Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9091

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
10/03655
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9091
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Salduz-verweer. De Hoge Raad herhaalt en verduidelijkt de toepasselijke overweging uit HR LJN BH3079. Het verzuim dat een aangehouden verdachte niet of niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste politieverhoor een advocaat te raadplegen, dient - behoudens de twee in HR LJN BH3079 genoemde uitzonderingen - zonder meer tot bewijsuitsluiting te leiden. Het Hof heeft dit miskend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/643

Conclusie

Nr. 10/03655

Mr. Vellinga

Zitting: 7 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens "Witwassen" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. Voorts heeft het Hof de teruggave aan verdachte gelast van een in beslag genomen telefoontoestel.

2. Namens verdachte heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat de door de verdachte op 11 en 12 november 2008 bij de Koninklijke Marechaussee afgelegde verklaringen, afgelegd voordat de verdachte in de gelegenheid was gesteld een advocaat te raadplegen, voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:

"Ten aanzien van het gevoerde "Salduz-verweer"

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 25 februari 2010 bepleit - met verwijzing naar "Salduz-jurisprudentie"- dat de processen-verbaal, houdende de verklaringen van de verdachte, voor zover deze door haar zijn afgelegd voordat zij een advocaat heeft kunnen raadplegen, door het hof van de bewijslevering moeten worden uitgesloten.

Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) waarborgt het aan de verdachte toekomende recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Met de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 november 2008 (inzake Salduz tegen Turkije) is de omvang van dat recht nader omlijnd, in die zin dat het recht op een eerlijke behandeling zich uitstrekt tot het recht op rechtsbijstand tijdens het opsporingsonderzoek. Het EHRM heeft immers overwogen dat het gebruik van verklaringen afgelegd gedurende het politieonderzoek inbreuk kan maken op het recht op een eerlijk proces, indien de verdachte voorafgaand aan het afleggen van die verklaringen geen toegang heeft gehad tot een advocaat. Op 30 juni 2009 is de betekenis van deze uitspraak voor de Nederlandse rechtspraktijk door de Hoge Raad gepreciseerd (LJN: BH3079). In de kern houdt die laatstbedoelde rechtspraak een stelsel van instructienormen in voor politie en justitie: de aangehouden verdachte dient voorafgaand aan diens eerste verhoor door de politie op zijn consultatierecht gewezen te worden en in beginsel dient aan hem de gelegenheid geboden te worden dat recht te verwezenlijken, nog voordat dat verhoor wordt gehouden.

De door de raadsman bedoelde verhoren van de verdachte hebben plaatsgevonden voordat deze instructienormen in de rechtspraak waren geformuleerd. Nu daaraan niet is voldaan, is desalniettemin sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het hof zal dienen na te gaan of en, zo ja, welke gevolgen aan dat verzuim behoren te worden verbonden.

Uit de stukken in het dossier volgt dat de verdachte op 11 november 2008 in verzekering is gesteld. Van de toepassing van dit dwangmiddel is de piketcentrale op diezelfde dag op de hoogte gebracht. Op achtereenvolgens 11, 12 en 13 november 2008 is zij als verdachte gehoord door de Koninklijke Marechaussee. Blijkens de van die verhoren opgemaakte processen-verbaal heeft de verdachte op 11 november 2008 en 12 november 2008 inhoudelijke verklaringen afgelegd met betrekking tot het haar ten laste gelegde. Op 12 november 2008 is de verdachte tussen 14:00 uur en 16:00 uur door een advocaat bezocht. Het hof stelt vast dat ook na evenbedoelde consultatie de verdachte op 13 november 2008 is doorgegaan met het afleggen van een verklaring, terwijl gesteld noch is gebleken dat zij wenste terug te komen op de inhoud van hetgeen door haar vóór die consultatie, op 11 en 12 november 2008, is verklaard. De verdachte heeft immers op 13 november 2008 op de vraag of zij naar aanleiding van haar vorige verklaring nog iets wilde verklaren, geantwoord: "het is allemaal goed zoals het is". Uit haar verhoren bij de rechtbank en ter terechtzitting bij het gerechtshof blijkt evenmin dat de verdachte wijzigingen wenste aan te brengen in die eerder afgelegde verklaringen. Bovendien is niet door of namens de verdachte aangevoerd dat zij zich op grond van haar eerdere verklaringen gedwongen heeft gevoeld voort te gaan met verklaren, hetgeen wel in de rede had gelegen indien daarvan sprake was geweest. Op grond van de hiervoor weergegeven gang van zaken neemt het hof aan dat de verdachte haar verklaringen in vrijheid heeft afgelegd.

