Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV8251

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
10-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
10/04520
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN3664
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV8251
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 588.2 Sv. Verzending inleidende dagvaarding naar buitenlands adres van verdachte. Noch de akte uitreiking behorende bij de inleidende dagvaarding, noch de kopie van het register voor aangetekende verzendingen houdt in dat de inleidende dagvaarding naar het adres van verdachte in Curaçao is verzonden. Daaruit volgt dat de inleidende dagvaarding niet is betekend overeenkomstig art. 588 Sv (vgl. HR LJN AD5163, rov. 3.20). Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de inleidende dagvaarding geldig is betekend is derhalve onjuist. De aan de overweging van het Hof ten grondslag liggende opvatting dat de eventuele nietigheid van de dagvaarding in eerste aanleg wordt gedekt door ’s Hofs vaststelling dat verdachte op de hoogte was van het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg, is eveneens onjuist. Nu de verdachte niet is verschenen op die terechtzitting, doet zich hier niet voor een omstandigheid op grond waarvan de nietigheid van de dagvaarding achterwege kan blijven (vgl. HR LJN AD5163, rov. 3.26 - 3.29).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 231

Conclusie

Nr. 10/04520

Mr. Hofstee

Zitting: 31 januari 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij (verstek)arrest van 12 juli 2010 het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Dordrecht d.d. 24 juni 2009 bevestigd. Met verbetering van de kwalificatie is verzoeker wegens "Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd", veroordeeld tot een geldboete van € 400,-, subsidiair acht dagen hechtenis.

2. Namens verzoeker heeft mr. R. van den Hemel, advocaat te Dordrecht, een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3. Het eerste middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, behelst de klacht dat de Politierechter in eerste aanleg ten onrechte verstek heeft verleend tegen verzoeker en dat het Hof ten onrechte de inleidende dagvaarding niet nietig heeft verklaard, terwijl dit wel had dienen te gebeuren nu niet aan de betekeningvoorschriften is voldaan, althans zulks niet uit de stukken blijkt.

4. Voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, heeft het Hof in zijn arrest overwogen:

"Overweging

Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte op het door hem tijdig bij de Centrale Balie van de rechtbank te Dordrecht ingediende standaardgrievenformulier onder

"Gang van zaken ter terechtzitting

Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat:" heeft ingevuld "ik was ongeveer 3 minuten te laat op zitting".

Op grond van deze mededeling van de verdachte stelt het hof vast dat hij op de hoogte was van het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg op 24 juni 2009."

5. Vooropgesteld moet worden dat het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht ligt besloten in art. 6 EVRM en in zoveel woorden is verankerd in art. 14, derde lid aanhef en onder d, IVBPR. Met het oog op de oproepingsfunctie van de dagvaarding en de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte heeft de Hoge Raad in zijn belangrijke standaardarrest van 12 april 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317 m.nt. Schalken zijn reeds eerder in verscheidene arresten gegeven uitleg van de wettelijke betekeningvoorschriften van art. 588 Sv met betrekking tot gerechtelijke stukken alsmede de rechtsgevolgen van niet-naleving van de betekeningvoorschriften op overzichtelijke wijze samengevat en van nadere aanvullende regels voorzien.

6. Voorts bepaalt art. 278, eerste lid, Sv (in hoger beroep ingevolge art. 415 Sv van overeenkomstige toepassing verklaard) dat de feitenrechter de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding dient te onderzoeken, indien de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen.

