Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV8517

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
13-04-2012
Zaaknummer
10/04707
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV8517
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Ongevallenverzekering. Overlijdensrisico. Hoogte van aan erfgenaam verschuldigde uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/592
JWB 2012/203

Conclusie

Zaaknummer: 10/04707

Mr. Wuisman

Roldatum: 17 februari 2012

CONCLUSIE inzake:

[Eiseres],

eiseres tot cassatie,

advocaat: mr. H. Zenghin;

tegen

ING Schadeverzekering Retail NV, (voorheen Postbank Schadeverzekering NV),

verweerster in cassatie,

in cassatie niet verschenen.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Van de volgende feiten kan worden uitgegaan:

(i) Eiseres tot cassatie (hierna: [eiseres]) is de moeder en enig erfgename van de in Nederland woonachtige, op 3 oktober 2002 als gevolg van een verkeersongeval omgekomen [betrokkene 1].

(ii) [Betrokkene 1] had een ongevallenverzekering lopen bij Postbank Schadeverzekering NV (hierna: Postbank), waarvan de premie laatstelijk € 4,01 per maand bedroeg.

(iii) Onder de verzekering is aan [eiseres] een bedrag van € 23.690,- uitgekeerd.

1.2 In een bij dagvaarding d.d. 14 september 2007 bij de rechtbank Amsterdam tegen de Postbank aangespannen procedure vordert [eiseres] een veroordeling van Postbank tot betaling van een bedrag van € 36.460,-, daartoe stellende dat de ongevallenverzekering alleen betrekking had op het risico van overlijden en in geval van overlijden recht gaf op een uitkering van € 60.150,- en niet van € 23.690,-. Het bedrag van € 60.150,- baseert zij niet op een aan [betrokkene 1] verstrekte polis of een ander verzekeringsdocument, maar in het bijzonder op de premie van € 4,01 per maand. Aan de hand van een door de Postbank verstrekt overzicht van maandpremies en de daarmee correlerende verzekerde sommen ingeval van overlijden of blijvende invaliditeit, berekent zij dat bij een maandpremie van € 4,01 per maand een verzekerde som van € 60.150,- hoort.((1)) Verder dringt [eiseres] aan op het overleggen door de Postbank van de aanvraag van [betrokkene 1] voor de verzekering. Deze moet in het bezit zijn van de Postbank. Aan het nalaten van het overleggen van de aanvraag dient de rechtbank de gevolgen te verbinden die haar geraden achten.((2))

1.3 In haar vonnis d.d. 19 december 2007 verleent de rechtbank eerst verstek tegen de niet verschenen Postbank en wijst vervolgens de vordering van [eiseres] als niet bestreden toe.

1.4 In het kader van verzet tegen het tegen haar uitgesproken verstekvonnis d.d. 19 december 2007 bestrijdt de Postbank de vordering van [eiseres] alsnog. Zij voert, kort samengevat, het volgende aan. [Betrokkene 1] had sinds 11 juli 1999 een ongevallenverzekering voor een premie van - omgerekend - € 1,51 per maand, onder welke verzekering aanvankelijk alleen het overlijdensrisico was gedekt voor een verzekerde som van - omgerekend - € 22.690,-. Hij heeft in november 2001 gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ook het invaliditeitsrisico te verzekeren. Per 2 november 2001 biedt de ongevallenverzekering ook dekking voor het risico van invaliditeit voor een bedrag van - omgerekend - € 25.000,- tegen een premie van - omgerekend - € 2,50 per maand. De gehele maandpremie bedroeg vanaf deze uitbreiding derhalve € 4,01 per maand. Een en ander onderbouwt Postbank met overzichten van betaaltermijnen en een uitdraai uit haar polisinformatiesysteem.((3)) De Postbank wijst er verder ook nog op dat ongevallenverzekeringen niet werden afgesloten na onderhandelingen over de hoogte van de verzekerde som, maar op basis van offertes met bepaalde verzekerde sommen, bestaande uit ronde bedragen, en daarbij horende premies. Een offerte met een verzekerde som bij overlijden van € 60.150,- is nimmer aangeboden.((4)) Naar aanleiding van het aandringen van [eiseres] - op basis van de exhibitieplicht als bedoeld in artikel 843a Rv bij de Postbank - op het overleggen van de aanvraag van [betrokkene 1] van de ongevallenverzekering merkt de Postbank op daartoe niet in staat te zijn, omdat de aanvraag verloren is geraakt.

1.5 De rechtbank wijst bij vonnis d.d. 12 november 2008 de eis van verzet toe en vernietigt het verstekvonnis. Het hof Amsterdam, waarbij [eiseres] in hoger beroep komt van het vonnis, bekrachtigt het vonnis bij arrest van 15 juni 2010. Daartoe overweegt het hof, kort weergegeven, onder meer dat [eiseres], in het licht van de onbestreden stellingen van de Postbank over de basis waarop door haar ongevallenverzekeringen werden afgesloten, onvoldoende heeft gesteld om begrijpelijk te doen zijn haar stelling dat een premie van € 4,01 noodzakelijkerwijs leidt tot een uitkering van € 60.150, dat zij dus niet aan haar stelplicht heeft voldaan en daarom haar bewijsaanbod niet relevant is (rov. 2.5). Omdat de stellingen van [eiseres] over de hoogte van de onder de ongevallenverzekering verschuldigde uitkering ten enenmale ontoereikend zijn, ziet het hof ook geen aanleiding om in te gaan op het door [eiseres], aanhakend bij de exhibitieplicht van de Postbank, gedane verzoek om ict-deskundigen te laten onderzoeken of het aanvraagformulier van [betrokkene 1] kan worden teruggevonden (rov. 2.6).