Al hetgeen hiervoor is overwogen voert tot de slotsom dat, bezien in het licht van latere jurisprudentie, sprake is van een verzuim in de zin van artikel 359a Sv. Het hof is echter van oordeel dat aan dat verzuim in het onderhavige geval geen gevolgen dienen te worden verbonden, nu de verdachte ook na consultatie van een advocaat verklaringen heeft afgelegd, terwijl tot aan de procedure in eerste aanleg is gesteld noch gebleken dat zij wenste terug te komen op de inhoud van hetgeen door haar vóór consultatie is verklaard. Nu ook ter terechtzitting in hoger beroep niet, althans onvoldoende, is gespecificeerd op welke punten de verdachte niet gehouden mag worden aan de inhoud van de uit haar mond opgetekende verklaringen, en nu evenmin andere feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan de processen-verbaal van verhoor van de verdachte van de bewijslevering uitgesloten dienen te worden, zal het hof deze gebruiken voor het bewijs."

5. Bij de beoordeling van het middel dient vooropgesteld te worden hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009, 349, m.nt. T.M. Schalken, overwoog:

"2.5. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor.

Het vorenoverwogene brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken.

2.6. Het voorgaande ziet zowel op aangehouden strafrechtelijk volwassenen als op aangehouden strafrechtelijk jeugdigen. Opmerking verdient dat voor aangehouden jeugdige verdachten geldt dat zij tevens recht hebben op bijstand door een raadsman of een andere vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie.

2.7.1. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv.

2.7.2. Gelet op de uitleg die in HR 30 maart 2004, LJN AM2533, NJ 2004, 376 aan deze bepaling is gegeven, moet de rechter, indien ter zake verweer wordt gevoerd, beoordelen of aan een verzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. Een van die factoren is "de ernst van het verzuim". Op grond van de rechtspraak van het EHRM moet worden aangenomen dat in gevallen waarvan hier sprake is, een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Daarom zal, mede gelet op de overwegingen van het EHRM in de hiervoor onder 2.3.2 weergegeven § 55, na een daartoe strekkend verweer het in 2.7.1 omschreven vormverzuim in de regel - dus afgezien van hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de door de verdachte gedane afstand van het recht om een advocaat te raadplegen alsmede de door het EHRM gereleveerde dwingende redenen - dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen."

6. Voorts is van belang dat een verklaring die tot stand is gekomen in strijd met het bepaalde in art. 6 EVRM ook niet voor het bewijs kan worden gebruikt indien de verdachte nadien, na raadpleging van een advocaat dan wel met bijstand van een advocaat, een verklaring heeft afgelegd van dezelfde inhoud en/of strekking.(1)

7. Blijkens het bestreden arrest heeft het Hof vastgesteld dat verdachte bij de Koninklijke Marechaussee verklaringen heeft afgelegd zonder dat zij tevoren is gewezen op het recht een raadsman te raadplegen. Het Hof oordeelt vervolgens dat er sprake is van een verzuim in de zin van art. 359a Sv, maar dat aan het verzuim in het onderhavige geval geen gevolgen dienen te worden verbonden. Hierbij heeft het Hof betrokken dat verdachte ook na consultatie van een advocaat is doorgegaan met het afleggen van verklaringen, terwijl gesteld noch gebleken is dat verdachte bij de Koninklijke Marechaussee wenste terug te komen op de eerdere verklaringen en voorts dat uit de verhoren die verdachte bij de Rechtbank en het Hof heeft afgelegd niet is gebleken dat verdachte wijzigingen wilde aanbrengen in die eerdere verklaringen.

8. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5 en 6 is vooropgesteld, geeft 's Hofs oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit dient tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden nu het Hof als bewijsmiddelen 3, 4 en 5 verklaringen van de verdachte voor het bewijs heeft gebezigd waarvan het Hof heeft vastgesteld dat deze zijn afgelegd zonder dat verdachte tevoren is gewezen op het recht een raadsman te raadplegen.

