Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9208

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
11/01552
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9208
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 416.2 Sv, n-o in h.b. HR herhaalt de relevante overwegingen uit LJN BK0910 m.b.t. de toetsingsruimte in cassatie van een op art. 416.2 Sv gegrond oordeel. De beslissing van het Hof dat verdachte n-o is in zijn h.b. is ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Hetgeen in het middel wordt betoogd m.b.t. de gebreken die zouden kleven aan het vonnis in e.a. maakt dit niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/820
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/01552

Mr. Vellinga

Zitting: 7 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het gerechtshof te Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen zijn vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam waarbij de verdachte wegens een misdrijf is veroordeeld tot een straf als in dat vonnis vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel houdt in dat de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn hoger beroep vanwege het ontbreken van een appelschriftuur en een mondelinge opgave van bezwaren gelet op de aan het beroepen vonnis klevende gebreken bij gebreke van een nadere motivering niet begrijpelijk is.

4. Het Hof heeft zijn beslissing als volgt gemotiveerd:

"Nu de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis heeft opgegeven en ook overigens niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zelf, zal hij gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet ontvankelijk verklaard worden in het ingestelde hoger beroep."

5. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof ambtshalve had dienen over te gaan tot de behandeling van de zaak en ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zelf, omdat aan het beroepen vonnis de volgende gebreken kleven:

- aan de verdachte is tenlastegelegd dat de bewezenverklaarde opzetheling is gepleegd in 2009, terwijl is bewezenverklaard dat het feit is gepleegd in 2008;

- uit de gebezigde bewijsmiddelen kan het bewezenverklaarde opzet niet worden afgeleid.

6. Art. 416 Sv luidt:

1. Ingeval hoger beroep is ingesteld door de officier van justitie, geeft de advocaat-generaal bij gelegenheid van de voordracht der zaak mondeling een toelichting op de bezwaren tegen het vonnis. De advocaat-generaal geeft in voorkomende gevallen tevens op waarom door de officier van justitie geen schriftuur houdende grieven is ingediend. Na de voordracht van de advocaat-generaal wordt de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld, in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven.

2. Indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, kan het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.

3. Indien van de zijde van het openbaar ministerie geen schriftuur houdende grieven, als bedoeld in artikel 410, eerste lid, is ingediend, kan het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk worden verklaard.

7. De memorie van toelichting houdt - voor zover van belang - in:

"2.6 Concentratie op geschilpunten

Een voortbouwend appèl dient in strafzaken van enig gewicht naar mijn oordeel optimaal bij te dragen aan de kwaliteit van de gehele gedingvoering. Het vonnis in eerste aanleg is het startpunt van de discussie in appèl. In hoger beroep dient echter niet alleen gecontroleerd te worden of de rechter in eerste aanleg fouten heeft gemaakt, die correctie behoeven. Voorop staat ook dat het hoger beroep een zelfstandige feitelijke rechtsgang is, hetgeen betekent dat de appèlrechter een eigen verantwoordelijkheid heeft een eindoordeel te geven omtrent alle vragen van de artikelen 348 en 350 Sv, dezelfde vragen die ook in eerste aanleg beantwoording behoeven. De behandeling in appèl biedt aldus ook op alle punten een herkansing aan de procespartijen. Maar door in appèl in zaken van enig gewicht voort te bouwen op het onderzoek in eerste aanleg en de behandeling te concentreren op de punten waar geschil van mening over bestaat is er doorgaans geen volledig nieuwe behandeling. Door de procespartijen ingediende grieven spelen in het stelsel een richtinggevende rol voor de behandeling, maar voor een zuiver grievenstelsel, zonder de rechter de mogelijkheid te laten onderzoek te verrichten naar kwesties die hij nodig acht om de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv te beantwoorden, heft de regering niet gekozen.

