Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9202

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
11/01457
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9202
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geldigheid dagvaarding hoger beroep. De opvatting in het middel dat de niet-inachtneming van de in art. 4.1 Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen, genoemde termijn van zeven dagen zonder meer leidt tot nietigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep, is in zijn algemeenheid onjuist (vgl. HR LJN BM4385). In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat is verzuimd de desbetreffende gerechtelijke mededeling gedurende de termijn van zeven dagen na de dag van aanbieding te bewaren op de in het bericht van aankomst vermelde plaats als bedoeld in art. 4 van het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen. Dit verzuim kan alleen tot nietigheid van de betekening van de dagvaarding leiden, indien blijkt van omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat de verdachte als gevolg van dit verzuim de desbetreffende mededeling niet tijdig in ontvangst heeft kunnen nemen op de in het bericht van aankomst vermelde plaats en hij daardoor is getroffen in zijn belang tijdig op de hoogte te worden gesteld van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. De stelling van de verdachte houdt niet met voldoende mate van verifieerbare duidelijkheid in dat de verdachte, aan wiens GBA-adres een afschrift van de dagvaarding is toegezonden, binnen de termijn van zeven dagen heeft getracht de gerechtelijke mededeling af te halen op de in het bericht van aankomst vermelde plaats en dientengevolge niet tijdig op de hoogte was van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is, is juist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 236
RvdW 2012/622
NJB 2012/1122
NJ 2012/323

Conclusie

Nr. 11/01457

Mr. Vellinga

Zitting: 7 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 8 maart 2010 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen het bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 4 december 2008, waarbij de verdachte wegens "Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994" werd veroordeeld tot een geldboete van € 300,--, subsidiair 6 dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden.

2. Namens verdachte heeft mr. J.J.O. Zandt, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over het kennelijke oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig was uitgereikt. Daarbij wordt erop gewezen dat de in art. 4, eerste lid, Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen genoemde termijn van zeven dagen niet is nageleefd.

4. Blijkens de aan het dubbel van de appeldagvaarding gehechte akte van uitreiking is de appeldagvaarding op 19 januari 2010 aangeboden op het adres [a-straat 1] te [plaats]. Omdat aldaar door de met uitreiking belaste ambtenaar niemand werd aangetroffen om de appeldagvaarding in ontvangst te nemen werd een bericht van aankomst achtergelaten waarin was vermeld dat de brief binnen een in dat bericht gestelde termijn kon worden afgehaald op een in dat bericht genoemd (post)kantoor of politiebureau. Op 25 januari 2010 te 8.00 uur is de appeldagvaarding teruggezonden naar de afzender waarna deze op 8 februari 2010 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank en een afschrift van de appeldagvaarding is gezonden naar het hiervoor genoemde adres.

5. In zijn arrest van 14 september 2010, LJN BM4385, NJ 2010, 500 overwoog de Hoge Raad:

"2.4 Het middel berust op de opvatting dat de niet-inachtneming van de in art. 4, eerste lid, [van het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen; WHV] genoemde termijn van zeven dagen leidt tot nietigheid van de betekening van de desbetreffende gerechtelijke mededeling, in dit geval de inleidende dagvaarding. Die opvatting is onjuist, aangezien de wet bedoeld verzuim niet met nietigheid bedreigt en uit de stukken van het geding niet blijkt van omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat het verzuim desalniettemin zou behoren te leiden tot nietigheid van de betekening van de dagvaarding. De Hoge Raad neemt daarbij in aanmerking dat het middel niets inhoudt omtrent enig belang waarin de verdachte is getroffen doordat de dagvaarding niet de volle zeven dagen op het postkantoor is bewaard."

6. In cassatie moet er gelet op het bepaalde in art. 4, eerste lid, van het Besluit kennisgeving gerechtelijke mededelingen vanuit worden gegaan dat in het bericht van aankomst een termijn is genoemd van zeven dagen na de dag van aanbieding.

7. In het onderhavige geval is de appeldagvaarding op de zesde dag van de termijn van zeven dagen, 's morgens om acht uur, teruggezonden naar de afzender. Daarmee miste de verdachte (bijna) twee volle dagen van de termijn van zeven dagen waarbinnen hij de appeldagvaarding op het in het bericht van aankomst genoemde (post)kantoor of politiebureau kon afhalen en bestaat er dus een gerede kans dat hij zich tijdig naar het op het bericht van aankomst vermelde adres heeft begeven om de appeldagvaarding in ontvangst te nemen terwijl deze al was teruggezonden aan de afzender, dus in weerwil van de in het bericht van aankomst vermelde termijn te vroeg.

8. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat toen de verdachte het schrijven vlak na 24 januari 2010 trachtte af te halen hem werd verteld dat het stuk was geretourneerd aan afzender. Voorts wordt erop gewezen dat aan het bericht van aankomst niet valt te zien dat dit betrekking heeft op een gerechtelijk schrijven. Daarmee heeft verdachte in de omstandigheden van het onderhavige geval voldoende concreet te kennen gegeven dat hij door het niet in acht nemen van genoemde termijn van zeven dagen in zijn belang op de hoogte te worden gesteld van de dag van behandeling van zijn zaak in hoger beroep is geschaad in die zin dat hij de appeldagvaarding op het in het bericht van aankomst vermelde adres in ontvangst had kunnen nemen wanneer genoemde termijn van zeven dagen in acht was genomen. Nauwkeuriger opgave kan van de verdachte moeilijk worden verlangd omdat aan het bericht van aankomst niet valt te ontlenen welk stuk op hem lag te wachten en hij dus geen reden had datum en tijdstip waarop hij het stuk heeft pogen af te halen vast te leggen.

9. In voormelde omstandigheden heeft het Hof door zonder meer aan het negeren van genoemde termijn voorbij te gaan zijn kennelijke oordeel dat de appeldagvaarding op juiste wijze is betekend onvoldoende met redenen omkleed.

10. Het middel slaagt.

11. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

12. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG