Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV8291

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
11/04310 W
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV8291
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wots-zaak. 1. Art. 2 Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP). 2. Art. 3.1.d WOTS en beroep op een strafuitsluitingsgrond. 3. Verzoek als bedoeld in art. 328 Sv jo. art. 331 Sv. Ad 1. Gelet op het toelichtend rapport van het art. 2 Aanvullend Protocol heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat ook in een geval als het onderhavige, waarin de veroordeelde eerst na ontvluchting de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, art. 2 van toepassing is en dat daarmee een verdragsbasis voor de tenuitvoerlegging aanwezig is. Ad 2. De HR stelt voorop dat een in een vreemde Staat opgelegde sanctie in Nederland slechts kan worden tenuitvoergelegd voor zover, in geval van veroordeling, de dader naar Nederlands recht eveneens strafbaar zou zijn geweest ingevolge art. 3.1.d WOTS. Derhalve dient de Nederlandse rechter ingeval in de exequaturprocedure een beroep op een strafuitsluitingsgrond wordt gedaan welke naar buitenlands recht niet had kunnen worden ingeroepen, de gegrondheid van dat beroep te beoordelen, al dan niet na op de voet van art. 28.5 WOTS onderzoek te hebben gedaan. Het oordeel van de Rechtbank dat het Bulgaarse recht psychische overmacht als "een vorm van strafuitsluitingsgrond" kent, volgt niet zonder meer uit de door de Rechtbank genoemde stukken. Ad 3. Het middel klaagt terecht dat de Rechtbank heeft verzuimd te beslissen op het verzoek van de veroordeelde om de zaak aan te houden om een rapportage te laten maken; dit verzuim leidt ex. artt. 328 jo. 331 Sv jo. 28.4 WOTS tot nietigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/625

Conclusie

Nr. 11/04310 W

Mr. Aben

Zitting 31 januari 2012

Conclusie inzake:

[Veroordeelde]

1. De rechtbank Leeuwarden, zittinghoudende te Groningen, heeft bij uitspraak van 7 september 2011 toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de beslissing van de arrondissementsrechtbank Plovdiv (Bulgarije) van 28 september 1992, bekrachtigd door de Hoge Raad van Bulgarije op 14 maart 1994, waarbij [veroordeelde] is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeventien jaren en zes maanden ter zake van moord op een bijzonder smartelijke wijze voor het slachtoffer, dat zich in hulpbehoevende staat bevond. De rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de genoemde beslissing en de veroordeelde ter zake van voornoemd feit een gevangenisstraf opgelegd van negen jaren. Voorts heeft de rechtbank bevolen dat de tijd die de veroordeelde in Bulgarije in voorlopige hechtenis alsmede ter executie van de haar aldaar opgelegde sanctie heeft doorgebracht en de tijd die zij in verband met deze zaak in Nederland van haar vrijheid beroofd is geweest bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.

2. Mr. M. Schlepers, advocaat te Hoogezand, heeft cassatie ingesteld. Namens de veroordeelde heeft mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen, bij schriftuur drie middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel behelst de klacht dat de rechtbank de tenuitvoerlegging toelaatbaar heeft verklaard en daarbij ten onrechte voorbij is gegaan aan het verweer dat artikel 2 van het Aanvullend Protocol bij het VOGP in de onderhavige zaak niet van toepassing is en daardoor een verdragsbasis voor de tenuitvoerlegging ontbreekt.

3.2. De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:

"Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw verzoekt primair de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar te verklaren. Subsidiair verzoekt zij de zaak aan te houden en het Openbaar Ministerie (OM) opdracht te geven tot het opvragen en in het geding brengen van de hierna beschreven stukken. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

De onderhavige vordering is in strijd met de hierna omschreven (fundamentele) rechtsbeginselen.

(...)

Ontbreken verdragsbasis

Bulgarije beroept zich volgens de ingediende vordering op artikel 2 van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen (VOGP). De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat artikel 2 van het Aanvullend Protocol niet van toepassing is op veroordeelde, nu zij ten tijde van haar veroordeling en ten tijde van haar vlucht geen onderdaan was van Nederland, maar onderdaan van Bulgarije. De verdragsbasis, zoals is vereist ex artikel 2 WOTS voor het onderhavige verzoek, ontbreekt derhalve.

(...)

Oordeel van de rechtbank

(...)