1.6 Bij exploot van 13 september 2010 stelt [eiseres] cassatieberoep tegen het arrest van het hof in. Er worden nog twee herstelexploten uitgebracht. De Postbank verschijnt niet.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit een 'Overzicht van de zaak' en vier onderdelen.

Onderdeel IV

2.2 In onderdeel IV wordt er bezwaar tegen gemaakt dat het hof de Postbank volgt in haar stelling dat zij - voor wat de verzekerde som betreft - nooit met niet-ronde cijfers werkte. Dat wordt in strijd geacht met het feit dat de Postbank ten aanzien van de ongevallenverzekering, waarop [eiseres] een beroep doet, uitgaat van een verzekerde som van een niet rond bedrag, te weten € 22.690,-.

2.3 Deze klacht strandt op de volgende gronden.

De stelling van de Postbank inzake de ronde/niet-ronde bedragen ziet op het offreren voor ongevallenverzekeringen als waarvan in casu sprake is. Bij die verzekeringen hield Postbank, zo heeft zij gesteld, altijd ronde bedragen aan. Het tegendeel volgt niet uit de ongevallenverzekering waarop [eiseres] zich beroept. Deze verzekering is voor de invoering van de euro gesloten; er is dus ook vóór dat tijdstip een offerte voor die verzekering uitgebracht. Het bedrag van € 22.690,- komt overeen met een bedrag van fl. 50.000,-.((5))

In rov. 2.5 heeft het hof omtrent de stelling van de Postbank dat zij nimmer in niet-ronde bedragen offreerde, geoordeeld dat [eiseres] deze onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat oordeel wordt als zodanig niet bestreden. Waar de genoegzame betwisting in appel zou hebben plaatsgevonden, wordt immers niet aangegeven. Die betwisting kan in cassatie niet voor het eerst geschieden. De stelling zal dan ook voor juist moeten worden gehouden.

Onderdeel I

2.4 Mede blijkens de toelichting op onderdeel I richt dit onderdeel zich tegen het oordeel aan het slot van rov. 2.5 dat het door [eiseres] gedane bewijsaanbod niet relevant is. Dit oordeel volgt op het daaraan voorafgaande oordeel dat [eiseres] niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Dit laatste oordeel houdt in dat door [eiseres] onvoldoende feiten zijn gesteld op basis waarvan zou kunnen worden aangenomen dat er door [betrokkene 1] een ongevallenverzekering is gesloten die recht geeft op een uitkering van € 60.150,- in geval van overlijden. Het oordeel is onbestreden gebleven en moet dus voor juist worden gehouden. Tegen die achtergrond oordeelt het hof terecht dat het bewijsaanbod van [eiseres] niet relevant is.

Onderdelen II en III

2.5 Beide onderdelen beginnen ieder met het citeren van een overweging uit het arrest. Beide overwegingen hebben te maken met het verzoek van [eiseres] om de Postbank te gelasten om de door [betrokkene 1] in verband met de ongevallenverzekering bij de Postbank ingediende aanvraagformulieren beschikbaar te stellen. Het is niet goed mogelijk om uit hetgeen op de citaten volgt te achterhalen welke bezwaren er nu precies tegen deze overwegingen bestaan. De beide onderdelen kunnen dan ook reeds geen doel treffen, omdat daarin geen klachten zijn opgenomen die voldoen aan de eisen, die aan een cassatieklacht mogen worden gesteld. Maar wat hiervan ook zij, het hof heeft aan het slot van rov. 2.6 kunnen oordelen dat er geen aanleiding bestaat voor een onderzoek naar de vraag of het aanvraagformulier van [betrokkene 1] door ict-deskundigen eenvoudig zou kunnen worden teruggevonden. Zoals hierboven in 2.3 al aangestipt, volgt dient vanwege onbestreden gebleven stellingen van de Postbank ervan te worden uitgegaan dat een ongevallenverzekering voor het niet-ronde bedrag van € 60.150,- niet door [betrokkene 1] kan zijn afgesloten. Dan is het verlangde onderzoek zonder belang.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Zie de dagvaarding in eerste aanleg, sub 6 jo. bijlage 2. Uit gegeven dat in het overzicht van de Postbank bij een maandpremie van € 5,- een bij overlijden uit te keren verzekerde som van € 75.000,- wordt vermeld, wordt afgeleid dat dan bij een maandpremie van € 4,01 een bij overlijden uit te keren verzekerde som van € 60.150,- (4,01 / 5 x75.000) hoort.

2. Zie de dagvaarding in eerste aanleg, met name sub 16 en 17.

3. Zie de verzetdagvaarding, sub 2 t/m 4.

4. Zie de verzetdagvaarding sub 10.

5. Zie voor een en ander de verzetdagvaarding van de Postbank, sub 10, de memorie van antwoord van de Postbank in appel, sub 5, en de Pleitaantekeningen van mr. Fledderus in appel, sub 6 t/m 11.