9. Het middel slaagt.

10. Het tweede middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat het niet anders kan dan dat de bij de verdachte aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

11. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 11 november 2008, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 75.360 euro, bestaande uit 8 biljetten van 500 euro en 28 biljetten van 200 euro en 206 biljetten van 100 euro en 782 biljetten van 50 euro en 303 biljetten van 20 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf"

12. Het arrest bevat, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, de volgende bewijsoverweging:

"De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 25 februari 2010 bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het onder haar gevonden geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.

Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 28 september 2004, LJN: AP2124) moet op grond van doel en strekking van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (Sr) en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van artikel 420bis Sr (witwassen) vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf.

Het hof heeft bij de bewezenverklaring gelet op de volgende feiten en omstandigheden:

a) de verdachte werd op Schiphol aangetroffen met een totaalbedrag van EUR 75.360,00 onder zich;

b) de verdachte verklaarde, nadat het bedrag van EUR 10.000,00 in haar handbagage werd gevonden en haar koffers nog niet waren doorzocht, dat zij niet meer geld in haar bezit had;

c) de verdachte verklaarde later dat zij de EUR 10.000 in haar handbagage heeft gedaan omdat zij wist dat ze dit bedrag probleemloos in haar handbagage mocht meevoeren;

d) de geldbedragen waren in verschillende hoeveelheden in aluminiumfolie verpakt en waren verstopt op verschillende plaatsen in haar handbagage en - in en tussen kledingstukken - in twee rolkoffers;

e) de verdachte verklaarde dat zij zelf het geld in aluminiumfolie heeft verpakt en in haar spullen heeft verstopt;

f) de verdachte heeft vrijwillig afstand gedaan van het totaalbedrag;

g) het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag bestond onder meer uit niet gangbare coupures;

h) over de achtergrond en bestemming van het geld heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd. Aanvankelijk heeft zij verklaard dat zij het geld voor iemand uit Düsseldorf moest meenemen, die een huis wil kopen in de Dominicaanse republiek;

i) voor zover de verdachte heeft verklaard dat het geld afkomstig was van zes dames uit de Duitse prostitutie en bedoeld was om naar de Dominicaanse Republiek te brengen, alwaar de bedragen zouden worden opgehaald door familieleden van de dames, merkt het hof op dat de verdachte desgevraagd geen nadere gegevens heeft verstrekt met betrekking tot deze dames terwijl het -anders dan door de raadsvrouw betoogd- onder deze omstandigheden op de weg van de verdachte had gelegen om hier duidelijkheid over te verschaffen.

Gelet op het voorgaande, en in het bijzonder gezien de aangetroffen zeer grote geldbedragen en de manier waarop verdachte de herkomst van het geld heeft willen verhullen door het in verschillende hoeveelheden verpakt in aluminiumfolie aan de naspeuring van justitie te onttrekken, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf."

13. Volgens de toelichting op het middel kan uit de genoemde feiten en omstandigheden niet meer worden geconcludeerd dan dat een relatief groot bedrag bij verdachte is aangetroffen, dat zij de aanwezigheid van dat bedrag in haar bagage heeft willen verhullen en dat zij de herkomst van het geld niet nauwkeurig heeft willen noemen, hetgeen onvoldoende zou zijn om te kunnen aannemen dat het geld van misdrijf afkomstig is.

14. 's Hofs redenering over de criminele herkomst van het aangetroffen geld is geenszins onbegrijpelijk. Naast - zoals in de toelichting op het middel genoemd - het aantreffen van een groot geldbedrag in verdachtes bagage, het verstoppen van het geld en het niet noemen van de herkomst ervan heeft het Hof voor de bewezenverklaring ook van belang geacht dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de achtergrond en bestemming van het geld, dat het aangetroffen geldbedrag deels bestond uit niet gangbare coupures en dat verdachte, nadat het bedrag van € 10.000 in haar handbagage was aangetroffen, in strijd met de waarheid heeft verklaard dat zij niet meer dan dat bedrag aan geld bij zich had. 's Hofs oordeel dat het niet anders kan dan dat de bij de verdachte aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf, is dan ook niet onbegrijpelijk.