Ontbreken verdragsbasis

De rechtbank stelt allereerst vast dat het Aanvullend Protocol bij het VOGP tot stand is gekomen met het doel om te voorkomen dat veroordeelden zich kunnen onttrekken aan de straf die is opgelegd. Blijkens de toelichting ziet artikel 2 op gevallen waarin de gevonniste persoon zich onttrekt aan het wettig gezag op het grondgebied van de veroordelende Staat en

naar het grondgebied van de Staat van zijn of haar nationaliteit vlucht. Veroordeelde heeft echter twee nationaliteiten te weten zowel de Nederlandse als de Bulgaarse nationaliteit en zij heeft zich onttrokken aan het grondgebied van de veroordelende Staat, waarvan zij de nationaliteit bezat, door te vluchten naar Nederland, het land waarvan zij later de nationaliteit heeft verkregen. Naar het oordeel van de rechtbank valt ook de situatie als de onderhavige onder de werking van artikel 2 van het protocol, gelet op de strekking van het protocol.

Daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 2 WOTS te weten dat sprake moet zijn van een verdragsbasis."

3.3. Verweer en middel mikken op de letterlijke tekst van het Aanvullend Protocol, dat slechts van toepassing is op 'de onderdaan van de aangezochte staat, die is veroordeeld in de verzoekende staat en zich door ontvluchting naar de staat van zijn nationaliteit aan de tenuitvoerlegging tracht te onttrekken'. Nu de veroordeelde ten tijde van haar aankomst in Nederland (nog) geen onderdaan of ingezetene van Nederland was, is het Aanvullend Protocol niet van toepassing en de beslissing van de rechtbank onjuist, aldus de steller van het middel.

3.4. Artikel 2 van het Aanvullend Protocol bij het VOGP(1), waarvan de toepasselijkheid in cassatie wordt betwist, luidt in de Nederlandse vertaling(2) als volgt:

"1. Wanneer een onderdaan van een Partij die is veroordeeld bij onherroepelijk vonnis, uitgesproken op het grondgebied van een andere Partij, zich aan de tenuitvoerlegging of verdere tenuitvoerlegging van de veroordeling in de Staat van veroordeling tracht te onttrekken door te vluchten naar het grondgebied van de eerstgenoemde Partij voordat hij de veroordeling heeft ondergaan, kan de Staat van veroordeling de andere Partij verzoeken de tenuitvoerlegging van de veroordeling over te nemen.

(...)

3. De instemming van de gevonniste persoon is voor de overdracht van de tenuitvoerlegging van de veroordeling niet vereist."

3.5. Over de door de steller van het middel voorgestane exegese het volgende. De termen van een verdrag moeten te goeder trouw worden uitgelegd, zulks overeenkomstig de gewone betekenis van die termen in hun context en in het licht van het voorwerp en het doel van het betreffende verdrag. Van belang is dus om de onderwerpelijke bepaling van het Aanvullend Protocol te beschouwen in haar context en in het licht van de strekking ervan. In verband hiermee is kennisneming van de toelichtingen van belang. De toelichtende nota bij de brief van de Minister van Buitenlandse Zaken strekkende tot stilzwijgende goedkeuring van het Aanvullend Protocol houdt onder meer in:

"Het Protocol voorziet in een toevoeging aan het instrumentarium uit het Verdrag, door de verdragseis van instemming door de over te brengen persoon in twee situaties overbodig te maken. De eerste situatie is die waarin de over te brengen persoon zich aan de tenuitvoerlegging heeft onttrokken door te vluchten naar het land waarvan hij onderdaan of ingezetene is.(3) In de tweede situatie is de over te brengen persoon een vreemdeling die het land waar hij veroordeeld is dient te verlaten. Op beide situaties zal hieronder nader worden ingegaan. Overigens verdient nadruk dat het Protocol slechts beoogt de instemmingsvoorwaarde uit artikel 3 van het Verdrag voor twee gevallen te laten vervallen; de overige in het Verdrag geregelde waarborgen en procedurevoorschriften blijven onverkort gelden.

(...)

Personen die uit de staat van veroordeling zijn gevlucht

Artikel 2 van het Protocol ziet op de situatie dat de persoon die voor overbrenging ter tenuitvoerlegging van de straf in aanmerking komt, zich als gevolg van ontvluchting niet meer bevindt op het grondgebied van de staat waar hij veroordeeld is, maar in het land waarvan hij een onderdaan of ingezetene is. De bepaling is rechtstreeks overgenomen van artikel 68 van de op 19 juni 1990 te Schengen totstandgekomen Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (Trb. 1990, 145). Ratio van de regeling is, dat veel landen hun onderdanen of ingezetenen niet uitleveren zodat de ontvluchting er zonder deze regeling toe zou leiden dat de veroordeelde zijn straf zou ontlopen.

