Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9227

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
11/03791 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9227
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag, art. 94 Sv en art. 552a Sv. HR herhaalt de i.c. aan te leggen maatstaf uit HR LJN BL2823. Het kennelijke oordeel van de Rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van de auto zal bevelen, is, gelet op de overweging van de Rechtbank dat de klager heeft verklaard geen eigenaar van de auto te zijn, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk. Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/659

Conclusie

Nr. 11/03791 B

Mr. Vellinga

Zitting: 7 februari 2012

Conclusie inzake:

[Klager]

1. Bij beschikking van 25 juli 2011 heeft de Rechtbank te Almelo het beklag tegen inbeslagneming van een auto en een geldbedrag ongegrond verklaard.

2. Namens klager heeft mr. K. Canaran, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over de ontoereikende motivering van de beschikking.

4. De Rechtbank heeft haar beslissing als volgt gemotiveerd:

"Bij het onderzoek in raadkamer is gebleken dat er ernstige aanwijzingen bestaan dat klager zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan (schuld)witwassen van een bedrag van € 94.000,00;

Klager heeft ter zake van dit feit nog niet terechtgestaan. De officier van justitie heeft medegedeeld, dat te zijner tijd ter terechtzitting de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomene zal worden gevorderd. Het onderzoek tegen verdachte is nog niet afgerond.

Klager heeft naar het oordeel van de rechtbank geen eenduidige verklaring gegeven over het gehele geldbedrag. Met betrekking tot de auto heeft klager verklaard geen eigenaar te zijn van de auto, maar deze enkel te gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat het beslag op juiste gronden is gelegd. Voorts is de rechtbank van oordeel dat het niet onaannemelijk is dat de vordering tot verbeurdverklaring door de strafrechter zal worden toegewezen. Aldus vordert het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag en is het beklag ongegrond."

5. Volgens de toelichting op het middel heeft de Rechtbank haar beslissing dusdoende niet voldoende gemotiveerd omdat ter gelegenheid van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer zijdens klager is aangevoerd:

"Klager heeft, zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris, een valide verklaring gegeven voor de herkomst van het geld. Klager heeft verklaard en met stukken onderbouwd dat:

- Van de aangetroffen € 94.000,- is € 44.000,- van klager. Hij heeft dit geld gekregen van zijn broer om een auto te kopen. Dit heeft hij onderbouwd met bewijsstukken.

- Alle personen die in de auto zaten hebben verklaard dat het doel van de reis onder meer was het kopen van een auto.

- De rest van het bedrag, te weten € 50.000,-, is van een vriend van klager, [betrokkene 1], die zich ook in de auto bevond tijdens de aanhouding.

- [Betrokkene 1] heeft bevestigd dat € 50.000,- van hem is.

Op grond van het voorgaande is het hoogst onwaarschijnlijk dat de rechtbank, later oordelend, de verbeurdverklaring van het geldbedrag zal bevelen."(1)

alsmede

"De auto staat op naam van de ex-vrouw van klager en behoort derhalve niet in eigendom aan hem toe. Voorwerpen die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbaar feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmee (art. 33a lid 2 sub a Sr.). In het onderhavige geval is daar geen sprake van. Op geen enkele wijze is thans vast komen te staan dat de ex-vrouw van klager bekend was met verkrijging van de auto door middel van het strafbare feit waarvan klager verdacht wordt. Verbeurd verklaring van de auto op deze grond is dan ook zeer onwaarschijnlijk."(2)

6. In de toelichting op het middel wordt - onder verwijzing naar HR 14 december 2010, NJ 2011, 10(3) - gesteld dat de Rechtbank haar beslissing nader had moeten motiveren omdat de Rechtbank louter wijst op de omstandigheid dat klager geen eenduidige verklaring heeft gegeven voor het gehele geldbedrag.

7. Deze klacht berust op een verkeerde lezing van de beschikking van de Rechtbank. De Rechtbank heeft immers ook - en in de eerste plaats - in aanmerking genomen dat er ernstige aanwijzingen bestaan dat klager zich heeft schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan (schuld)witwassen van een bedrag van € 94.000,00. Gelet op het bepaalde in art. 33a lid 1, aanhef en onder b, Sr kan louter die omstandigheid reeds het oordeel dragen dat het niet onaannemelijk is dat de vordering tot verbeurdverklaring voor wat betreft het onder klager inbeslaggenomen geldbedrag van € 94.000 door de strafrechter zal worden toegewezen.

8. Ten aanzien van de inbeslaggenomen auto wordt geklaagd dat de Rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd omdat de verklaring van klager dat hij geen eigenaar is maar gebruiker niet tot de conclusie kan leiden dat ook ten aanzien van dit voorwerp hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de personenauto verbeurd zal verklaren.

9. Uit de overweging van de Rechtbank dat klager verklaard heeft geen eigenaar te zijn van de auto, maar deze enkel te gebruiken, kan bij gebreke van enige nadere motivering niet worden afgeleid dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat strafrechter, later oordelend, de vereisten voor verbeurdverklaring (art. 33a lid 1 en - voor het geval de auto eigendom van een derde is - lid 2 Sr) vervuld zal achten.

10. Het middel slaagt ten dele.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden beschikking zou dienen te worden vernietigd.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking voor wat betreft de beslissing ten aanzien van de inbeslaggenomen auto en in zoverre tot verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Arnhem teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Pleitnota p. 3, 4.

2 Pleitnota p. 5

3 In de schriftuur staat NJ 2010,10 hetgeen een vergissing moet zijn.