De regering onderschrijft in algemene zin, dat het onderzoek in hoger beroep inhoudelijk betrekking dient te hebben enerzijds op die onderdelen van het beroepen vonnis waar de appèlrechter ambtshalve voorlopig wezenlijk anders tegenaan kijkt, maar anderzijds bovenal op overwegingen en beslissingen waartegen door de verdediging of het openbaar ministerie bezwaar wordt gemaakt. Praktisch gesproken zal dat betekenen dat het geding dan in appèl wordt geconcentreerd rond die kwesties waar expliciet tegen wordt geponeerd. De aandacht van de appèlrechter moet zich in het bijzonder richten op de grieven (artikelen 410, 416 Sv) van partijen. Daarbij past dat de rechter verantwoording aflegt omtrent zijn oordeel over de ingebrachte bezwaren voorzover dat oordeel van belang is voor de te nemen beslissingen. In beginsel zullen bezwaren wel redelijkerwijs zo vroeg als mogelijk is naar voren gebracht dienen te worden. De appèlrechter houdt evenwel volledig de eigen verantwoordelijkheid voor een juiste beantwoording van alle vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.(1)

(...)

3.2.1 De betekenis van grieven

In het actuele strafprocesrecht zijn de contouren van een grievenstelsel in de artikelen 410 en 416 Sv zichtbaar, maar de vrijblijvendheid daarvan doet afbreuk aan de doelmatigheid. De bepalingen zijn zelfs betekenisloos in de gevallen, dat alleen de verdachte appèl instelt en ter terechtzitting in hoger beroep niet verschijnt. Ik acht het alleszins redelijk, om van degene die in appèl komt, of dat nu het openbaar ministerie is of de verdachte, te vragen duidelijk te maken wat de bezwaren zijn tegen het vonnis. Met het karakter van appèl als voortgezette instantie verdraagt zich niet dat in appèl, zonder dat daarvoor goede redenen bestaan een min of meer nieuwe procedure wordt gestart. Van partijen mag in het bijzonder in hoger beroep een actieve proceshouding worden gevergd. Dat is uit een oogpunt van inzet van beperkte (overheids-)middelen en mensen rationeel, aangezien daardoor dubbel en nodeloos werk wordt voorkomen. Los van de praktische eisen, die een grievenstelsel met zich brengt aangaande het beschikbaar komen van uitgewerkte vonnissen alvorens van een procespartij gevergd kan worden zijn grieven te formuleren, onderken ik ook het bezwaar, dat de eis vooraf schriftelijke grieven in te dienen die vervolgens een volledig bindend karakter hebben te ver zou kunnen voeren. Dat is enerzijds omdat redelijkerwijs niet gevergd kan worden van de niet professioneel vertegenwoordigde verdachte daartoe capabel te zijn en anderzijds omdat het karakter van het debat ter terechtzitting in hoger beroep niet zo gesloten dient te zijn dat er helemaal geen ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten. Ook na indiening van grieven kan een verdachte reden hebben bij nader inzien andere zaken aan de orde te stellen dan in toegespitste schriftelijke grieven is vermeld. In de praktijk gaat de onvrede van de verdachte over de beslissingen nogal eens gepaard met de keuze voor een andere advocaat. Toch zal de advocaat in eerste aanleg namens de verdachte doorgaans wel het appèl moeten instellen en in een daartoe verplichtend stelsel de grieven formuleren. Ten slotte is er het al gememoreerde principiële punt van de eigen onderzoeksverantwoordelijkheid van de appèlrechter. Er zal naar mijn oordeel toch altijd een mogelijkheid moeten worden open gelaten dat de appèlrechter, hetzij ambtshalve, hetzij bij nader inzien op verzoek van procespartijen, de behandeling van de gehele zaak naar eigen inzicht inricht. Het voorgaande laat onverlet, dat in de categorie van lichte strafzaken inzake vonnissen met een veroordeling tot louter een geldboete van totaal maximaal € 500, wel van de verdachte kan worden gevergd schriftelijk redenen op te geven voor het instellen van hoger beroep. Deze redenen behoeven niet sturend te zijn voor een nader onderzoek ter terechtzitting, zoals bij de grieven het geval is. Deze relatief lichte strafzaken zouden in beginsel in één instantie kunnen worden afgedaan, maar tegelijkertijd is het wel wenselijk in die zaken een mogelijkheid tot correctie te hebben.

3.2.2 Bekendmaken bezwaren door de officier van justitie

Van de verdachte kan niet zonder meer gevergd worden een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Wel acht ik het redelijk en haalbaar om de officier van justitie die appèl instelt te verplichten een schriftelijke appèlmemorie in te dienen. Artikel 410 van het Sv wordt hiertoe dwingender te geformuleerd, zoals ook is geopperd door de Werkgroep hoger beroep en verzet. Door de verplichting tot het afleggen van verantwoording ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de redenen voor het eventueel achterwege laten van het tijdig indienen van een appèlmemorie wordt daarnaast duidelijk gemaakt, dat het indienen van een appèlmemorie is aangewezen (artikel 416, eerste lid, nieuw).