15. Het middel faalt.

16. Het derde middel richt zich tegen de overweging van het Hof dat het op de weg van verdachte had gelegen om duidelijkheid te verschaffen over de zes dames van wie het geld, volgens verdachte, afkomstig zou zijn. Betoogd wordt dat het aan het Openbaar Ministerie is om te bewijzen dat het aangetroffen geld van misdrijf afkomstig is en niet aan de verdachte om te bewijzen dat dit niet zo is.

17. Het is vaste jurisprudentie dat van een verdachte mag worden gevergd dat hij een verklaring geeft voor feiten die daar om vragen.(2)

18. Verdachte heeft verklaard dat het geld afkomstig was van zes vrouwen uit de Duitse prostitutie en dat het opgehaald zou worden in de Dominicaanse Republiek door familie van deze vrouwen. Verdere informatie heeft verdachte, hoewel haar daarnaar is gevraagd, niet verstrekt. In die omstandigheden geeft het geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk dat het Hof oordeelde dat het op de weg van de verdachte lag nadere informatie te verschaffen over de dames voor wie zij een groot bedrag aan geld naar familieleden van die dames in de Dominicaanse Republiek zou brengen. Het ligt in die omstandigheden immers nogal voor de hand dat zij moeiteloos namen van die dames en/of die familieleden kan noemen wanneer haar verklaring inderdaad juist is, en als zij dat niet zou kunnen waarom niet.

19. Het middel faalt.

20. Het vierde middel komt op tegen 's Hofs afwijzing van het verzoek om verdachtes zuster, [betrokkene 1], als getuige te horen.

21. Het Hof heeft het verzoek om de getuige te horen afgewezen en dit in het arrest onder het kopje "Bewijsoverwegingen" als volgt gemotiveerd:

"Ter terechtzitting in hoger beroep op 6 juli 2010 heeft de verdediging een herhaald verzoek gedaan tot het doen horen van [betrokkene 1], zijnde de zus van de verdachte, teneinde haar te kunnen bevragen betreffende de identiteit van de zes dames van wie de geldbedragen afkomstig zouden zijn.

Het hof wijst het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] af, nu gelet op hetgeen hiervoor onder i) is overwogen en het feit dat de verdachte bij haar verhoor voor inverzekeringstelling heeft verklaard dat zij weet van wie zij het geld heeft ontvangen en voor het is bestemd, de noodzaak daartoe niet is gebleken."

22. Volgens de toelichting op het middel volgt uit de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 25 februari 2008, dat verdachte slechts beschikte over onvolledige gegevens van de zes vrouwen, terwijl haar zus wel beschikte over nadere gegevens van die vrouwen. Bovendien had het Hof het verzoek niet mogen afwijzen met de overweging dat het op de weg van de verdachte ligt om de informatie te verschaffen die ook de getuige zou kunnen verschaffen.

23. Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 februari 2008 heeft verdachte, voor zover hier relevant, als volgt verklaard:

"Ik ken de namen van de meisjes die mij geld hebben gegeven en mijn zus zou dan de telefoonnummers van de familieleden van de meisjes geven. (...)

U vraagt mij of ik alle gegevens heb van de meisjes voor wie ik geld heb meegenomen. Ik ken hun namen, maar beschik niet over al hun gegevens, zoals bijvoorbeeld geboortedata. Mijn zus had mij kunnen helpen met het achterhalen van deze gegevens. "

24. Ik begrijp het oordeel van het Hof aldus dat er geen noodzaak was om de getuige te horen over de personalia van de door de verdachte opgevoerde vrouwen omdat voor de vraag of het tenlastegelegde al dan niet valt te bewijzen niet die personalia van belang zijn, maar wel of de verdachte ter verificatie van haar verklaring dat zij geld vervoerde voor zes vrouwen uit de Duitse prostitutie de namen van die vrouwen kon noemen. Aldus geeft dit oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

25. Het middel faalt.

26. Het vijfde middel klaagt dat het Hof heeft nagelaten te motiveren waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging. Dit middel richt zich net als het derde middel tegen de overweging dat het op de weg van verdachte ligt om duidelijkheid te verschaffen over de zes vrouwen van wie het geld, volgens verdachte, afkomstig zou zijn.

