Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9201

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
11/01034
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9201
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 5 (oud) en 8 Leerplichtwet 1969 (LPW). 1. De opvatting in het middel dat ook nadat de jongere leerplichtig is geworden een eerste kennisgeving houdend een beroep op vrijstelling als bedoeld in art. 5.ahf.b (oud), LPW kan worden ingediend vindt geen steun in het recht. Het oordeel van het Hof dat het stelsel van de LPW niet voorziet in de mogelijkheid om, na ommekomst van de eerste leerplichtige periode dan wel het eerste leerplichtige schooljaar waarin geen geldige verklaring is of kon worden gedaan, voor een volgend schooljaar alsnog een dergelijke kennisgeving in te dienen teneinde een vrijstelling te verkrijgen, is juist. 2. De opvatting in het middel dat art. 8.2 LPW niet van toepassing is als de jongere geplaatst is of is geweest op een openbare basisschool, aangezien een dergelijke school per definitie geen “richting” heeft, is onjuist. Bedenkingen tegen de richting van het onderwijs als bedoeld in art. 5.ahf.b (oud), LPW kunnen ook hierin bestaan dat bedenkingen bestaan tegen het ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs, zodat art. 8.2 LPW ook van toepassing is wanneer de jongere op een openbare school geplaatst is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 235
RvdW 2012/633
NJ 2012/270
NJB 2012/1123

Conclusie

Nr. 11/01034

Mr. Vellinga

Zitting: 7 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "overtreding van het bepaalde bij artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, meermalen gepleegd" (feit 1 en 2) veroordeeld tot een geldboete van € 250,- subsidiair 5 dagen hechtenis (feit 1) en tot twee geldboeten van telkens € 250,- subsidiair telkens 5 dagen hechtenis (feit 2).

2. Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/01031, 11/01032 en 11/01034. In al deze zaken zal ik vandaag concluderen.

3. Namens verdachte heeft mr. P. Lesquillier, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

4. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"1.

zij in de periode van 20 oktober 2006 tot en met 23 oktober 2007 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen als degene die het gezag uitoefende over de jongere, [betrokkene 1] geboren op [geboortedatum] 2001, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere als leerling van enige school was ingeschreven;

2.

zij in de periode van 10 september 2007 tot en met 5 oktober 2007 te Egmond aan Zee, gemeente Bergen (NH), als degene die het gezag uitoefende over de jongeren [betrokkene 2] geboren [geboortedatum] 1999 en [betrokkene 3] geboren [geboortedatum] 1997, niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, die als leerlingen van een school, te weten [A], waren ingeschreven, die school na inschrijving geregeld bezochten."

5. Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat over de tenlastegelegde periode van rechtswege geen vrijstelling van de inschrijvingsverplichting in de zin van art. 5, aanhef en onder b, (oud) van de Leerplichtwet 1969 tot stand is gekomen.

6. Het middel ziet op de volgende in het arrest onder 1.4.2. weergegeven overweging:

"1.4.2. De schooljaren 2006-2007 en 2007-2008

De raadsvrouwe is kennelijk van oordeel dat in het onderhavige geval, na ommekomst van de periode van 14 december 2005 tot en met 13 december 2006, zijnde de periode van één jaar nadat [betrokkene 1] van school werd uitgeschreven, danwel na ommekomst van het schooljaar 2005-2006, door de verdachte voor de opvolgende schooljaren opnieuw verklaringen konden worden gedaan teneinde zich te kunnen beroepen op de vrijstelling van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969. De kennisgevingen met verklaringen van die strekking zijn ingediend op 21 en 27 juni 2006 en 18 juni 2007.

De opvatting van de raadsvrouwe vindt evenwel geen steun in het recht. Artikel 6, tweede lid, van de Leerplichtwet maakt immers een onderscheid tussen:

- de kennisgeving die betrekking heeft op het schooljaar waarin de leerplicht aanvangt (hierna: a-kennisgeving), en

- de opvolgende kennisgeving(en), waarbij - zo begrijpt het hof - een voor het eerste leerplichtige schooljaar verkregen vrijstelling wordt gecontinueerd (hierna: b-kennisgeving).

Gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Leerplichtwet 1969 is het hof van oordeel dat het stelsel van de Leerplichtwet 1969 niet voorziet in de mogelijkheid om, na ommekomst van de eerste leerplichtige periode dan wel het eerste leerplichtige schooljaar, waarin geen geldige verklaring is of kon worden gedaan, voor een volgende periode of een volgend schooljaar alsnog een a-kennisgeving in te dienen teneinde een vrijstelling te verkrijgen. Uit de parlementaire verhandeling over het ontwerp-artikel 8 van de Leerplichtwet 1969 volgt dat de restrictieve toepassing van deze bepaling uitdrukkelijk beoogd is. Op vragen van de woordvoerder van D'66 antwoordde het kabinet:

"Inderdaad betekent deze bepaling, dat, wanneer een kind eenmaal op een school is geplaatst, het niet meer voor de vrijstelling bedoeld in dit artikel in aanmerking komt, tenzij het verhuist of er geen school voor voortgezet onderwijs is binnen redelijke afstand van de woning van dezelfde richting als de school voor gewoon lager onderwijs."

(Memorie van Antwoord, Bijl. Hand. 11, 1967-1968, 9039, nr. 5, p. 14.)

Kennelijk heeft de wetgever niet voorzien - of geen rekening willen houden met - de mogelijkheid dat, zoals in dit geval verdachte, ouders een verdieping in hun geloof kunnen doormaken, waardoor op een later moment dan de aanvang van de leerplichtige leeftijd van het kind overwegende bedenkingen ontstaan tegen de richting van de school of de instelling waarop het kind geplaatst is. Een andere duiding van de Leerplichtwet 1969 gaat de rechtsvormende taak van de rechter daarom te buiten.

Uit het voorgaande volgt dat over de gehele tenlastegelegde periode van rechtswege geen vrijstelling van de inschrijvingsverplichting in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 tot stand is gekomen."

7. De ten tijde van de bewezenverklaarde feiten geldende, hierna opgenomen art. 2, 5, 6 en 8 Leerplichtwet 1969 zijn behoudens - voor wat betreft de art. 2 en 5 - enkele hier niet ter zake doende verschillen gelijkluidend aan de huidige art. 2, 5, 6 en 8 Leerplichtwet 1969. Laatstgenoemde bepalingen luiden voor zover hier van belang:

"Art. 2. Verantwoordelijke personen

1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. Bij de inschrijving wordt een van overheidswege verstrekt document of een bewijs van uitschrijving van een andere school overgelegd waarop de gegevens van de jongere betreffende zijn geslachtsnaam, voorletters, geboortedatum, geslacht en burgerservicenummer of bij gebreke daarvan zo mogelijk zijn onderwijsnummer zijn vermeld. Indien de in de eerste volzin bedoelde personen bij de inschrijving aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere kunnen overleggen, leggen zij het burgerservicenummer of onderwijsnummer van de jongere over aan de school zodra zij daarvan kennis hebben verkregen.

2. (...)

3. (...)

4. (...)

5. (...)

Art. 5. Gronden voor vrijstelling van inschrijving

De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen zijn vrijgesteld van de verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school onderscheidenlijk een instelling staat ingeschreven, zolang

a. de jongere op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is om tot een school onderscheidenlijk een instelling te worden toegelaten;

b. zij tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning- of, indien zij geen vaste verblijfplaats hebben, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen hebben;

c. de jongere als leerling van een inrichting van onderwijs buiten Nederland staat ingeschreven en deze inrichting geregeld bezoekt.

Art. 6. Kennisgeving

1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar de jongere als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens is ingeschreven, hebben kennis gegeven, voor welke jongere en op welke grond zij daarop aanspraak menen te mogen maken.

2. Deze kennisgeving moet worden ingediend:

a. ten minste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt, indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht, en

b. zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, elk jaar opnieuw voor 1 juli.