(...)

3.2.3 Behandeling slechts in aanwezigheid van verdachte?

Van de verdachte kan in minder eenvoudige zaken wellicht niet worden verwacht schriftelijk gemotiveerde grieven tegen een vonnis te formuleren, maar dat houdt niet in dat aan het instellen van het appèl helemaal geen voorwaarden kunnen worden verbonden. Denkbaar is bijvoorbeeld de aanwezigheid van de verdachte in hoger beroep te stellen als mogelijke voorwaarde inzake een door hem ingesteld hoger beroep. Het vereiste van aanwezigheid voor de behandeling van een rechtsmiddel is in het strafprocesrecht niet geheel onbekend. Zo wordt bij niet verschijnen na ingesteld verzet, het verzet vervallen verklaard. Onder het Duitse recht wordt een door de verdediging ingesteld appèl verworpen als de verdachte bij de behandeling in hoger beroep niet verschijnt. Het hoger beroep door het openbaar ministerie kan wel worden behandeld en beoordeeld in afwezigheid van de verdachte. De gedachte van het voortbouwend appèl kan een belangrijke reden zijn om de aanwezigheid van de verdachte of althans de bepaaldelijk gemachtigde vertegenwoordiging in appèl in een nader te bepalen categorie van zaken te eisen. Als tijdens de behandeling in eerste aanleg de verdediging is gevoerd, is het immers de vraag wat een behandeling in appèl waarbij dat niet is gebeurd daaraan kan toevoegen. Als tijdens de behandeling in eerste aanleg de verdediging niet is gevoerd, rijst deze vraag zo mogelijk nog meer. Mogelijk kan aan dat bezwaar onder omstandigheden door de indiening van schriftelijke grieven nog wel tegemoet worden gekomen. De gedachte van de "behandeling in appèl slechts in aanwezigheid van de verdachte" spreekt de regering in beginsel wel aan omdat van degene die hoger beroep instelt ten minste gevergd mag worden te proberen uit te leggen wat de bezwaren tegen het vonnis inhouden. Het hoger beroep moet een verdachte niet bij eigen inactiviteit beschermen. Daarbij komt dat de kwaliteit van de procesvoering is gediend bij aanwezigheid van de verdachte of althans bij het feit dat een verdediging wordt gevoerd. Dit roept echter verschillende vraagpunten op:

(...)

Overweging van deze aspecten brengt de regering ertoe de aanwezigheid van de verdachte niet onverkort en exclusief als voorwaarde te formuleren voor de ontvankelijkheid in een door hem ingesteld hoger beroep. Van de verdachte die hoger beroep instelt kan wel in redelijkheid gevergd worden te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren. De appèlrechter dient vervolgens de bevoegdheid te hebben bij het niet vervullen van wat kort gezegd "weerwoord" genoemd kan worden om het ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren. Maar hij dient daartoe niet te worden verplicht. Herstel van ambtshalve geconstateerde fouten blijft dan mogelijk. Ook bestaat de kans dat de appèlrechter tot behandeling overgaat en dan tot een ander oordeel komt in de strafmaat. Van een vrijblijvend appèl is dan ook geen sprake. In de huidige rechtspraktijk komt het veelvuldig voor, dat een verdachte door middel van een akte na een aanhouding voor onbepaalde tijd of ter zitting na uitroeping van de zaak stelt het ingestelde rechtsmiddel bij nader inzien in te willen trekken. Formeel kan het rechtsmiddel niet meer worden ingetrokken. De beslissing van het hof luidt in dergelijke zaken veelal dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt, dat in hoger beroep niet een onderzoek ten gronde wordt verricht en vervolgens arrest wordt gewezen. De verdachte wordt dan, nu daardoor noch het belang van de verdachte, noch enig ander redelijk belang van strafvordering wordt geschaad, niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep ("point d'intérêt, point d'action"). Deze bestendige praktijk vloeit voort uit een redelijke wetstoepassing, maar is niet expliciet wettelijk verankerd. Deze voor de procespartijen en de rechtspleging doelmatige wijze van handelen krijgt door de bevoegdheid van de appèlrechter in geval geen bezwaren tegen het vonnis worden opgegeven (en gehandhaafd) te beslissen tot de niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep expliciet een wettelijke basis. (2)

(...)

