer heeft gezet". Zelfs als van de juistheid van deze veronderstelling zou mogen worden uitgegaan, volgt daaruit niet zonder meer dat verdachte ook wist dat wat hij zei onwaar was. Bovendien is daarmee over de onwaarheid van het feit dat genoemde [betrokkene 1] racistische taal zou bezigen niets gezegd, laat staan over de wetenschap van de verdachte met betrekking tot die onwaarheid.

4.7. De onder 4.4 weergegeven bewijsoverweging maakt het er niet beter op. Dat niet aannemelijk is geworden dat de uitlatingen van de verdachte op waarheid berustten, moge zo zijn, maar het was aan het Hof om te bewijzen dat die uitlatingen onwaar waren en dat de verdachte dat wist. Op dat punt schiet de bewijsmotivering tekort. Dat wordt niet anders als ervan uitgegaan wordt dat voorwaardelijk opzet volstaat.(1) Ook dan geldt dat het Hof geen enkel inzicht heeft gegeven in de door hem gevolgde gedachtegang.

4.8. Het middel slaagt.

5. Het tweede middel

5.1. Het middel klaagt over de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie.

5.2. Aangezien het eerste middel slaagt, behoeft het tweede middel geen bespreking (HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.5.3).

6. Het eerste middel slaagt. Daarom behoeft het tweede middel geen bespreking.

7. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

8. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover die betrekking heeft op het onder 2 tenlastegelegde feit, tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Zie in het bijzonder HR 30 mei 2008, LJN BC8673, NJ 2008/318, waaruit kan worden afgeleid dat de Hoge Raad het bestanddeel "wetende dat" in het algemeen ruim uitlegt, zodat het mede het voorwaardelijk opzet omvat. Of dat ook voor art. 262 Sr geldt, is een vraag die in de jurisprudentie nog geen beantwoording heeft gevonden. Zie voor de eventueel aan de wetsgeschiedenis te ontlenen argumenten A.L.J.M. Janssens, Strafbare belediging, p. 156-158.