7. Verder zijn voor de beoordeling van het middel de volgende overwegingen van de Hoge Raad in voornoemd standaardarrest van belang. De rechter dient uit te gaan van de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. De aanname dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, kan slechts berusten op duidelijke - aan de processtukken of het verhandelde ter terechtzitting ontleende - aanwijzingen. Heeft de verdachte een bekend GBA-adres in Nederland, dan dient dit adres - behoudens het zich in de onderhavige zaak niet voordoende geval van detentie - als uitgangspunt te worden genomen bij de betekening van de (inleidende) dagvaarding. Heeft de verdachte een bekende woon- of verblijfplaats op (toen nog) de Nederlandse Antillen of Aruba, dan is het bepaalde in art. 588, tweede lid, Sv van overeenkomstige toepassing. Alsdan geschiedt de betekening van de dagvaarding door toezending van de dagvaarding door het Openbaar Ministerie rechtstreeks dan wel door de daartoe bevoegde autoriteit of instantie aan het laatst bekende adres van de verdachte aldaar. In hoger beroep dient niet alleen de geldigheid van de appeldagvaarding te worden onderzocht, maar ook de geldigheid van de inleidende dagvaarding. Wanneer de betekening van de inleidende dagvaarding niet op wettige wijze is geschied en de verdachte noch zijn raadsman is verschenen op de terechtzitting in eerste aanleg, dient de appelrechter deze dagvaarding in beginsel nietig te verklaren (behoudens indien hij op de voet van art. 422a de zaak aan zich houdt). Nietigverklaring van de inleidende dagvaarding blijft echter achterwege wanneer de appeldagvaarding aan de verdachte in persoon is betekend en de verdachte of zijn raadsman niet is verschenen op de terechtzitting in hoger beroep of wanneer daar niet is geklaagd over de betekening van de inleidende dagvaarding. Uit de omstandigheid dat door of namens de verdachte in hoger beroep geen gebruik is gemaakt van de gelegenheid te klagen over het betekeningverzuim in eerste aanleg, moet immers worden afgeleid dat de verdachte alsnog vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg. Dit is anders - zo maak ik uit deze laatste overwegingen van de Hoge Raad op - indien de appeldagvaarding niet in persoon is betekend en de behandeling van de zaak ter terechtzitting in hoger beroep eveneens bij verstek plaatsvindt. Alsdan kan de appelrechter immers niet zonder meer aannemen dat de verdachte alsnog vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg.(1)

8. Na deze inleidende beschouwingen keer ik terug naar het middel. Het 'proces-verbaal terechtzitting' in eerste aanleg d.d. 24 juni 2009 vermeldt als woonadres van verzoeker: [plaats], [a-straat 1] en relateert dat toen en aldaar door de Politierechter verstek is verleend tegen verzoeker, nu verzoeker noch een door hem gemachtigde raadsman op deze terechtzitting aanwezig was. Uit dat 'proces-verbaal terechtzitting' kan niet worden afgeleid of de Politierechter onderzoek heeft gedaan naar de geldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding. Onder de in cassatie voorhanden zijnde gedingstukken ontbreekt de 'akte van uitreiking' van de inleidende dagvaarding. Een onderzoek naar de geldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding kan derhalve in cassatie niet worden gedaan. Wel bevindt zich onder de stukken van het geding het GBA-overzicht van 22 juni 2006, waaruit het volgende blijkt. Van 6 november 2006 tot 11 september 2007 had verzoeker zijn woonadres op voornoemde [a-straat 1] te [plaats]. Van 11 september 2007 tot 23 februari 2010, en dus ook op de dag van de terechtzitting van de Politierechter d.d. 24 juni 2009, was verzoekers adres: [b-straat 1] te Curaçao. Dit gegeven is van belang omdat uit de gedingstukken ook niet blijkt of de betekening van de inleidende dagvaarding overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede lid, Sv en het meergenoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad is geschied door toezending van die dagvaarding door het Openbaar Ministerie rechtstreeks dan wel door de daartoe bevoegde autoriteit of instantie aan het adres van verzoeker op Curaçao. Vanaf 23 februari 2010 woonde verzoeker weer in Nederland, en wel aan de [c-straat 1] in [plaats].

9. Gezien het zogenoemde 'standaardgrievenformulier' heeft verzoeker op 7 juli 2009 in persoon hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de Politierechter onder vermelding van [a-straat 1] als zijn adres in [plaats]. Voorts heeft verzoeker op dit formulier met de hand geschreven dat hij niet bij de zitting van de Politierechter aanwezig is geweest omdat hij ongeveer 3 minuten te laat op de zitting was.