4. Consultatie

(...)

Over het algemeen kan de NvVR de gekozen opzet volgen, maar het stelsel van het voortbouwend appèl is volgens de NvVR geen echte breuk met het huidige stelsel. Met name wordt opgemerkt, dat aan het niet indienen van een geschrift met grieven, behoudens gevallen die onder het verlofstelsel vallen, geen rechtsgevolgen worden verbonden. Het is juist, dat ook indien geen schriftelijke grieven worden ingediend de appèlrechter over alle vragen van 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering kan beslissen. Maar als alleen de verdachte appèl instelt, geen schriftelijke grieven indient, ter zitting niet verschijnt en zich ook niet laat vertegenwoordigen, dan zal het appèl in het nieuwe stelsel in de regel leiden tot niet-ontvankelijkheid van het ingestelde hoger beroep. Een daartegen ingesteld cassatieberoep is beperkt tot die kwestie."(3)

8. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt - voor zover hier relevant - opgemerkt:

"3. Stroomlijnen hoger beroep

(...)

De leden van de VVD-fractie wijzen erop dat van de verdachte die in hoger beroep gaat, in redelijkheid kan worden gevergd te verschijnen, grieven kenbaar te maken of althans verdediging te voeren, kortgezegd: "weerwoord " te voeren. Zij vragen welke gevolgen kunnen worden verbonden aan de handelwijze van een verdachte die aan deze verwachting niet voldoet. Het belangrijkste gevolg is de niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep. Het voorgestelde artikel 416, tweede lid, bepaalt immers dat indien de appellerende verdachte geen schriftuur met grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, het hoger beroep zonder onderzoek van de zaak niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Hieronder valt ook het geval dat de verdachte geen schriftuur heeft ingediend en ter zitting in hoger beroep niet verschijnt. Dit is geen verplichte niet-ontvankelijkheid. Het gerechtshof behoudt de bevoegdheid tot ambtshalve onderzoek. Dit onderzoek kan echter bij het ontbreken van weerwoord in die zin beperkt blijven, dat onder omstandigheden bepaalde gebreken die mogelijk aan het voorbereidend onderzoek of het onderzoek in eerste aanleg kleven, niet tot vernietiging behoeven te leiden omdat de verdediging daarover noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft geklaagd. Deze leden vragen in dit verband nog hoe moet worden omgegaan met een verdachte die weliswaar verschijnt, maar zich vervolgens beroept op zijn zwijgrecht. Het zwijgrecht moet worden onderscheiden van de hiervoor bedoelde verwachting dat de verdachte die appèl instelt, weerwoord voert. Ook van de verdachte die geen verklaring wenst af te leggen over het hem tenlastegelegde feit, kan worden verwacht dat hij aangeeft waarom hij in appèl is gegaan. In zo'n geval zou hij ten minste kunnen aanvoeren dat hij ten onrechte door de rechtbank is veroordeeld. Laat hij zelfs dit na en geeft een ambtshalve beoordeling van de stukken geen aanleiding om het vonnis te vernietigen, dan kan het gerechtshof het hoger beroep zonder verder onderzoek niet-ontvankelijk verklaren.

4. Consultatie

De leden van de VVD-fractie vragen wat nog de betekenis is van het "voortbouwende karakter" van het hoger beroep nu de verdachte die appèl instelt niet wordt verplicht om een schriftuur in te dienen. Hoe kan de rechter in hoger beroep zich richten op de betwiste onderdelen van het vonnis indien geen schriftuur is ingediend? Het voortbouwende karakter van het appèl heeft in zo'n geval wel degelijk betekenis. Een voortbouwend hoger beroep houdt immers in dat de appèlrechter weliswaar alle vragen van de artikelen 348 en 350 Sv moet beantwoorden, maar dat de wijze waarop hij aan die vragen aandacht besteedt in belangrijke mate afhankelijk is van hetgeen de verdediging en het openbaar ministerie aanvoeren. Laat de verdachte na bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg aan te voeren of zijn de aangevoerde bezwaren erg vaag of nauwelijks gesubstantieerd, dan biedt hij het gerechtshof weinig aanknopingspunten voor diens onderzoek en zal ook het ambtshalve onderzoek doorgaans beperkt kunnen blijven. Anders gezegd: bij een voortbouwend appèl is het geenszins vanzelfsprekend dat het gerechtshof bij het achterwege blijven van weerwoord van de verdachte dit steeds als het ware compenseert door een uitvoerig ambtshalve onderzoek."(4)