3. Het tweede lid onder b is niet van toepassing, indien uit de in artikel 7 bedoelde verklaring blijkt, dat de jongere nooit geschikt zal zijn een school onderscheidenlijk een instelling te bezoeken.

Art. 8. Bedenkingen tegen richting van school

1. Een beroep op vrijstelling op grond van artikel 5 onder b kan slechts worden gedaan, indien de kennisgeving de verklaring bevat, dat tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning - of, bij het ontbreken van een vaste verblijfplaats, op alle binnen Nederland - gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden, overwegende bedenkingen bestaan.

2. Deze verklaring is niet geldig, indien de jongere in het jaar, voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, geplaatst is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit."

8. In de onderhavige zaak is bewezenverklaard dat de verdachte niet heeft voldaan aan de verplichting om haar zoon, geboren op [geboortedatum] 2001, in te schrijven als leerling van een school in de periode van 20 oktober 2006 tot en met 23 oktober 2007. Verdachtes zoon stond van 27 februari 2005 tot 14 december 2005, dus voordat hij leerplichtig was, ingeschreven op openbare basisschool [A]. Nadat hij op 1 maart 2006 leerplichtig was geworden (art. 3 lid 1 Leerplichtwet 1969) heeft hij niet meer ingeschreven gestaan als leerling van een school. De verdachte heeft op 26 januari 2006 door middel van een kennisgeving verklaard bedenkingen te hebben als bedoeld in art. 5 onder b (oud) Leerplichtwet 1969.(1) Het Hof heeft geoordeeld dat deze verklaring ongeldig was omdat verdachtes zoon in het schooljaar 2004-2005 op [A] ingeschreven heeft gestaan. Vervolgens heeft de verdachte op 21 en 27 juni 2006 en 18 juni 2007 wederom dergelijke kennisgevingen ingediend.(2) Het Hof heeft ten aanzien van deze kennisgevingen geoordeeld dat de verdachte zich niet opnieuw kon beroepen op de vrijstelling van art. 5, aanhef en onder b, (oud) van de Leerplichtwet 1969.

9. Het middel stelt de vraag aan de orde of ook nadat de leerplicht is aangevangen een kennisgeving houdend een beroep op vrijstelling als bedoeld in art. art. 5 onder b (oud) Leerplichtwet 1969 kan worden ingediend.

10. Oorspronkelijk luidde art. 6 Leerplichtwet 1969:

"1. De in artikel 2 bedoelde personen kunnen zich slechts beroepen op vrijstelling, indien zij aan burgemeester en wethouders van de gemeente waar het kind in het bevolkingsregister is opgenomen, dan wel aan Onze minister, indien het kind is opgenomen in het centrale bevolkingsregister, hebben kennis gegeven, voor welk kind en op welke grond zij daarop aanspraak menen te mogen maken.

2. Deze kennisgeving moet, zolang aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, ieder jaar vóór 1 juli opnieuw worden ingediend.

3. Het tweede lid is niet van toepassing, indien uit de in artikel 7 bedoelde verklaring van een arts blijkt, dat het kind nooit geschikt zal zijn een school te bezoeken."

11. De tekst van art. 6 van de Leerplichtwet 1969 is - na enkele ondergeschikte aanpassingen - op 1 augustus 1985(3) bij de Overgangswet Wet op het basisonderwijs in het bijzonder voor wat betreft het tweede lid gewijzigd en luidt sindsdien - afgezien van enkele hier niet van belang zijnde, nadien doorgevoerde wijzigingen - als hiervoor onder 7 weergegeven. Deze wijziging in het tweede lid van art. 6 kan zijn ingegeven door het feit dat in de oude bepaling geen termijn voor indiening van een eerste kennisgeving was opgenomen. Art. 6 lid 2 (oud) Leerplichtwet 1969 sprak immers van "opnieuw" indienen van een kennisgeving, houdende een aanspraak op vrijstelling. Het is ook mogelijk dat de wijziging zijn oorzaak vindt in de bij genoemde overgangswet aangebrachte wijziging in het tijdstip van aanvang van de leerplicht.(4) Ving de leerplicht oorspronkelijk aan op 1 augustus van het jaar waarin het kind de leeftijd van zes jaar en acht maanden had bereikt, door genoemde overgangwet werd dit vaste tijdstip verlaten en werd een jongere leerplichtig vanaf de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar heeft bereikt (art. 3 lid 1 Leerplichtwet 1969).

12. De huidige wettelijke regeling houdt in dat een kennisgeving moet worden ingediend tenminste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt (indien zij betrekking heeft op de aanvang van de leerplicht zoals de wet vermeldt) en dat voor ieder volgend schooljaar waarvoor aanspraak op die vrijstelling wordt gedaan opnieuw een kennisgeving moet worden gedaan, en wel vóór 1 juli (art. 6 lid 2 Leerplichtwet 1969). Voor die laatste verplichting wordt in art 6 lid 3 een uitzondering gemaakt voor jongeren die op lichamelijke of psychische gronden niet geschikt zijn om tot een school c.q. instelling te worden toegelaten.

13. Uit het bepaalde in art. 6 Leerplichtwet 1969 valt niet af te leiden of ook na aanvang van de leerplicht nog een eerste kennisgeving kan worden gedaan. De wijziging van het oorspronkelijke art. 6 was - aldus de memorie van toelichting - technisch van aard. Daarin ligt besloten dat art. 6 niet meer regelt dan de termijn waarbinnen een kennisgeving moet worden gedaan. Heeft de kennisgeving betrekking op de aanvang van de leerplicht, dan dient deze te worden gedaan tenminste een maand voordat de jongere leerplichtig wordt. Zolang nadien aanspraak op vrijstelling wordt gemaakt, dient elk jaar opnieuw voor 1 juli een kennisgeving te worden gedaan, dus kennelijk voor ieder schooljaar volgend op het schooljaar waarin de jongere leerplichtig wordt.

14. Art. 6 voorziet niet in een termijn voor het doen van een eerste kennisgeving indien een jongere gedurende zijn leerplichtige jaren, bijvoorbeeld door ziekte of ongeval, op lichamelijke of psychische gronden ongeschikt wordt om tot een school c.q. instelling te worden toegelaten (art. 5, aanhef en onder a, Leerplichtwet).(5) Dat is ook geen wonder want daarvoor valt moeilijk een termijn te bepalen. Aan art. 6 valt dan ook geen aanwijzing te ontlenen dat na de aanvang van de leerplichtige leeftijd niet voor het eerst een dergelijke kennisgeving kan worden gedaan. Dat geldt ook voor het doen van een eerste kennisgeving op grond van overwegende bedenkingen tegen - kort gezegd - de richting van de school (art. 5, aanhef en onder b)(6), of voor een eerste kennisgeving omdat een leerling bij een school buiten Nederland staat ingeschreven (art. 5, aanhef en onder c). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan leerlingen wonende in de grensstreek die vooruitlopend op een verhuizing van de ouders in België of Duitsland naar school gaan. Maar aan art. 6 valt, anders dan in de toelichting op het middel wordt betoogd, ook geen aanwijzing te ontlenen dat ook na aanvang van de leerplicht alsnog een kennisgeving van overwegende bedenkingen tegen de richting van de school kan worden gedaan. Het ontbreken van een termijn kan er immers ook op wijzen dat de wetgever een dergelijke kennisgeving niet mogelijk achtte.(7)

15. De vraag is dus of de Leerplichtwet zich anderszins verzet tegen een eerste kennisgeving, gebaseerd op bedenkingen tegen de richting van de school, gedaan na aanvang van de leerplicht. Over de huidige tekst van art. 8, tweede lid van de Leerplichtwet 1969 bevat het Voorlopig Verslag(8) de volgende vraag:

"Deze bepaling betekent volgens de woordvoerder van D'66 in feite dat, wanneer een kind eenmaal op een school geplaatst is, het nooit meer voor de vrijstelling in aanmerking komt, tenzij het verhuist of tenzij er een nieuwe school in de buurt wordt gebouwd. Het kind zal immers altijd "het jaar voorafgaande aan de dagtekening" op de gewraakte school zitten. Is dit werkelijk de bedoeling van het artikel?"