10. Uit de 'processen-verbaal terechtzitting' van het Hof van 16 maart 2010 en 28 juni 2010 blijkt dat verzoeker noch een door hem gemachtigde raadsman op deze terechtzittingen is verschenen (en dat kennelijk telkens verstek is verleend tegen verzoeker). In het 'proces-verbaal terechtzitting' van 16 maart 2010 valt nog te lezen dat de voorzitter heeft meegedeeld dat de appeldagvaarding wegens het ontbreken van een adresvermelding in de GBA op 4 februari 2010 aan de griffier is betekend en dat deze dagvaarding als gewone brief is verstuurd naar het door de verdachte bij het instellen van het appel opgegeven adres alsmede naar het adres van de verdachte in het buitenland. Vervolgens heeft het Hof het onderzoek ter terechtzitting voor beraad onderbroken en heeft de voorzitter meegedeeld dat de behandeling van de onderhavige zaak zal worden aangehouden, omdat de betekening van de appeldagvaarding niet heeft plaatsgevonden voorafgaande aan de in art. 265 Sv gestelde termijn en niet is gebleken dat de verdachte toestemming heeft verleend voor verkorting van deze termijn. Met het oog op de terechtzitting van 28 juni 2010 is - gezien de akte van uitreiking - een gerechtelijke brief uitgegaan naar het adres [b-straat 1] te Curaçao. Deze akte van uitreiking vermeldt voorts dat de zittingsdatum 28 juni 2010 is en dat de gerechtelijke brief (daarom) uiterlijk op 18 juni 2010 dient te worden uitgereikt. Uit de akte van uitreiking blijkt echter dat de gerechtelijke brief pas op 22 juni 2010 aan de griffier van de Rechtbank te Den Haag is uitgereikt en dat op diezelfde datum een afschrift daarvan is verzonden aan voormeld adres van verzoeker in het buitenland. Hierover wordt in cassatie echter niet geklaagd. Ik ga er dan ook van uit dat de appeldagvaarding rechtsgeldig is betekend.

11. Omdat de appeldagvaarding niet in persoon aan verzoeker is betekend en op beide terechtzittingen in hoger beroep ten aanzien van hem kennelijk verstek is verleend, kan in het onderhavige geval met vrucht worden geklaagd over de wijze van betekening van de inleidende dagvaarding. Verzoeker is derhalve ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

12. Onder verwijzing naar hetgeen ik hierboven onder 7 uit het voornoemde overzichtarrest van de Hoge Raad heb aangehaald, dringt zich thans de vraag op of het Hof de inleidende dagvaarding niet nietig had dienen te verklaren en had moeten oordelen dat verzoeker alsnog gezegd kan worden niet vrijwillig afstand te hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht in eerste aanleg.

13. In de beantwoording van deze vraag schuilt het probleem. Zoals zo vaak in de beoordeling van rechtsvragen zitten daaraan twee kanten. Enerzijds heeft het Hof er geen blijk van gegeven zelf onderzoek te hebben gedaan naar de geldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding. Anderzijds heeft het Hof in zijn arrest geoordeeld dat verzoeker gezien het door hem tijdig bij de Centrale Balie van de Rechtbank te Dordrecht ingediende standaardgrievenformulier d.d 7 juli 2009 en de door hem op dat formulier geschreven mededelingen op de hoogte was van het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg op 24 juni 2009. Voor zover hier relevant, houdt dit standaardgrievenformulier in:

"Om één of meer van de volgende redenen kom ik in hoger beroep (aankruisen en invullen wat van toepassing is):

Gang van zaken ter terechtzitting:

( ) Ik ben niet bij de zitting aanwezig geweest, omdat: "ik was ongeveer +- 3 minuten te laat op zitting"

( ) Ik had het volgende naar voren willen brengen:

"ik heb die agenten niet uitgescholden"

(...)"