9. De Memorie van antwoord (Eerste Kamer) houdt - voor zover voor de beoordeling van het middel relevant - in:

"II Voortbouwend appèl

De aan het woord zijnde leden van de CDA-fractie stellen dat de minister toch niet zal willen ontkennen dat het thans voorgestelde in materieel opzicht een grievenstelsel impliceert. Deze leden hebben gelijk dat het voorgestelde erop is gericht het onderzoek in appèl meer te richten op hetgeen partijen nog verdeeld houdt en dat deze doelstelling mede is ingegeven door de wens schaarse capaciteit zo doelmatig mogelijk in te zetten. Niettemin blijft een principieel verschil met een grievenstelsel bestaan, namelijk dat de rechter in appèl zijn bevoegdheid behoudt om ambtshalve die punten te beoordelen die hij relevant acht. Deze bevoegdheid impliceert een verantwoordelijkheid om te zorgen dat op alle punten van de artikelen 348 en 350 Sv een juiste beslissing wordt genomen. Dit betekent dat de appèlrechter, wanneer hij constateert dat door de verdachte geen grieven zijn ingediend of geen grieven die hout snijden, niet kan volstaan met die constatering en ieder verder onderzoek van de zaak achterwege kan laten.

(...)

Naar aanleiding van de vraag van deze leden [van de PvdA-fractie, WHV] hoe de invoering van een soort grievenstelsel zich verhoudt met handhaving van het beslissingsschema van de artikelen 348-350, merk ik het volgende op. Hetgeen de regering voorstelt behelst geen grievenstelsel in de zin dat de appellant op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep een schriftuur zou moeten indienen en dat de rechter in hoger beroep geen onderzoek zou mogen doen buiten de aangevoerde grieven om. Het gerechtshof kan dus wel degelijk op punten acht slaan waarover geen grief is geformuleerd, zelfs als in het geheel geen schriftuur is ingediend. Zulk ambtshalve onderzoek zal evenwel, anders dan de vragenstellers menen, niet standaard en in volle omvang geschieden maar een beperkt, aanvullend karakter dragen. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat bij het ontbreken van weerwoord van de verdachte onder omstandigheden bepaalde gebreken die mogelijk aan het voorbereidend onderzoek of het onderzoek in eerste aanleg kleven, niet tot vernietiging behoeven te leiden omdat de verdediging daarover noch in eerste aanleg noch in hoger beroep heeft geklaagd."(5)

10. Het middel werpt de vraag op of bij motivering van een op art. 416 Sv gebaseerde niet-ontvankelijkheid kan worden volstaan met verwijzing naar de wettelijke voorwaarden voor die niet-ontvankelijkheid, aangevuld met de overweging dat niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak zelf, of dat die niet-ontvankelijkheid uitgebreider dient te worden gemotiveerd.

11. Zoals de aangehaalde wetsgeschiedenis laat zien gaat de wetgever ervan uit dat Openbaar Ministerie en verdachte kenbaar maken welke bezwaren zij hebben tegen de uitspraak waarvan zij in beroep zijn gekomen. Het hoger beroep hoeft noch het Openbaar Ministerie noch de verdachte te beschermen tegen eigen inactiviteit. Daar staat tegenover dat de rechter niettemin de vrijheid houdt tot behandeling over te gaan en dan tot een ander oordeel te komen in de strafmaat en ambtshalve geconstateerde fouten te herstellen. De appelrechter behoudt immers volledig de eigen verantwoordelijkheid voor een juiste beantwoording van alle vragen van de artikelen 348 en 350 Sv.

