Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9117

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
10/04509
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9117
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beslag. Verbeurdverklaring. Het Hof heeft in zijn overweging tot uitdrukking gebracht dat het heeft vastgesteld dat verdachte het onder 4 bewezenverklaarde witwassen heeft begaan ten aanzien van de onder hem inbeslaggenomen geldbedragen die hij weliswaar niet door het hem onder 2 tenlastegelegde, maar niettemin door de handel in verdovende middelen had verworven. Gelet op dit niet onbegrijpelijke oordeel is de beslissing t.a.v. de inbeslaggenomen geldbedragen niet onverenigbaar met de vrijspraak t.z.v. het onder 2 tenlastegelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 10/04509

Mr. Vellinga

Zitting: 7 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "1. poging tot opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod", "3. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" en "4. witwassen" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof twee zaktelefoons, een geldbedrag van € 922,35 en een geldbedrag van € 2935,- verbeurd verklaard en de teruggave gelast van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven bankbescheiden (Rabobank), een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. H. Loth, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het Hof de beslissing tot verbeurdverklaring van de geldbedragen onvoldoende met redenen heeft omkleed.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte bewezenverklaard dat:

"1. hij op 26 mei 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk te verkopen aan [betrokkene 1] ongeveer 0,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, opzettelijk

- één of meer telefonische contact(en) heeft onderhouden met die [betrokkene 1] en

- die [betrokkene 1] heeft ontmoet teneinde geld en verdovende middelen uit te wisselen;

3. hij op 26 mei 2008 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad 33,3 gram van een materiaal bevattende cocaïne;

4. hij op 26 mei 2008 in Nederland een geldbedrag, te weten ongeveer 4000 Euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig misdrijf."

5. Het Hof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod" omdat naar oordeel van het Hof niet vastgesteld kan worden dat de verdachte zich in de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan de verkoop van verdovende middelen.

6. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft het Hof een verweer van de verdachte met betrekking tot de herkomst van de beide aangetroffen geldbedragen als volgt samengevat en verworpen:

"Bij de verdachte zijn grote geldbedragen in beslag genomen. Hij had een bedrag van EUR 922,35 bij zich op het moment van zijn aanhouding. Tevens is later in zijn woning een bedrag van EUR 2.935,- aan getroffen. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het geld dat hij bij zich had kasgeld betrof uit zijn eigen onderneming. Over het geld dat bij hem thuis aangetroffen is, heeft hij verklaard dat het een restant was van een lening van EUR 9.000, - waarvan hij dagelijkse boodschappen en zijn rekeningen betaalde.

Deze verklaring voor het bezit van het geld is naar het oordeel van het hof niet geloofwaardig en hoogst onwaarschijnlijk. Zo heeft verdachtes broer tegen de politie verklaard dat de verdachte nooit geld had en dat hij niet begrijpt hoe de verdachte aan het inbeslaggenomen geld kan zijn gekomen. Nu het hier aanzienlijke geldbedragen betreft en nu de verdachte bekent zich bezig te hebben gehouden met de verkoop van cocaïne, overweegt het hof dat het niet anders kan dan dat het geld aangetroffen bij de verdachte afkomstig is uit de handel in verdovende middelen. Het verweer wordt daarom verworpen."

Het Hof heeft vervolgens ten aanzien van de verbeurdverklaring overwogen:

"De hierna als zodanig te melden in beslag genomen telefoons en geldbedragen, te weten: een geldbedrag van EUR 922,35 en een geldbedrag van EUR 2.935,-. die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurdverklaard en zijn daarvoor vatbaar aangezien het onder 1 en 4 bewezen verklaarde met betrekking tot respectievelijk deze telefoons en deze geldbedragen is begaan."

7. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat 's Hofs oordeel dat de verdachte het inbeslaggenomen geldbedrag grotendeels heeft verkregen door middel van het bewezenverklaarde, niet zonder meer begrijpelijk is voor zover het Hof daaronder de handel in verdovende middelen verstaat, in aanmerking genomen dat de verdachte louter is veroordeeld ter zake van poging tot verkoop van 0,5 gram cocaïne en bezit van een hoeveelheid van 33,3 gram cocaïne' terwijl hij is vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde handelen in cocaïne.

8. Voor zover het middel berust op de opvatting dat het Hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verbeurdverklaarde geldbedragen door middel van het bewezenverklaarde zijn verkregen berust het op onjuiste lezing van het arrest van het Hof. Het Hof heeft de inbeslaggenomen geldbedragen immers verbeurdverklaard omdat de onder 1 en 4 bewezenverklaarde feiten met betrekking tot deze geldbedragen zijn begaan.

9. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot opzettelijk verkopen van cocaïne, dat verdachte volgens zijn voor het bewijs gebezigde verklaring 33.3 gram cocaïne aanwezig had, sporadisch cocaïne verkocht, en een aantal wikkels met cocaïne bij zich had toen hij werd aangehouden. Tevens is ten laste van hem het witwassen van een bedrag van € 4000 bewezen verklaard. Voorts in aanmerking genomen dat het Hof heeft overwogen dat het niet anders kan dan dat het geld aangetroffen bij de verdachte afkomstig is uit de handel in verdovende middelen heeft Het Hof toereikend gemotiveerd waarom de onder 1 en 4 bewezenverklaarde feiten met betrekking tot deze geldbedragen zijn begaan.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG