Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV9064

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
10/02005
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV9064
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Heling en verduistering van 'credits'. In zijn nadere bewijsoverweging heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de term 'credit' moet worden opgevat in de economische betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt toegekend, te weten als gebruikseenheid om de daarmee aangeduide vorm van telecommunicatiedienstverlening te kunnen kwalificeren en in rekening te kunnen brengen. Het oordeel van het Hof dat, gelet op de functie die een 'credit' in deze economische betekenis in het maatschappelijk verkeer vervult, kan worden aangemerkt als een goed dat vatbaar is voor toe-eigening en dus voorwerp kan zijn van verduistering in de zin van art. 321 Sr en van heling als bedoeld in de artt. 416bis en 417 Sr geeft niet blijk van en onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR LJN BQ6575). Het oordeel van het Hof dat X zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 321 Sr (vgl. HR LJN ZC8253 NJ 1990/256).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/630
NJ 2012/267
NJB 2012/1116

Conclusie

Nr. 10/02005

Mr. Vellinga

Zitting: 7 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "Opzetheling" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. B. Kizilocak, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel houdt in dat het Hof het verweer dat de verdachte voorafgaand aan het eerste politieverhoor niet is gewezen op haar recht op rechtsbijstand, ten onrechte heeft verworpen op de grond dat niet blijkt dat de verdachte is aangehouden.

4. Het middel heeft het oog op de volgende overweging van het Hof:

"Ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 april 2010 is door de raadsman van de verdachte betoogd dat de verklaringen van de verdachte afgelegd bij de politie niet kunnen bijdragen aan het bewijs, aangezien de verdachte niet vóór het eerste verhoor is gewezen op haar recht op rechtsbijstand. De raadsman heeft hierbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad d.d. 30 juni 2009 met betrekking tot de Salduz-rechtspraak van het EHRM.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 van het EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan zijn of haar verhoor bij de politie aangaande zijn of haar betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. In de onderhavige zaak blijkt echter uit het dossier dat de verdachte niet is aangehouden. Derhalve gaat naar het oordeel van het hof het Salduz-verweer hier niet op.

Het hof verwerpt het verweer."

5. In zijn arrest van 9 november 2010, LJN BN7727, NJ 2010, 615, overwoog de Hoge Raad onder meer:

"2.4. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen (vgl. HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349).

2.5. Het middel berust op de opvatting dat uit de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens voortvloeit dat de hiervoor ten aanzien van een aangehouden verdachte geformuleerde regel zonder meer ook geldt als het gaat om een niet-aangehouden verdachte. Die opvatting is onjuist."

6. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn hiervoor aangehaalde overweging 2.5. overweegt heeft het Hof het verweer op goede gronden verworpen. Daarbij teken ik aan dat zijdens de verdachte niet is gesteld dat zij voorafgaand aan het politieverhoor verkeerde in omstandigheden die - in de woorden van EHRM 18 februari 2010, Appl.no. 39660/02, (Zaichenko v. Russia), par. 48 - "disclose (...) significant curtailment of the applicant's freedom of action, which could be sufficient for activating a requirement for legal assistance already at this stage of the proceedings."(1)

7. Het middel faalt.

8. Het tweede middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] de credits door misdrijf heeft verkregen.

9. Het middel miskent dat [medeverdachte 1] de credits desbewust heeft aangeschaft op kosten van iemand anders, te weten de stichting [A] (bewijsm. 2), en wel zonder toestemming van die stichting (bewijsm. 1) en zich dus schuldig heeft gemaakt aan verduistering van het beltegoed dat hij als rechtmatig gebruiker van de telefoon van [A] onder zich had.

10. Het middel faalt.

11. Het derde middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat verdachte, zoals bewezenverklaard, ten tijde van het voor handen krijgen van de credits wist dat deze van misdrijf afkomstig waren.

12. Het middel gaat eraan voorbij dat bewijsmiddel 5 als verklaring van de verdachte onder meer inhoudt dat verdachte van [medeverdachte 1] regelmatig credits vroeg toen zij wist dat [medeverdachte 1] regelmatig credits met de mobiele telefoon van [A] opnam, een weg die zij [medeverdachte 1] had gewezen (bewijsm. 2).

13. Het middel faalt.

14. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

15. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Deze zinsnede is herhaald in EHRM 15 maart 2011, Appl.no. 20448/02, EHRC 2011/98, m.nt. F.P. Ölçer (Begu v. Romania), par. 140. Zie daarover de noot onder nr. 10.