Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9108

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
10/04145
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9108
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: de schriftelijke volmacht van de advocaat aan de griffiemedewerker om beroep in cassatie in te stellen voldoet niet aan de eisen van HR LJN BJ7810. Verdachte n-o in het cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 10/04145

Mr. Vellinga

Zitting: 7 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens "Zware mishandeling" veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis en een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen, de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, en voor het toegewezen bedrag een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander als in het arrest vermeld.

2. Namens verdachte heeft mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen, één middel van cassatie voorgesteld.

3. Alvorens ik tot de bespreking van het middel overga, merk ik met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep het volgende op. Bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434, eerste lid, Sv toegezonden stukken bevindt zich een akte rechtsmiddel met daaraan gehecht een faxbericht d.d. 21 september 2010 van mr. S. Schuurman gericht aan de informatiebalie van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, inhoudende dat hij namens zijn cliënt de griffie machtigt om cassatie in te stellen tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 7 september 2010, met parketnummer 20/001881-09. De vraag is of deze schriftelijke volmacht van de advocaat aan een griffiemedewerker voldoet aan de door de Hoge Raad in zijn arrest van 22 december 2009, LJN BJ7810, NJ 2010/102 aan een dergelijke volmacht gestelde eis, te weten dat de volmacht dient in te houden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het cassatieberoep. In een zaak waarin de schriftelijke volmacht inhield dat de raadsman een van de griffiemedewerkers machtigde "om voor en namens mij c.q. mijn cliënt" cassatie in te stellen, oordeelde de Hoge Raad dat niet aan voornoemde eis was voldaan, en werd de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep.(1) In het onderhavige geval zou dit anders kunnen liggen, nu de onderhavige volmacht niet mede inhoudt dat verzocht wordt "voor en namens de raadsman" cassatie in te stellen. Niettemin meen ik dat in de volmacht niet besloten ligt dat de raadsman door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het cassatieberoep. "Namens mijn cliënt" betekent dat de raadsman het cassatieberoep instelt ter behartiging van de belangen van zijn cliënt en kan het geval omvatten dat hij daar met zijn cliënt niet over heeft gesproken, bepaaldelijk gevolmachtigd zijn door zijn cliënt betekent dat hij met zijn cliënt over het instellen van het beroep in cassatie gesproken en/of gecorrespondeerd heeft en deze hem te kennen heeft gegeven beroep in cassatie te willen instellen. Ik acht het cassatieberoep derhalve niet ontvankelijk.(2) Voor het geval de Hoge Raad hierover anders oordeelt bespreek ik het middel.

4. Het middel klaagt over de verwerping door het Hof van het beroep op noodweer(exces).

5. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op 22 februari 2009 te Rijswijk aan een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (gebroken neus), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een steel met kracht tegen diens hoofd te slaan."

6. Het bestreden arrest houdt, onder het hoofdje "Door het hof vastgestelde feiten" - met inbegrip van hier niet overgenomen voetnoten - het volgende in:

"Het hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de in deze kolom opgenomen noten wordt verwezen, het volgende vast.

Op 22 februari 2009, tussen 0.00 en 1.00 uur, heeft aan de [a-straat] te [plaats], een gewelddadige confrontatie plaatsgevonden tussen de verdachte en zijn buurman genaamd [slachtoffer], waarbij de verdachte laatstgenoemde opzettelijk met een houten steel van een bijl met kracht tegen het hoofd heeft geslagen.

Als gevolg van dat slaan door verdachte heeft [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel bekomen, te weten (onder meer) een gebroken neus met scheefstand. De stand van de neus van het slachtoffer zal niet meer oorspronkelijk worden."

7. Het Hof heeft het door de verdediging gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Strafbaarheid van de verdachte

A.

Door de raadsman is namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen niet strafbaar is, omdat hij heeft gehandeld in een situatie van noodweer als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en dat hij derhalve dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat het door de verdachte slaan van [slachtoffer] met een steel tegen diens hoofd, geboden was door de noodzakelijke verdediging van zijn, verdachtes, lijf tegen een ogenblikkelijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer].

Zijdens de verdachte is de volgende toedracht aan het verweer ten grondslag gelegd.

De verdachte stond samen met zijn echtgenote op straat nabij het erf van [slachtoffer], toen [slachtoffer] over zijn erf "als een leeuw" naar hen toe kwam lopen, dat wil zeggen met opgeheven armen onder het uiten van de woorden; "Nou bende de mijne!" De verdachte vreesde dat [slachtoffer] "hem wilde pakken" en hem over de stekelhaag die beide partijen op dat moment van elkaar scheidde zou trekken. Op het moment dat [slachtoffer] de verdachte wilde "pakken", heeft de verdachte hem uit zelfverdediging geslagen met de steel van een bijl die hij van huis had meegenomen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een dusdanig dreigende situatie dat bij de verdachte de gerechtvaardigde vrees kon ontstaan dat [slachtoffer] hem zou aanvallen, of zoals de verdachte dat noemt "hem wilde pakken". Het enkel met de armen omhoog in de richting van de verdachte lopen is daarvoor immers niet voldoende. Het hof hecht geloof aan de verklaring van [slachtoffer], afgelegd als getuige ter terechtzitting in hoger beroep, die inhoudt dat hij in de in de richting van de verdachte (en diens echtgenote) is gelopen en dat hij daarbij wellicht een vragend gebaar heeft gemaakt met twee handen omhoog en heeft gezegd; "Waar zijn jullie mee bezig?" Deze verklaring is immers in de kern gelijk aan de verklaring die hij bij gelegenheid van zijn aangifte tegenover de politie heeft afgelegd en vindt bevestiging in de verklaring die de verdachte zelf, kort na het voorval, heeft afgelegd, te weten dat [slachtoffer] druk met de armen gebarend op hem af kwam lopen.

C.

Aan de verklaring van de verdachte afgelegd bij het hof ter terechtzitting van 18 mei 2010, inhoudende dat [slachtoffer] tegen de verdachte zou hebben geroepen "Nou bende de mijne!", hecht het hof geen geloof. Indien [slachtoffer] -die overigens ontkent dat hij die woorden heeft gebezigd - zich daadwerkelijk op die wijze zou hebben uitgelaten in de richting van de verdachte zou het voor de hand hebben gelegen dat de verdachte dit reeds kenbaar had gemaakt bij zijn verhoor door de politie dan wel ter terechtzitting in eerste aanleg. Dát heeft hij evenwel niet gedaan.

D.

De verklaring van de verdachte met betrekking tot de toedracht lijkt (deels) steun te vinden in de verklaring van zijn echtgenote, [getuige], zowel ten overstaan van de politie als afgelegd ter terechtzitting van het hof van 24 augustus 2010. Het hof acht die verklaringen evenwel niet bruikbaar voor het bewijs, omdat die onderling op meerdere essentiële onderdelen niet met elkaar overeenstemmen.

Het hof wijst daarbij in het bijzonder op;

- de omstandigheid dat de getuige bij haar verhoor door de politie heeft verklaard dat zij voordat zij naar bed ging even uit het raam keek en toen [slachtoffer] zag die over het hek heen hing, terwijl zij ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat zij naar buiten keek omdat haar aandacht werd getrokken door gerammel aan het hek:

het was [slachtoffer] die met het hek rammelde;

- de omstandigheid dat de getuige bij haar verhoor door de politie heeft verklaard dat de verdachte en zij kort voorafgaand aan het feit bij de woning van [slachtoffer] door het raam hebben staan kijken om te kijken waar hij was en om "te laten merken hoe vervelend het is als iemand in je huis naar binnen staat te kijken", terwijl zij bij haar verhoor ter terechtzitting in hoger beroep nadrukkelijk heeft ontkend dat zulks heeft plaatsgevonden;

- de omstandigheid dat de getuige bij haar verhoor door de politie heeft verklaard dat zij niet heeft gezien dat de verdachte [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl zij ter terechtzitting van het hof heeft verklaard dat zij zag dat haar man [slachtoffer] ineens sloeg;

- de omstandigheid dat de getuige ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat zij en haar man na het onderhavige voorval nog door [slachtoffer] zijn achtervolgd, een omstandigheid waarvan zij bij haar verhoor door de politie geen enkel gewag heeft gemaakt en die in geen enkel ander voorhanden bewijsmiddel steun vindt.

E.

Bijgevolg wordt het verweer in zoverre verworpen.

F.

Door de raadsman is namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep voorts betoogd dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat er sprake was van een situatie van noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof verwerpt ook dit verweer nu, zoals hiervoor overwogen, niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een noodweersituatie."

8. In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat het Hof voorbij is gegaan aan de door de verdediging aangevoerde omstandigheden met betrekking tot het ontstaan van vrees bij de verdachte, te weten de voorgeschiedenis van de zaak, het verschil in postuur en leeftijd tussen het slachtoffer en verdachte, en de bewegingen en woorden waarmee het slachtoffer op verdachte afkwam.

9. Blijkens het bestreden arrest heeft het Hof met betrekking tot de toedracht van het slaan van [slachtoffer] door verdachte geloof gehecht aan de verklaring van [slachtoffer], inhoudende dat hij in de richting van verdachte (en diens echtgenote) is gelopen, dat hij daarbij wellicht met twee handen omhoog een vragend gebaar heeft gemaakt, en daarbij heeft gezegd: "Waar zijn jullie mee bezig?", en heeft het geen geloof gehecht aan de verklaring van de verdachte voor zover inhoudende dat [slachtoffer] tegen hem zou hebben geroepen "Nou bende de mijne!". In het licht van deze vaststellingen bezien is 's Hofs oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat sprake is geweest van een dusdanig dreigende situatie dat bij de verdachte de gerechtvaardigde vrees kon ontstaan dat het slachtoffer hem zou aanvallen niet onbegrijpelijk, en is dat oordeel toereikend gemotiveerd.(3) Gelet op het voorgaande kon het Hof voorbij gaan aan de (overige) door de verdediging met betrekking tot het ontstaan van vrees bij de verdachte aangevoerde omstandigheden.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt primair tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep in cassatie, subsidiair tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie HR 1 november 2011, LJN BT6444.

2 Zo ook mijn ambtgenoot Machielse in zijn conclusie in de zaak met het griffienummer 11/02302 (niet gepubliceerd).

3 Vgl. HR 8 november 2011, LJN BT2185.