14. Zeker nu het middel zich met een klacht tegen de geldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding keert, meen ik dat in cassatie strak dient te worden vastgehouden aan de in HR 12 april 2002, LJN AD5163, NJ 2002, 317 geformuleerde regels ten aanzien van de uitleg van de wettelijke betekeningvoorschriften van art. 588 Sv, zodat er geen ruimte is om 's-Hofs nogal vrije interpretatie van de hierboven weergegeven mededelingen van verzoeker te volgen. Daarbij teken ik aan dat de oproepingsfunctie van de dagvaarding niet alleen ziet op effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte, maar ook op een ander - eveneens door art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR gewaarborgd - verdedigingsrecht van de verdachte, te weten dat hem (naast de nodige faciliteiten) voldoende tijd wordt gegeven om zijn verdediging voor te bereiden.

15. Ten overvloede merk ik op dat het Hof niet heeft uitgelegd waarom (op welke manier) de handgeschreven tekst van verzoeker aangeeft dat verzoeker op de hoogte was van de dag, het tijdstip en de plaats van de terechtzitting in eerste aanleg. Kan uit die tekst niet evenzeer of zelfs eerder worden opgemaakt dat verzoeker bij de behandeling van zijn strafzaak in eerste aanleg aanwezig had willen zijn om zijn standpunt - "ik heb die agenten niet uitgescholden" - naar voren te brengen?

16. Op grond van het voorgaande is onbegrijpelijk het in het arrest besloten liggend oordeel van het Hof, dat eigen onderzoek naar de geldigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding niet nodig is en het eventuele verzuim bij de betekening van de inleidende dagvaarding is hersteld, een en ander omdat verzoeker blijkens het standaardgrievenformulier op de hoogte zou zijn van het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg op 24 juni 2009.

17. Het eerste middel slaagt.

18. Het tweede middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, klaagt dat het Hof ten onrechte het vonnis van de Politierechter heeft bevestigd terwijl de Politierechter gelet op de veroordeling van de Kantonrechter d.d. 8 juni 2009 op straffe van nietigheid art. 63 Sr buiten toepassing heeft gelaten, waardoor de strafoplegging niet met redenen is omkleed.

19. Het middel treft geen doel. Voor toepassing van art. 63 Sr is een eerdere veroordeling nodig. Weliswaar is het in de onderhavige zaak ten laste van verzoeker bewezenverklaarde feit gepleegd op 1 december 2008, maar is van een veroordelende uitspraak van de Kantonrechter geen sprake. Blijkens het zich onder de stukken van het geding bevindend 'Uittreksel Justitiële Documentatie' d.d. 3 juni 2010 blijkt immers dat op 8 juni 2009 de Kantonrechter te Dordrecht verzoeker heeft vrijgesproken van het hem toen tenlastegelegde feit (overtreding van art. 27, eerste lid, WWM).(2) Het Hof heeft het vonnis van de Politierechter(3), waarin art. 63 Sr buiten toepassing is gelaten, dan ook terecht bevestigd. De strafoplegging is mitsdien naar de eis der wet met redenen omkleed.

20. Het tweede middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

21. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, 2009, p. 193.

2 Ik ga ervan uit dat de steller van het middel op deze uitspraak van de Kantonrechter doelt, nu ik in dat uittreksel geen uitspraak d.d. 8 juni 2009 van een andere Kantonrechter aantref.

3 Terzijde merk ik op dat blijkens het 'proces-verbaal terechtzitting' d.d. 24 juni 2009 de Politierechter acht heeft geslagen op het 'Uittreksel Justitiële Documentatie' d.d. 27 april 2009. De Kantonrechter heeft uitspraak gedaan na de datum van voornoemd uittreksel waardoor de Politierechter niet op de hoogte kon zijn van de latere uitspraak van de Kantonrechter d.d. 8 juni 2009.