16. Daarop antwoordde de Minister bij memorie van antwoord:

"Inderdaad betekent deze bepaling, dat, wanneer een kind eenmaal op een school is geplaatst, het niet meer voor de vrijstelling bedoeld in dit artikel in aanmerking komt, tenzij het verhuist of er geen school voor voortgezet onderwijs is binnen redelijke afstand van de woning van dezelfde richting als de school voor gewoon lager onderwijs."(9)

17. Zoals ook mijn ambtgenoot Vegter opmerkt in zijn conclusie bij HR 15 februari 2011, LJN BM6898, blijkt uit dit antwoord in ieder geval dat de wetgever zich bewust was van de beperkende werking van art. 8 lid 2 van de Leerplichtwet 1969 op de mogelijkheid van vrijstelling op grond van art. 5 onder b van diezelfde wet. Is een jongere eenmaal op een school geplaatst(10), dan kan dus geen rechtsgeldige kennisgeving houdende bedenkingen tegen de richting van de school waarop de jongere is geplaatst, worden gedaan. Dit geldt ook indien de jongere toen hij op de school werd geplaatst, nog niet leerplichtig was.(11) Of, zoals Sperling(12) schrijft, de wetgever wilde vrijstelling alleen nog toestaan met betrekking tot kinderen die nog nooit naar school zijn geweest.

18. De wettelijke regeling is niet zonder kritiek gebleven.(13) Het ligt mijns inziens echter niet op de weg van de rechter maar op die van de wetgever om te bepalen of aan die kritiek tegemoet kan worden gekomen.

19. De vraag is hoe moet worden geoordeeld als - zoals in het onderhavige geval - de jongere aanvankelijk ingeschreven is geweest op een school onderscheidenlijk een instelling van de richting waartegen bedenkingen worden geuit, maar nadien, in het jaar voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, hoewel leerplichtig, dus in strijd met de wet(14) in het geheel niet bij een school of instelling ingeschreven is geweest. Gelet op de bedoeling van art. 8 lid 2, zoals deze zowel in de tekst van de wet als de hiervoor aangehaalde passage van de memorie van antwoord tot uitdrukking komt, meen ik dat de jongere, gelet op de wettelijke verplichting tot inschrijving, gerekend moet worden ook in het jaar voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, ingeschreven te zijn geweest bij de school waar de jongere oorspronkelijk ingeschreven was. Zou anders worden geoordeeld dan zou de regeling van art. 8 lid 2 eenvoudig kunnen worden omzeild door een jongere gedurende het jaar voorafgaande aan de kennisgeving niet bij een school ingeschreven te doen staan, ook al zou dat laatste in strijd zijn met de wet.

20. Ik keer nu terug tot het bepaalde in art. 6 lid 2 Leerplichtwet 1969. Gelet op het bepaalde in art. 8 lid 2 van die wet moet art. 6 Leerplichtwet 1969 aldus worden verstaan dat deze bepaling, als een jongere eenmaal op een school is geplaatst, niet voorziet in een rechtsgeldige kennisgeving houdende een beroep op een vrijstelling van de verplichting tot inschrijving als bedoeld in art. 2 lid 1 Leerplichtwet 1969 op grond van bedenkingen tegen de richting van de school waarop de jongere is geplaatst. Evenmin voorziet deze bepaling in een kennisgeving als vorenbedoeld wanneer - zoals in het onderhavige geval - de jongere aanvankelijk ingeschreven is geweest op een school van de richting waartegen bedenkingen worden geuit, maar nadien, in het jaar voorafgaande aan de dagtekening van de kennisgeving, hoewel leerplichtig, dus in strijd met de wet(15) in het geheel niet bij een school of instelling ingeschreven is geweest. Een en ander betekent dat het Hof geen blijk heeft gegeven van onjuiste uitleg van het bepaalde in art. 6 Leerplichtwet 1969 en anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld het onder 1 en het onder 2 tenlastegelegde voor wat betreft de rechtsgeldigheid van de kennisgevingen niet afzonderlijk had te beoordelen.

21. Het middel stelt voorts aan de orde dat het Hof, door verdachtes beroep op vrijstelling van het in art. 2, eerste lid, (oud) van de Leerplichtwet 1969 bepaalde te verwerpen, inbreuk heeft gemaakt op art. 7, 8 en 9 van het EVRM en art. 2 Eerste Protocol bij het EVRM.

22. Het middel miskent dat de in art. 2, eerste lid, (oud) Leerplichtwet 1969 neergelegde verplichting geen inbreuk maakt op het in art. 8 EVRM neergelegde recht van de verdachte of haar kinderen op bescherming van "private and family life" (HR 11 februari 2003, LJN AF0453). Daarnaast maakt art. 2 (oud) Leerplichtwet 1969, mede gelet op de in Nederland bestaande vrijheid van ouders hun kinderen de school van hun keuze te doen bezoeken, dan wel een zelf opgerichte school waar volgens hun opvattingen les wordt gegeven, alsmede gelet op de mogelijkheid tot vrijstelling als bedoeld in art. 5 aanhef en onder b (oud) Leerplichtwet 1969, geen inbreuk op de door art. 9, eerste lid, EVRM en art. 2 Eerste Protocol EVRM gewaarborgde rechten (vgl. HR 19 november 1996, DD 97.099, HR 11 februari 2003, LJN AF0453). Dat geldt ook voor het geval overeenkomstig het bepaalde in art. 8 lid 2 Leerplichtwet 1969 niet aan de bedenkingen tegemoet kan worden gekomen omdat het kind eerder bij een school geplaatst is geweest (vgl. HR 15 februari 2011, LJN BM6898). Voor zover in de toelichting op het middel een beroep wordt gedaan op art. 7 EVRM gaat het eraan voorbij dat het bewezenverklaarde onmiskenbaar overtreding oplevert van het bepaalde bij artikel 2, eerste lid, (oud) van de Leerplichtwet 1969.

23. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

24. Het tweede middel richt zich tegen het ongeldig verklaren van de kennisgeving van 26 januari 2006.

25. Het middel ziet op de volgende overweging in 's Hofs arrest:

"1.4.1. Het schooljaar 2005-2006

De kennisgeving waarin verklaard wordt dat bedenkingen bestaan in de zin van artikel 5, aanhef en onder b, van de Leerplichtwet 1969 diende ingevolge artikel 6, tweede lid, aanhef en onder a,

tenminste één maand voordat [betrokkene 1] leerplichtig werd, te weten op 1 maart 2006, te worden ingediend.

Hoewel deze kennisgeving tijdig, te weten op 26 januari 2006, is gedaan, is sprake van een ongeldige verklaring, nu [betrokkene 1] in het schooljaar 2004-2005 op [A] ingeschreven heeft gestaan, zodat de inschrijvingsvrijstelling niet van rechtswege tot stand is gekomen.

Dat [betrokkene 1] in die periode niet leerplichtig was doet daaraan niet af (vgl. HR 14 oktober 2003, LJN: AJ0497)."

26. Blijkens de toelichting berust het middel op de gedachte dat art. 8, tweede lid, van de Leerplichtwet 1969 niet van toepassing is als het kind geplaatst is of is geweest op een openbare basisschool, aangezien een dergelijke school, gelet op het bepaalde in art. 23 Grondwet, per definitie geen richting heeft.

27. De in de toelichting op het middel voorgestane lezing van art. 8, tweede lid van de Leerplichtwet 1969 komt erop neer dat in geval van een openbare school geen overwegende bedenkingen tegen de richting van de school kunnen bestaan. Heeft het onderwijs op een school, zoals volgens de toelichting op het middel het onderwijs op een openbare school, geen richting in de zin van art. 23 lid 5 Grondwet, dan valt immers ook niet in te zien dat overwegende bedenkingen tegen de richting van die school kunnen bestaan. Daarmee zou aan de onderhavige kennisgevingen iedere grond komen te ontvallen. Dat lijkt mij niet te stroken met verdachtes opvatting.