Het artikel heeft slechts tot doel, voor het geval van ontvluchting een uitzondering te creëren op het instemmingsvereiste uit het Verdrag. Daarnaast kent het Protocol, anders dan het Verdrag, in artikel 2, tweede lid, de mogelijkheid te verzoeken om voorlopige vrijheidsbeneming of beperking van de persoon wiens overbrenging wordt beoogd. Anders dan onder het Verdrag, waar de persoon vanuit de ene detentie wordt overgebracht in de andere, zal de betrokken persoon hier doorgaans immers niet gedetineerd zijn, terwijl wel dient te worden voorkomen dat hij het grondgebied verlaat van de staat waarnaar zijn tenuitvoerlegging wordt overgebracht.

Omdat de regeling als onderdeel van de Uitvoeringsovereenkomst van Schengen voor Nederland reeds sinds 1995 van kracht is,(4) is uitvoeringswetgeving niet nodig."(5)

3.6. Het Explanatory Report bij het Aanvullend Protocol houdt voor zover relevant het volgende in:

"Article 2 - Persons having fled from the sentencing State

10. This article envisages a situation where a national of State A is sentenced in State B and subsequently leaves State B before or while serving the sentence and voluntarily enters State A. It would apply most commonly to cases where the sentenced person escapes from legal custody in the territory of the sentencing State and flees to the territory of the State of his or her nationality, seeking thereby to avoid the execution, or full execution, of the sentence.

11. Clearly, this article does not cover the situations where (a) a national of State A is tried and sentenced in absentia in State B, or (b) a national of State A is sentenced in State B, the execution of the sentence being suspended, and subsequently the suspension is revoked after the person has voluntarily moved to State A.

12. The mother Convention is of no use in the situation described in paragraph 10 above because the sentenced person is not present in the sentencing State and is thus unavailable for transfer. Nor can the problem in practice be dealt with under existing forms of international co-operation. For example, the normal method of returning a fugitive from justice - extradition - is generally not available because most countries do not extradite their own nationals. Apart from this, the only other option which may be available at present is for the person to be prosecuted and sentenced afresh in State A for the same facts - a process which is both expensive and cumbersome even though permitted by the internationally - recognised ne bis in idem principle. If neither option is available, the consequence is that the person goes unpunished and thus the ends of justice are frustrated. The Committee considered that this was not acceptable.

13. The Committee also considered whether the European Convention on the International Validity of Criminal Judgments (ETS 070) might provide a solution to the problem by allowing for the transfer of the sentence from State B to State A for execution. However, only a few States have ratified that Convention and this situation is not likely to change in the foreseeable future. Because of the difficulties with that Convention, the Committee doubted whether the elaboration of a new instrument on the enforcement of foreign judgments would meet with any greater success.

14. The Committee recognised that Convention ETS 112 is to a great extent founded on humanitarian principles and that, for this reason, the consent of the person is an integral element in it. But it concluded that where the person has deliberately sought to frustrate the judicial process by fleeing from justice, he or she has thereby taken himself or herself outside the ambit of the Convention. Consequently, the Committee considered that under such circumstances the need for his consent was no longer appropriate. The Committee therefore concluded that it would be acceptable to devise a solution not based on the consent of the person. (...)"(6)

3.7. Uit een en ander concludeer ik tot de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat ook het voorliggende geval wordt bestreken door artikel 2 van het Aanvullend Protocol. Dit artikel beoogt te voorzien in een regeling voor de ongewenste situatie die ontstaat wanneer de veroordeelde zich door ontvluchting uit de verzoekende Staat heeft onttrokken aan de (verdere) tenuitvoerlegging van een onherroepelijk strafvonnis, en het recht van de aangezochte Staat de uitlevering van de veroordeelde verhindert, op grond van diens nationaliteit, ongeacht op welk moment die is verkregen. Het enige alternatief om het recht zijn loop te laten hebben is dan het instellen van een nieuwe strafvervolging in Nederland. Die gang van zaken is niet alleen "expensive and cumbersome", maar m.i. onnodig.

3.8. Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel klaagt dat de rechtbank de tenuitvoerlegging ten onrechte toelaatbaar heeft verklaard, aangezien de veroordeelde een beroep op psychische overmacht toekomt. Om die reden is niet voldaan aan de eis van dubbele strafbaarheid, althans is de verwerping van het daarop gebaseerde verweer onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, aldus de steller van het middel.

4.2. De rechtbank heeft het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsvrouw verzoekt primair de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar te verklaren. Subsidiair verzoekt zij de zaak aan te houden en het Openbaar Ministerie (OM) opdracht te geven tot het opvragen en in het geding brengen van de hierna beschreven stukken. Zij heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

De onderhavige vordering is in strijd met de hierna omschreven (fundamentele) rechtsbeginselen.

(...)

Dubbele strafbaarheid

Veroordeelde is naar Nederlands recht geen strafbare dader omdat haar een beroep op psychische overmacht toekomt. Uit de overgelegde vertalingen van de artikelen uit het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering blijkt echter niet dat het Bulgaarse recht als strafuitsluitingsgrond de psychische overmacht kent. Er is derhalve geen sprake van dubbele strafbaarheid, zodat de tenuitvoerlegging niet kan worden overgenomen.

(...)

Oordeel van de rechtbank

(...)

Dubbele strafbaarheid

Op grond van de stukken, waaronder de vertaling van het vonnis alsmede de vertaling van de artikelen 12, 54 en 118 van het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht en artikel 337 van het Bulgaarse Wetboek van Strafvordering kan worden vastgesteld dat het Bulgaarse recht psychische overmacht als een vorm van strafuitsluitingsgrond kent. Uit de vertaling van het vonnis leidt de rechtbank af dat veroordeelde een beroep heeft gedaan op deze exceptie door te wijzen op de psychische toestand waarin zij verkeerde. Dit beroep is afgewezen (pagina 5 van het vonnis. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve sprake van dubbele strafbaarheid."

4.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder e van het VOGP kan een gevonniste persoon slechts worden overgebracht indien het handelen of het nalaten op grond waarvan de veroordeling werd uitgesproken een strafbaar feit oplevert naar het recht van de Staat van tenuitvoerlegging of een strafbaar feit zou opleveren indien dit op zijn grondgebied zou zijn gepleegd. Volgens artikel 3, eerste lid, aanhef en onder c en d WOTS kan een in een vreemde Staat opgelegde sanctie in Nederland slechts worden ten uitvoer gelegd indien de rechterlijke beslissing is gewezen ter zake van een feit dat naar Nederlands recht eveneens strafbaar is, en, in geval van veroordeling, voor zover de dader naar Nederlands recht eveneens strafbaar zou zijn geweest.

4.4. Uit dit samenstel van bepalingen vloeit het betreffende toetsingsschema van de exequaturrechter voort. Hij onderzoekt twee kwesties, te weten:

(1) de abstracte strafbaarheid naar Nederlands recht van het materiële feit waarvoor de veroordeling is uitgesproken, en dit op de voet van artikel 3, tweede lid WOTS (door de analogische transformatie van de uitgangsgegevens);

(2) de concrete strafbaarheid van daad en dader, aangenomen dat het handelen in abstracto strafbaar is.

De eerste kwestie is thans niet aan de orde. Daarover bestaat, naar ik begrijp, geen verschil van inzicht. Indien in Nederland begaan zou het delict (het in brand steken van het bedwelmde en vastgebonden slachtoffer) als eenzelfde inbreuk op de rechtsorde strafbaar zijn.

4.5. De Nederlandse rechter dient derhalve vervolgens nog te beoordelen of het gepleegde feit naar Nederlands recht onder de gegeven omstandigheden - in concreto - eveneens strafbaar is en zo ja, aan de dader kan worden toegerekend. In de Memorie van Toelichting kan in dit verband de volgende passage worden aangetroffen:

"De beoordeling van de strafbaarheid van feit en dader in het concrete geval vraagt om een andere toetsing. Het gedrag van de dader kan de rechter immers nopen tot het oordeel dat onder de gegeven omstandigheden het door hem gepleegde feit niet als strafbaar is aan te merken of dat dit feit, hoewel strafbaar, aan de dader niet kan worden toegerekend. In de gevallen dat uit de uitspraak van de buitenlandse rechter of uit de stukken die aan zijn uitspraak ten grondslag liggen (en die, zo nodig, nader kunnen worden opgevraagd) blijkt, dat deze een beroep op bijzondere omstandigheden, waaronder het feit is begaan, heeft verworpen, is de Nederlandse exequaturrechter daaraan, als zijnde een feitelijke constatering van de veroordelende rechter, gebonden. Zou de veroordeelde eerst voor de exequaturrechter een beroep op een strafuitsluitingsgrond doen, waarop hij zich ook naar het buitenlands recht had kunnen beroepen, dan moet het ervoor gehouden worden dat die grond zich in het concrete geval niet voordoet, ook al zou in de buitenlandse rechterlijke beslissing niet uitdrukkelijk worden geconstateerd dat een dergelijk beroep niet opgaat. Er is in zo'n geval in beginsel geen ruimte voor een nader feitelijk onderzoek door de Nederlandse exequaturrechter. Dat neemt overigens niet weg, dat de veroordeelde nog de mogelijkheid ter beschikking kan staan in de staat van veroordeling herziening van de veroordelende uitspraak te vragen. Anders ligt de zaak echter wanneer naar Nederlands recht een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond bestaat, welke naar buitenlands recht niet had kunnen worden ingeroepen. Bekend is het voorbeeld uit het Engelse recht, dat - althans tot voor kort - geen beroep op overmacht toeliet in geval van moord. Aan een dergelijk beroep had de Engelse rechter derhalve voorbij te gaan. Bij een dergelijke ongelijkheid tussen het buitenlandse en het Nederlandse recht zal de exequaturrechter, indien daarop een beroep wordt gedaan of anderzins het vermoeden rijst dat van een dergelijke ongelijkheid sprake is, niet aan een aanvullend feitelijk onderzoek kunnen ontkomen en in voorkomend geval de veroordeelde, nu deze door de overdracht van de buitenlandse executie onder de werking van de Nederlandse rechtssfeer wordt gebracht, van eventuele gunstiger Nederlandse rechtsregels behoren te laten profiteren. Het vijfde lid van artikel 28 is voor dergelijke situaties geschreven. Het aanvullend onderzoek kan bestaan uit het verwerven van inlichtingen omtrent de inhoud van het toepasselijke buitenlandse recht en het verhoor van getuigen, via rogatoire commissies of ter zitting, al dan niet voorafgegaan door een onderzoek door de rechter-commissaris op de voet van art. 316 Sv."(7)