27. Verdachtes raadsman heeft ter terechtzitting van 25 februari 2010 gepleit overeenkomstig de pleitaantekeningen die aan het proces-verbaal van de terechtzitting zijn gehecht. Deze houden voor zover hier relevant het volgende in:

"Cliënte heeft aangegeven dat het geldbedrag welke zij bij zich had niet afkomstig is van misdrijf, maar afkomstig is van haar zus en 6 andere dames wie in Duitsland in de prostitutie werkzaam waren.

De reden dat het geld contant naar de Dominicaanse Republiek werd vervoerd, was omdat gezien de wisselkoers en de bankkosten het te duur was om het e.e.a. per bank te verzenden en het verzenden via bijvoorbeeld Western Union ook bepaalde hoge kosten met zich mee zou brengen. Door het geld op deze wijze te vervoeren zouden veel kosten worden bespaard ten aanzien van het hard verdiende geld van de dames. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat bedrijven/dames in de seksbranche bijzonder veel moeite hebben om een bankrekening te openen en aldus aan het "reguliere circuit" van liquide middelen deel te nemen. Banken hebben meestal een beleid gericht op afwijzing van seksgerelateerde bedrijven. Met andere woorden, het versturen van geld afkomstig van de seksbranche via de bank komt nu eenmaal nagenoeg niet voor.

Tevens heeft cliënte aangegeven op welke wijze zij kunnen worden getraceerd. Met andere woorden, het was en is voor het Openbaar Ministerie mogelijk om naspeuringen/onderzoek te verrichten naar de aannemelijke verklaringen van cliënte dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

(...)

De onderhavige zaak lijkt, mede gelet op het inmiddels onderbouwd standpunt dat het gaat om geld afkomstig uit een legale bron, op de casus welke speelde in het arrest van het Hof Den Haag d.d. 12-3-2008 (LJN: BC6515 Air Holland). In die zaak heeft dat Gerechtshof geoordeeld dat daar waar een concrete min of meer verifieerbare en niet op voorhand volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst door een verdachte wordt benoemd en er voor het overig een gebrek aan direct bewijs voor het van enig misdrijf afkomstig zijn van het geld bestaat, het op de weg van het Openbaar Ministerie ligt om te onderzoeken of het door de verdediging opgegeven standpunt correct kan zijn.

In onderhavige zaak heeft het Openbaar Ministerie behoudens de verklaringen van cliënte op geen enkele andere wijze onderzoek naar de door verdachte aangedragen mogelijkheid gedaan, ook niet nadat verdachte reeds in haar eerste verhoren aangaf dat een deel van het geld van haar zus afkomstig was en andere dames die in Duitsland in de prostitutie werkten.

Gelet op het ontbreken van bewijs dat het geld van enig misdrijf afkomstig is, in combinatie met het verifieerbare standpunt van cliënte dat het geld uit de prostitutie in Duitsland afkomstig is en het feit dat het Openbaar Ministerie hier geen enkel onderzoek naar heeft gedaan, betekent dit dat er tenminste sprake is van een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs en van redelijke twijfel, waardoor cliënte het voordeel van de twijfel dient te worden gegund en zij moet worden vrijgesproken."

28. Het middel betoogt dat het Hof niet uitdrukkelijk heeft gerespondeerd op het verweer dat het op de weg van het Openbaar Ministerie had gelegen om nader onderzoek te doen naar de vraag of de door verdachte geschetste gang van zaken juist kon zijn.

29. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, ligt in 's Hofs overweging dat het in de omstandigheden van het onderhavige geval - zie hiervoor, nr. 18 - op de weg van verdachte lag om duidelijkheid te verschaffen over de identiteit van de door haar genoemde afzenders van het geld, besloten dat dat niet aan het Openbaar Ministerie was en waarom niet. Het middel mist dus feitelijke grondslag.

30. Het middel faalt.

31. De middelen 2-5 kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

33. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 21 december 2010, LJN BN9293, rov. 2.4.

2 Bijv. EHRM 8 februari 1996, LJN AC0232, NJ 1996/725, m.nt. Knigge, HR 3 juni 1997, LJN ZD0733, NJ 1997/584 en HR 18 mei 1999, LJN ZD1332, NJ 2000/104, m.nt. Schalken.