28. Bedenkingen tegen de richting van het onderwijs in de in art. 5, aanhef en onder b, Leerplichtwet 1969 bedoelde zin kunnen mijns inziens ook hierin bestaan dat er - zoals kennelijk in het onderhavige geval - bedenkingen bestaan tegen het ontbreken van enige levensbeschouwelijke of godsdienstige richting van het onderwijs.(16) Zou het anders zijn dan zou een bedenking tegen de richting van een school steeds kunnen worden opgevangen door een jongere in te schrijven bij een openbare school, in de in de toelichting op het middel ontwikkelde visie een school zonder richting. Zoals - onder meer - de onderhavige zaak laat zien is dat niet het geval.

29. Het middel faalt.

30. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Arrest onder 1.2. (p. 3). De hier door het Hof vastgestelde feiten worden in cassatie niet bestreden.

2 Arrest onder 1.4.2. (p. 4).

3 Stb. 1983, 727.

4 Zo J. Sperling en Th. Storimans: Recht op onderwijs, ouders en leerplicht, Themakatern Regelingen Leerplicht, Sdu Uitgevers, Den Haag, 2010. Zie hoofdstuk V, paragraaf 2, p. 52-54.

5 Daaraan lijken J. Sperling en Th Storimans, Recht op onderwijs, ouders en leerplicht, Themakatern Regelingen Leerplicht, SDU Uitgevers Den Haag 2010, p. 54 voorbij te gaan.

6 J. Sperling en Th. Storimans, Recht op onderwijs, ouders en leerplicht, Themakatern Regelingen Leerplicht, SDU Uitgevers Den Haag 2010, p. 53.

7 In deze zin J. Sperling, "Vrijstelling van de Leerplichtwet op grond van richtingbezwaren", in: Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 1-2005, p. 22.

8 Kamerstukken II 1967-1968, 9039, Voorlopig Verslag, p. 7, 8.

9 Kamerstukken II 1967-1968, 9039, Memorie van Antwoord, p. 14.

10 Th. Storimans (Selectie en toegang tot het onderwijs, onder redactie van P.W.A. Huisman en P.J.J. Zoontjens, Kluwer Deventer 2009, p. 58) wijst erop dat de begrippen inschrijving en plaatsing door elkaar worden gebruikt. Toch is er zijns inziens verschil. Is een jongere ingeschreven bij een school dan heeft hij recht op plaatsing, dat wil zeggen op aanwijzing van de locatie van de school of van de klas waar hij onderwijs kan volgen. In de onderhavige zaak lijkt dit verschil niet relevant. Zie ook a.w. p.69: uitgangspunt van de onderwijswetten die voor de leerplichtvervulling van belang zijn is dat een toegelaten en ingeschreven leerling vanaf de eerstvolgende schooldag op de school behoort te worden geplaatst.

11 HR 14 oktober 2003, LJN AJ0497.

12 J. Sperling, "Vrijstelling van de Leerplichtwet op grond van richtingbezwaren", in: Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid, 1-2005, p. 20. Zie ook p. 25.

13 Zie voor kritiek op de wettelijke regeling J. Sperling en Th Storimans, Recht op onderwijs, ouders en leerplicht, Themakatern Regelingen Leerplicht, SDU Uitgevers Den Haag 2010, p. 60-62.

14 Zie hetgeen het Hof overweegt onder 1.4.1.

15 Zie hetgeen het Hof overweegt onder 1.4.1.

16 De richting van de school heeft betrekking op de godsdienstige of levensbeschouwelijke grondslag van de school. Zo o.a. B.P. Vermeulen, De juridische (on)mogelijkheden van een richtingvrij stelsel van scholenplanning en van vergroting van de ouderinvloed op de identiteit van scholen, Onderwijskundig preadvies in opdracht van de Onderwijsraad, 1995, p. 7.