4.6. In de Memorie van Toelichting worden derhalve drie situaties onderscheiden:(8)

1. de veroordeelde heeft bij de buitenlandse, veroordelende rechter een beroep gedaan op een strafuitsluitingsgrond en dat beroep is afgewezen. De Nederlandse rechter is in dit geval aan de uitspraak van de buitenlandse rechter gebonden;

2. de veroordeelde doet pas bij de Nederlandse rechter (de exequaturrechter) voor het eerst een beroep op een strafuitsluitingsgrond waarop hij zich ook naar buitenlands recht had kunnen beroepen. In dit geval moet het er voor worden gehouden dat die grond zich in het concrete geval niet voordoet;

3. de veroordeelde doet pas bij de Nederlandse rechter (de exequaturrechter) voor het eerst een beroep op een strafuitsluitingsgrond, welke naar buitenlands recht niet had kunnen worden ingeroepen. De Nederlandse rechter behoort in dit geval de veroordeelde van eventuele gunstiger Nederlandse rechtsregels te laten profiteren.

4.7. Kortom, wanneer uit de uitspraak van de buitenlandse rechter of uit daaraan ten grondslag liggende stukken blijkt dat deze een beroep op een in beide Staten erkende strafuitsluitingsgrond heeft verworpen, dan is de exequaturrechter hieraan gebonden. De Nederlandse rechter fungeert immers niet als beroepsrechter ten opzichte van de buitenlandse rechter.(9)

Echter, indien de feiten waarop de veroordeelde zich beroept naar Nederlands recht wel, maar naar buitenlands recht geen grond voor strafuitsluiting vormen, zal de exequaturrechter de aangevoerde feiten (alsnog) moeten onderzoeken. Bevindt de exequaturrechter dat de veroordeelde zich met vrucht had kunnen beroepen op een grond die naar Nederlands recht wel, doch naar het recht van de vreemde Staat niet de strafbaarheid van het feit of de dader uitsluit, dan verklaart zij de tenuitvoerlegging ontoelaatbaar.(10)

4.8. Blijkens de bestreden overwegingen heeft de rechtbank aan haar verwerping van het verweer ten grondslag heeft gelegd (1) dat het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht alsook het Bulgaarse Wetboek van Strafvordering psychische overmacht kennen als grond voor strafuitsluiting, en (2) dat het daarop gedane beroep door de Bulgaarse rechter is verworpen. Zodoende heeft de rechtbank toepassing gegeven aan de juiste maatstaf.

4.9. Het middel stelt kennelijk ook de begrijpelijkheid van die vaststellingen aan de orde. Daarover het volgende. Voor het goede begrip geef ik eerst de proceshouding van de veroordeelde weer door te citeren uit de aantekeningen aan de hand waarvan de raadsvrouw ter terechtzitting van (ik vermoed) 24 augustus 2011 ten overstaan van de exequaturrechter heeft gepleit:

"Namens cliënte doe ik een beroep op psychische overmacht. Cliënte heeft gehandeld onder een psychische drang waartegen weerstand bieden weliswaar niet volkomen onmogelijk was maar redelijkerwijs niet van haar kon worden gevergd. Uit het dossier en uit de verklaringen van cliënte zoals afgelegd bij de IND na haar aankomst in Nederland (productie 4 faxbericht) kan worden afgeleid dat [betrokkene 1], een man die volgens cliënte nimmer haar partner was maar haar verkrachter, regelmatig veel alcohol dronk, dat hij onder invloed hiervan agressief werd en dat hij cliënte dwong tot bepaalde handelingen, waarbij hij haar mishandelde en (terwijl hij haar had vastgebonden) verkrachtte. Cliënte heeft meermalen geprobeerd het contact met [betrokkene 1] te verbreken, maar hij bleef haar opzoeken. [betrokkene 1] verschafte zich hierbij, zonder cliëntes toestemming, de toegang tot haar woning. In deze situaties was cliënte zeer bang.

Vanwege de ervaringen van cliënte in Bulgarije durfde zij echter de politie niet te informeren en kon zij derhalve geen hulp inroepen. Daarbij kwam dat zij wist dat zij niet het eerste slachtoffer was van [betrokkene 1] die hij martelde en verkrachtte en dat hij reeds eerder op borgtocht was vrijgelaten. Cliënte vermoedde dat deze man bescherming genoot van de wijkagenten.

Gedurende een lange periode is cliënte voortdurend geconfronteerd met gewelddadige handelingen van [betrokkene 1] richting haar en met vernederingen, waarbij hij haar uiteindelijk ook de veiligheid van haar eigen woning heeft afgenomen (in het bijzonder pagina 10 tot en met 15 rapport van gehoor). De relatie tussen cliënte en [betrokkene 1] was zeer zwaar voor cliënte en zij was niet in staat zich aan deze zeer onevenwichtige verhouding te onttrekken. Cliënte heeft uiteindelijk wel getracht [betrokkene 1] uit haar woning en uit haar leven te weren, maar hij liet dit niet gebeuren en bleef haar lastig vallen.

Door deze omstandigheden was cliënte ernstig overbelast geraakt en had zij een zwakke wilbeheersing. De confrontatie op 11 augustus 1991 waarin cliënte wederom in haar eigen woning werd lastig gevallen door [betrokkene 1] en door hem werd mishandeld, verkracht en vernederd, lijkt de trigger te zijn geweest voor het gepleegde feit. Cliënte heeft tegen de IND verklaard (pagina 14 ev rapport van gehoor) dat [betrokkene 1] met een schop haar deur intrapte, binnenkwam en haar meteen sloeg omdat hij het niet kon hebben dat cliënte zich uiteindelijk toch had beklaagd en zelfs tegen hem aangifte had gedaan. Hij zei dat ze binnen twee uur dood zou zijn. Deze van buiten komende dwang heeft aannemelijk een interne stoornis tot gevolg gehad. De dwang heeft ertoe geleid dat cliënte in een toestand is komen te verkeren, waarbij aannemelijk is dat zij niet in staat was te denken op dat moment, laat staan keuzes te maken, althans in ernstig beperkte mate. Van haar kon redelijkerwijs niet worden gevergd dat zij weerstand bood aan de druk van de omstandigheden. Na de daad is cliënte door iemand gevonden terwijl ze trilde, schreeuwde en huilde."

4.10. In het vonnis van de rechtbank te Plovdiv van 28 september 1992 is de problematische verhouding van de veroordeelde met het slachtoffer aan de orde gekomen, maar de stellingen van feitelijke aard waarmee de veroordeelde in Nederland haar verweer heeft onderbouwd zijn niet onverkort overgenomen, althans heeft de Bulgaarse rechter indertijd geen dienovereenkomstige vaststellingen gedaan.

De rechtbank te Plovdiv heeft als vaststaand aangenomen dat het slachtoffer na alcoholgebruik "nerveus" werd en een "ruziemaker". Wellicht enigszins eufemistisch stelde de rechtbank vervolgens vast dat hij in die toestand de veroordeelde "dwong om zaken te doen die ze niet altijd aangenaam vond" (blz. 3).

De veroordeelde heeft zich indertijd in de woorden van de rechtbank beroepen op noodweer en ontoerekeningsvatbaarheid, maar de rechtbank heeft deze verweren verworpen op feitelijke gronden. Van noodzakelijke verdediging tegen geweld was geen sprake, aldus de rechtbank, omdat het slachtoffer dronken was en snel in slaap was gevallen. De handelingen van de veroordeelde waren doelgericht. Psychiatrische expertise toonde aan dat de veroordeelde besef had van haar handelingen en van de betekenis van de moord, en dat "ze haar daden kon besturen". De schrik en de angst van de veroordeelde lag, volgens de rechtbank, "meer aan het feit, dat ze de uitdrukking van de ogen van het slachtoffer zag, de angst, dat hij zal overleven en zich op haar wreken" (blz. 5).

