Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV8290

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11/03924 W
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV8290
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WOTS-zaak. 1. HR: art. 81 RO. 2. De Hoge Raad doet wat de Rechtbank had behoren te doen en beveelt dat op de opgelegde gevangenisstraf de tijd die veroordeelde in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht in mindering zal worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/608

Conclusie

Nr. S 11/03924 W

Mr. Vegter

Zitting 31 januari 2012

Conclusie inzake:

[Veroordeelde]

1. De Rechtbank te Breda heeft op 11 augustus 2011 verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de tegen veroordeelde in Noorwegen gewezen rechterlijke beslissing van het Borgarting Lagmannsrett (hof van beroep), waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaar. De Rechtbank heeft de tenuitvoerlegging van de beslissing toelaatbaar verklaard , verlof verleend tot tenuitvoerlegging van de beslissing in Nederland en de veroordeelde ter zake van het in die beslissing vermelde feit een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar opgelegd, met aftrek van de tijd gedurende welke de veroordeelde in Noorwegen, ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid beroofd is geweest.

2. Namens veroordeelde heeft S. den Ridder- Gommeren, medewerkster van de Rechtbank Breda, namens veroordeelde cassatie ingesteld, daartoe blijkens de aan de akte rechtsmiddel gehechte volmacht gemachtigd door mr. T.E. Korff, advocaat te Amsterdam. Mr. T.E. Korff heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie die zich uitsluiten richten tegen de strafoplegging.

3. Het eerste middel klaagt over de begrijpelijkheid van de strafmotivering, omdat niet blijkt dat de Rechtbank "acht heeft geslagen op het verweer van de verdediging dat de bruto hoeveelheid verdovende middelen dusdanig afwijkt van de hoeveelheid pure verdovende middelen dat dit in strafverminderende zin dient mee te wegen in de strafoplegging, althans is niet toereikend gemotiveerd waarom met deze omstandigheid geen rekening is gehouden. Naast de geconstateerde onjuiste vaststelling van de feiten moet in deze zaak derhalve ook geconcludeerd worden dat de motivering onbegrijpelijk is, althans blijkt geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Bij gebreke aan transparantie is het voor verzoeker onduidelijk waarom een hogere straf is opgelegd dan in soortgelijke Nederlandse zaken gebruikelijk is."

4. Voor de strafoplegging is art. 31, eerste lid, van de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) van belang. Dit artikellid luidt als volgt:

"De rechtbank, de tenuitvoerlegging toelaatbaar achtende, verleent verlof tot tenuitvoerlegging van de buitenlandse rechterlijke beslissing en legt, met inachtneming van het daaromtrent in het toepasselijke verdrag voorgeschrevene, de straf of maatregel op, welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. De uitspraak van de rechtbank wordt met redenen omkleed. De uitspraak geeft voorts de bijzondere redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid en voorts zoveel mogelijk de omstandigheden, waarop bij de vaststelling van de duur of de hoogte van de straf is gelet. De artikelen 353 en 357 van het Wetboek van Strafvordering zijn van overeenkomstige toepassing."

5. In HR 21 december 1993, LJN AD2009, NJ 1995/199, m.nt. A.H.J. Swart oordeelde de Hoge Raad omtrent art. 31, eerste lid, WOTS dat:

"(...) de rechter, bij het opleggen van de straf of maatregel welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld, de in het buitenland opgelegde sanctie, zonder de duur of de omvang daarvan te overschrijden, in beginsel dient te vervangen door een straf of maatregel die naar Nederlandse maatstaven en opvattingen geacht wordt te beantwoorden aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en de persoon van de dader, zij het dat de rechter bij die vervanging tevens rekening dient te houden met internationale gevoeligheden."(1)

6. De bestreden uitspraak van de Rechtbank bevat in het kader van de strafmotivering onder meer de volgende overweging: "Anders dan waarvoor de raadsvrouw heeft gepleit, zal de rechtbank uitgaan van de bewezen verklaarde hoeveelheid van 112 kilogram amfetamine. Er wordt derhalve niet gekeken naar de hoeveelheid pure amfetamine. Bij de toepassing van de oriëntatiepunten wordt uitgegaan van bruto hoeveelheden."

7. Het middel miskent dat ook in de WOTS- procedure de keuze van de factoren welke voor de strafoplegging van belang zijn te achten, is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in beginsel geen motivering behoeft.(2) In cassatie kan niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of bij de strafoplegging is rekening gehouden met alle daarvoor in aanmerking komende factoren.(3) Op het verweer dat moet worden uitgegaan van het gewicht van onversneden drugs heeft de Rechtbank, zoals blijkt onder 6 hierboven, gereageerd en die reactie is niet onbegrijpelijk nu geen rechtsregel voorschrijft dat in Nederland het gewicht van de onversneden drugs(4) uitgangspunt moeten zijn bij de straftoemeting.(5) Mij ontgaat wat de steller van het middel bedoelt met "de geconstateerde onjuiste vaststelling van de feiten".