12. Tegen deze achtergrond kan alleen van de rechter een nadere motivering van de op art. 416 Sv gebaseerde niet-ontvankelijkheid worden gevergd wanneer bij gebreke van een nadere motivering uit de stukken van het geding het ernstig vermoeden(6) rijst dat de rechter de verantwoordelijkheid voor een juiste beantwoording van alle vragen van de artikelen 348 en 350 Sv niet heeft waargemaakt. Zo kan het zijn dat de verdachte veroordeeld is voor een feit terwijl daarvoor zowel in het beroepen vonnis als in de overige stukken van het geding de bewijsmiddelen geheel ontbreken, dat het bewezenverklaarde feit verjaard lijkt te zijn, dat de verdachte is veroordeeld voor een feit dat niet (meer) strafbaar is, dat een hogere of andere straf is opgelegd dan toegestaan (ik wijs in dit verband ook even op het bepaalde in art. 63 Sv(7)) en zo meer.

13. Overigens dient bij de beoordeling van een niet-ontvankelijkheid op de voet van art. 416 Sv in aanmerking te worden genomen dat de beantwoording van de vraag of het belang van het appel zwaarder dient te wegen dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid aan het niet opgeven door de verdachte van bezwaren tegen het vonnis waarvan beroep in hoge mate afhankelijk is van de aan de feitenrechter voorbehouden weging en waardering van de omstandigheden van het geval. Dat brengt niet alleen mee dat het oordeel van de feitenrechter daaromtrent in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst (vgl. HR 2 februari 2010, LJN BK0910, NJ 2010, 88(8), ontbreken van appelschriftuur OM), maar ook dat in cassatie niet spoedig een ernstig vermoeden in bovenbedoelde zin zal kunnen worden aangenomen.

14. Van een ernstig vermoeden in bovenbedoelde zin is in het onderhavige geval in cassatie geen sprake. In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen spreken van het jaar 2008 heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aangenomen dat de vermelding van het jaar 2009 in de tenlastelegging berust op een kennelijke vergissing. Voorts heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte het voor opzetheling vereiste opzet had. Deze houden immers in dat de verdachte voor een bedrag van € 900 van twee voor hem onbekende jongens op straat drie televisietoestellen, verpakt in dichtgesealde dozen heeft gekocht.

15. Het voorgaande brengt mee dat het Hof zijn oordeel dat het ambtshalve geen redenen aanwezig achtte voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep dus niet uitgebreider behoefde te motiveren. Ik wijs in dit verband nog op HR 2 maart 2010, LJN BK8938, nr. 08/03232 (niet gepubl.). In deze zaak was namens de verdachte in cassatie geklaagd dat hij ten onrechte niet-ontvankelijk was verklaard in zijn hoger beroep. In de toelichting op het middel was onder andere aangevoerd dat het Hof ten onrechte had overwogen dat het ambtshalve geen redenen aanwezig achtte voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, althans dat deze beslissing onvoldoende met redenen was omkleed omdat één van de door de Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend was voor het bewezenverklaarde. Net als in de onderhavige zaak had het Hof naast de vaststelling dat er geen schriftuur was binnengekomen en evenmin ter terechtzitting mondeling bezwaren tegen het vonnis waren opgegeven, enkel genoemd dat het ambtshalve geen redenen zag voor een inhoudelijke behandeling. De Hoge Raad heeft dit middel met een aan art. 81 RO ontleende motivering afgedaan.

16. Het middel faalt.

17. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 8.

2 Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 11-13.

3 Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 3, p. 39.

4 Kamerstukken II 2005-2006, 30 320, nr. 6, p. 9-10.

5 Kamerstukken I 2005-2006, 30 320, C, p. 1-2.

6 Dit criterium wordt o.m. gehanteerd voor de beantwoording van de vraag of en in hoeverre het oordeel dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging dient te worden gemotiveerd; zie HR 29 september 1998, NJ 1999, 78, HR 14 december 2010, LJN BM9118. A.M. van Woensel, Stroomlijning: voortbouwen, afbouwen en doortimmeren, p. 22-23 in: Stroomlijning van het hoger beroep in strafzaken, P.G. Wiegel en R.E. de Winter (red.), Nijmegen, 2007. Van Woensel noemt als mogelijkheid om bij de beoordeling van de ontvankelijkheid aan te sluiten bij de invulling van het criterium van "de goede rechtsbedeling", dat toegepast wordt bij verlofzaken.

7 Zie over die bepaling M.J.A. Duker, De samenloopregeling herijkt, DD 2011, 43, p. 626 e.v.

8 Herhaald in HR 29 november 2011, LJN BR2340, NJ 2011, 583, rov. 2.6.3