4.11. De Hoge Raad van de Republiek Bulgarije heeft op 14 maart 1994 uitspraak gedaan op het beroep van de veroordeelde. Daarbij heeft de veroordeelde een bezwaar ontwikkeld tegen het buiten toepassing laten van artikel 118 van het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht, dat strafvermindering voorschrijft ingeval de moord is gepleegd "in een toestand van grote opwinding veroorzaakt door een door geweld gewond persoon, grove belediging of laster of door een andere wederrechtelijke daad waaruit ernstige gevolgen voor de verdachte of voor zijn naasten zijn voortgevloeid of zouden kunnen voortvloeien".

De Bulgaarse Hoge Raad wees dit beroep af op de volgende grondslag (in vertaling uiteraard):

"De rechtbank van eerste aanleg bekeek de voorgelegde argumenten voor de toepassing van art. 118 van het Wetboek van Strafrecht. Kort samengevat antwoordde de rechtbank op de vraag, waarom de toepassing niet mogelijk is. Zowel gegrond is het ook aanvaard, dat de verdachte zelf in haar uitleg voor de rechtbank niet op slecht gedrag van het slachtoffer wees, welk haar in een toestand van sterke irritatie kon stellen. Het is nog bij te voegen, dat het bezoek van het slachtoffer dronken in het huis van de verdachte normaal was, dat hun intieme verhoudingen gepaard gingen met ongewone ruzie's en herrie's, en desondanks gingen ze verder. De ontvangst van het slachtoffer thuis en de intieme verhoudingen bewijzen van de toestemming van de verdacht daarmee. Daarom is het argument, dat de verdachte in een toestand van sterke irritatie handelde in de zin van art. 118 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing."

4.12. De toepasselijke wetsbepalingen zijn in vertaling aan het dossier toegevoegd. Artikel 12 van het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht komt op mij over als de Bulgaarse evenknie van artikel 41 Sr, waarin noodweer en noodweerexces als gronden voor strafuitsluiting zijn verankerd. Gemeenschappelijk kenmerk van de Bulgaarse en de Nederlandse voorziening is dat het gaat om handelingen van de verdachte in de toestand van een "directe wederrechtelijke aanval". Deze bepaling voldoet dus niet als grondslag voor een beroep op psychische overmacht.

De artikelen 54 en (het al genoemde) 118 van het Bulgaarse Wetboek van Strafrecht behelzen geen bepalingen over strafuitsluiting, maar over strafvermindering.

In de aan Nederland overgelegde wetsteksten heb ik geen bepaling aangetroffen waarin met zoveel woorden is voorzien in strafuitsluiting voor degene die een misdrijf heeft begaan in een toestand van psychische overmacht, dat wil zeggen: begaan onder invloed van een van buiten komende dwang waartegen weerstand weliswaar niet volkomen onmogelijk is, doch die weerstand redelijkerwijs niet van de dader kan worden gevergd.

Wegens het ontbreken van zo'n bepaling heeft de steller van het middel een punt.

4.13. Het gaat ook bepaald niet om een onbelangrijk punt. Indien de veroordeelde structureel en stelselmatig is verkracht en/of mishandeld en haar redelijkerwijze geen uitweg uit haar benarde positie ter beschikking stond, kan naar Nederlands recht een beroep op psychische overmacht vruchtbaar zijn.

Anderzijds is onaannemelijk dat dergelijke omstandigheden in de Bulgaarse strafrechtspleging geen rol van betekenis kunnen spelen. De artikelen 54 en 118 bieden immers een opening voor strafvermindering. Psychische overmacht is wellicht als zodanig niet bekend, maar de feiten waarmee een beroep op die strafuitsluitingsgrond wordt onderbouwd kan de Bulgaarse rechter binnen het bestek van de straftoemeting in aanmerking nemen. Waar het mij om gaat is niet zozeer dat de genoemde strafmaatbepalingen moeten worden beschouwd als gelijkwaardig aan het Nederlandse artikel 40 Sr. De crux is dat uit de overwegingen van de Bulgaarse gerechten in eerste aanleg en in beroep valt af te leiden dat ook als een met artikel 40 Sr equivalente bepaling had kunnen worden ingeroepen, dit beroep op "psychische overmacht" zou zijn afgewezen op feitelijke gronden. De Bulgaarse rechters gaan namelijk uitdrukkelijk voorbij aan de door de veroordeelde aangevoerde beschrijving van de door externe omstandigheden ingegeven psychische toestand die haar zou hebben gebracht tot het delict.