De stelling dat "het voor verzoeker onduidelijk waarom een hogere straf is opgelegd dan in soortgelijke Nederlandse zaken gebruikelijk is" hangt enigszins in de lucht. Die onduidelijkheid voor verzoeker is te betreuren, maar kan natuurlijk op zich zelf genomen niet tot cassatie leiden. Dat kan pas aan de orde zijn als de opgelegde straf (ernstig) verbazing wekt in het licht van gebruikelijk opgelegde straffen. Mogelijk beoogt de steller van het middel dat te betogen nu zij in de schriftuur herhaalt dat in feitelijke aanleg is gesteld dat bij een totale hoeveelheid pure amfetamine van 18,6 kilo gelet op de LOVS- richtlijnen in dergelijke gevallen een straf tussen 48 en 60 maanden passend is. Zelfs als er met de steller van het middel wordt aangenomen dat de rechter van die 18,6 kilo pure amfetamine dient uit te gaan, kan het middel echter niet slagen. Uit de overwegingen van de Rechtbank ten aanzien van de straf(maat) blijkt niet dat de Rechtbank zich bij het bepalen van de straf(maat) heeft gebaseerd op de oriëntatiepunten van het LOVS. Wanneer de Rechtbank (zie hierboven onder 6) overweegt dat bij de toepassing van de oriëntatiepunten wordt uitgegaan van bruto hoeveelheden is dat een feitelijke constatering en ligt daarin niet, althans niet zonder meer besloten dat die oriëntatiepunten bij de strafbepaling worden toegepast.

Deze oriëntatiepunten vormen geen recht in de zin van art. 79 Wet RO, zodat een beroep daarop ook om die reden geen doel kan treffen.(6) Bovendien wordt miskend dat de oriëntatiepunten geen betrekking hebben op de in het kader van de toepassing van de WOTS op te leggen straffen. Daarbij spelen immers andere factoren een rol dan bij de reguliere straftoemeting. De straf moet niet zodanig worden verlaagd dat de vreemde staat in de toekomst van de exequaturprocedure afziet. (7) Dat is een internationale gevoeligheid, zoals bedoeld in de hierboven onder 5 geciteerde overweging van de Hoge Raad. Zelfs als vier of vijf jaar gevangenisstraf hier te lande, zoals de steller van het middel mogelijk meent, gebruikelijk zou zijn, wekt acht jaar in de internationale context nog niet zonder meer verbazing, nu daarbij immers in aanmerking moet worden genomen dat in Noorwegen twaalf jaar is opgelegd. Het eerste middel faalt.

9. Het tweede middel behelst de klacht dat de Rechtbank heeft verzuimd te bevelen dat bij de tenuitvoerlegging van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf de tijd die hij in Nederland in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht, in mindering zal worden gebracht. Dit middel treft doel.

10. Onder verwijzing naar HR 21 september 2010, LJN BN4768, RvdW 2010, 1118 moet worden aangenomen dat ook de door de veroordeelde in Nederland in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd bij de uitvoering van de straf in mindering moet worden gebracht, hoewel zulks net met zoveel woorden in art. 31, tweede lid, WOTS tot uitdrukking komt.

11. De stukken van het geding houden in dat de veroordeelde in de onderhavige zaak in Nederland enige tijd in uitleveringsdetentie heeft doorgebracht. De Rechtbank heeft evenwel verzuimd te bevelen dat die in mindering zal worden gebracht bij de uitvoering van de opgelegde straf. Het middel klaagt daarover terecht. De Hoge Raad kan, met vernietiging van de bestreden uitspraak in zoverre, doen wat de Rechtbank had behoren te doen.

12. Nu geen grond aanwezig is waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, geef ik u in overweging het eerste middel te verwerpen en af te doen met de aan art. 81 RO ontleende overweging en voorts de bestreden uitspraak gelet op het tweede middel te vernietigen, maar uitsluitend voor zover de Rechtbank heeft verzuimd te bevelen dat de door de veroordeelde als gevolg van het Noorse uitleveringsverzoek in Nederland in uitleveringsdetentie doorgebrachte tijd bij de uitvoering van de opgelegde staf in mindering zal worden gebracht en die aftrek alsnog te bevelen naast de al in mindering gebrachte tijd die de veroordeelde in Noorwegen van zijn vrijheid beroofd is geweest ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op zijn overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 8 juni 2004, LJN AO8390, NJ 2004/404.

2 Vgl. o.a. HR 21 november 2006, LJN AY7805 en HR 14 maart 2006, LJN AU9353.

3 Zie Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e, p. 263.

4 De steller van het middel onderscheidt tussen het gewicht van de onversneden drugs en de sterktegraad van de drugs. Dat onderscheid kan ik niet goed volgen omdat de sterktegraad een rechtstreeks gevolg is van de mate waarin andere stoffen als cafeïne en dergelijke aan de amfetamine zijn toegevoegd en daarmee dus van de mate waarin de amfetamine is versneden.

5 Zie ook HR 14 juni 2011, LJN BP9448.

6 Vgl. o.m. HR 3 december 2002, LJN AE8838, NJ 2003/570.

7 Zie ook HR 26 juni 1990, NJ 1991, 188, 190, 191 en 192 m.nt AHJS.