Of de rechters dat 'verweer' indertijd voldoende serieus hebben opgevat en onderzocht is dan weer een andere kwestie. Die valt buiten de taken van de exequaturrechter en daarover kan deze niet als verkapte appelrechter oordelen.

4.14. Het zij toegegeven dat ik met enige aarzeling concludeer dat het middel faalt op de grond dat de stellingen van feitelijke aard waarmee de veroordeelde haar beroep op psychische overmacht heeft onderbouwd door de Bulgaarse rechter reeds niet aannemelijk zijn bevonden.

5.1. Het derde middel klaagt dat de rechtbank geen beslissing heeft genomen op het verzoek om de zaak aan te houden en de mogelijkheid van een TBS met voorwaarden te onderzoeken en daartoe rapportage te laten opmaken.

5.2. De bestreden uitspraak houdt onder meer het volgende in:

"Straftoemeting

(...)

Standpunt verdediging

(...)

Indien de rechtbank de tenuitvoerlegging toelaatbaar verklaart en een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming overweegt, verzoekt de raadsvrouw om de mogelijkheid van een TBS met voorwaarden te overwegen en daarvoor deze zaak aan te houden en het openbaar ministerie opdracht te geven een rapportage op te laten maken op grond waarvan de rechtbank de wenselijkheid van een TBS met voorwaarden kan beoordelen."

5.3. Het ter terechtzitting gedane voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw om de zaak aan te houden kan bezwaarlijk anders worden gezien dan als een verzoek dat is gegrond op de artikelen 328 jo 331 Sv, welke artikelen ingevolge de schakelbepaling van artikel 28, vierde lid, WOTS van overeenkomstige toepassing zijn. Nu de voorwaarden zijn vervuld, was de rechtbank op straffe van nietigheid gehouden uitdrukkelijk te beslissen op dit verzoek, dat strekt tot het onderzoeken van de mogelijkheid van de oplegging van een TBS (met voorwaarden). Deze mogelijkheid ligt besloten in artikel 30, eerste lid onder b WOTS. In het proces-verbaal van de terechtzitting en in de bestreden uitspraak zoekt men tevergeefs naar een uitdrukkelijke beslissing op dit voorwaardelijke verzoek tot aanhouding. Het middel klaagt hierover dus terecht.

6. De eerste twee middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Het derde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden vonnis behoren te leiden.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Leeuwarden, zitting houdende te Groningen, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Gesloten te Straatsburg op 18 december 1997, Trb. 1998, 64 en 202.

2 De officiële Engelse tekst luidt:

"1. Where a national of a Party who is the subject of a sentence imposed in the territory of another Party as a part of a final judgment, seeks to avoid the execution or further execution of the sentence in the sentencing State by fleeing to the territory of the former Party before having served the sentence, the sentencing State may request the other Party to take over the execution of the sentence.

2. At the request of the sentencing State, the administering State may, prior to the arrival of the documents supporting the request, or prior to the decision on that request, arrest the sentenced person, or take any other measure to ensure that the sentenced person remains in its territory, pending a decision on the request. Requests for provisional measures shall include the information mentioned in paragraph 3 of Article 4 of the Convention. The penal position of the sentenced person shall not be aggravated as a result of any period spent in custody by reason of this paragraph.

3. The consent of the sentenced person shall not be required to the transfer of the execution of the sentence."

3 Noot DA: Onder "onderdanen" van Nederland in de zin van het VOGP zijn volgens de Nederlandse verklaring bij artikel 3, vierde lid VOGP zowel Nederlanders als ingezetenen begrepen. Die verklaring is blijkens artikel 1, eerste lid van het Aanvullend Protocol ook van toepassing op het Aanvullend Protocol.

4 Noot AG: zie artikel 68 SUO.

5 Brief van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 27 maart 2002, Kamerstukken II 2001/02, 28 316 (R 1717), nr. 1.

6 Zie http://www.conventions.coe.int/Treaty/en/Reports/Html/167.htm

7 Kamerstukken II 1983/84, 18 129, nr. 3, p. 29.

8 Ik ontleen de volgende samenvatting aan S.K. de Groot in D.J.M.W. Paridaens-van der Stoel (red.), Tekst & Commentaar Internationaal Strafrecht, Deventer: Kluwer 2011, Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen, artikel 3, aant. 4.

9 Zie ook: H. Sanders, De tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen (diss. Tilburg), Antwerpen: Intersentia 2004, p. 60-61.

10 Zie artikel 30, eerste lid onder d WOTS, en dit tenzij de veroordeelde gedwongen psychiatrische verpleging behoeft.