Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV7507

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
11/03109
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV7507
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 11/03109

Mr. Machielse

Zitting 24 januari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte 6](1)

1. Het Gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te 's-Hertogenbosch, heeft verdachte op 23 december 2010 voor parketnummer 13-993140-07, feit 1: feitelijke leidinggeven aan: oplichting, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon; feit 2: feitelijke leidinggeven aan: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon; feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl hij daarvan oprichter en leider is, en parketnummer 13/993027-08: feitelijk leidinggeven aan: oplichting, meermalen gepleegd, begaan door een rechtspersoon, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar. Voorts heeft het hof beslissingen genomen over de vorderingen van benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd zoals in de bijlagen bij het arrest omschreven.

2. Mr. S.K. Li, advocaat te Amsterdam, heeft cassatie ingesteld. Mr. M. t'Sas, advocaat te Wijk bij Duurstede, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt over het gebruik voor het bewijs van de resultaten van fotoconfrontaties. Als ik het goed begrijp richt het bezwaar van de steller van het middel zich tegen het oordeel van het hof dat enerzijds de wijze waarop de fotoconfrontaties hebben plaatsgehad gebrekkig was maar dat anderzijds de resultaten van de fotoconfrontaties wel voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

3.2. De advocaat van verdachte heeft ter terechtzitting het woord gevoerd overeenkomstig een overgelegde en zich in het dossier bevindende pleitnota. De advocaat heeft daarin gewezen op het feit dat twee getuigen samen in verband met de fotoconfrontatie de foto's hebben bekeken en met elkaar daarover hebben gesproken. Voorts zijn alle fotoconfrontaties gedaan door dezelfde twee koppels verbalisanten, van wie niet duidelijk is of zij gecertificeerde ambtenaren zijn, aangewezen als confrontatieleider.

3.3. Het arrest van het hof bevat dienaangaande de volgende overwegingen:

"Dat [betrokkene 23] en [betrokkene 24] valse namen waren, waarvan verdachte respectievelijk [verdachte 2] zich bedienden, leidt het hof af uit de herkenning aan de hand van foto's door een aantal van de personen die zij in het kader van de activiteiten van [G] ontmoet hadden.

Daar komt bij, dat twee bestanden zijn aangetroffen op de website van [G], te weten "voorwaarden deelname" en een brochure, die zijn gemaakt door verdachte, in elk geval door zijn bedrijf Websoft.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de herkenning door de getuige [getuige 12] van de verdachte als de persoon die zich uitgaf voor [betrokkene 23], zoals die herkenning is weergegeven in proces-verbaal AH 41, niet voor het bewijs gebruikt mag worden, omdat daarvoor een ondertekende verklaring van de getuige zelf nodig zou zijn. Het wetboek kent die eis echter niet; het ambtsedig relaas van de verbalisant, dat hij de foto van verdachte aan de getuige toonde, en dat zij hem vervolgens opgaf de daarop afgebeelde persoon te herkennen als degene die zich [betrokkene 23] noemde, is voldoende.

Voor zover de verdediging tevens heeft willen betogen dat ten onrechte is volstaan met een enkelvoudige fotoconfrontatie, merkt het hof op dat een meervoudige fotoconfrontatie in gevallen als deze ongetwijfeld de voorkeur verdient, maar dat desalniettemin ook aan een herkenning na een enkelvoudige fotoconfrontatie bewijskracht kan worden toegekend.

De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de herkenningen door de getuigen [getuige 13] en [getuige 14] van de verdachte als de persoon die zich uitgaf voor [betrokkene 23] (G-08 en G-10) onbetrouwbaar zijn omdat deze getuigen vermoedelijk samen naar de foto's hebben gekeken en daar, zo stelt de verdediging, ook over hebben gepraat. Het hof stelt vast dat de FIOD-ECD inderdaad onvoldoende waarborgen heeft geschapen dat deze beide getuigen onafhankelijk van elkaar zouden verklaren. Dit doet afbreuk aan de overtuigingskracht van hun herkenningen, maar niet op zo ver gaande wijze dat deze herkenningen geheel van het bewijs dienen te worden uitgesloten. Hetzelfde geldt voor de herkenning door de getuige [getuige 15] (G-07).

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de herkenningen door de getuigen [getuige 16] en [getuige 17] (G-12 en G-05) eveneens van het bewijs moeten worden uitgesloten, omdat niet duidelijk is of de verbalisanten gecertificeerde ambtenaren waren, aangewezen als confrontatieleider, omdat niet blijkt dat de getuigen tevoren voldoende en op de juiste wijze werden geïnstrueerd en omdat de functionaris die de 'herkenningsproef' leidde zelf wist welke van de getoonde foto's de verdachte voorstelde. Het hof begrijpt dat de verdediging dezelfde bezwaren heeft tegen de eerder genoemde herkenningen.

Het hof gaat ook aan deze bezwaren voorbij. Anders dan de verdediging kennelijk veronderstelt kent de wet geen specifieke procedureregels voor fotoherkenningen. Het hof ziet in het door de verdediging aangevoerde noch anderszins grond om aan te nemen dat de gevolgde werkwijze heeft gestrekt tot beïnvloeding van de getuigen met het oog op de door hen af te leggen verklaring; ook verder ziet het geen gronden om aan te nemen dat de gang van zaken onverenigbaar is geweest met een eerlijke procesvoering.

Het hof stelt vast dat aldus sprake is van twee stevige herkenningen (G-12 en G-05), aangevuld met vier herkenningen die op zichzelf genomen tengevolge van de gesignaleerde onvolkomenheden minder overtuigingskracht hebben; tezamen sluiten zij naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel uit dat de verdachte niet de persoon was, die zich uitgaf voor [betrokkene 23].

De verdediging heeft er op gewezen dat een zestal andere getuigen de verdachte niet als [betrokkene 23] heeft herkend. In het bijzonder ten aanzien van de getuige [verdachte 5], die veel met [betrokkene 23] samen zou zijn geweest, vindt de verdediging dit verbazingwekkend. Het hof acht het daarentegen aannemelijk dat [verdachte 5] zijn medeverdachte niet heeft willen herkennen."

3.4. Het hof heeft vastgesteld dat de wijze waarop de fotoconfrontaties zijn uitgevoerd niet in strijd komt met een eerlijk procesvoering en dus rechtmatig zijn gehouden.(2) In dit verband wijs ik erop dat het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek(3) niet van toepassing is op confrontaties die niet in persoon worden gehouden.(4) Rechtmatig verkregen bewijsmateriaal kan bijdragen tot het bewijs van het tenlastegelegde feit.(5)

Uitgangspunt is dan dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht, zonder dat hij van zijn oordeel over de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal in zijn uitspraak nadere rekenschap behoeft af te leggen.

Het hof heeft zich rekenschap gegeven van de omstandigheden waaronder de herkenningen door getuigen hebben plaatsgevonden en, de nodige behoedzaamheid betrachtend, de herkenningen in onderlinge samenhang bezien voldoende betrouwbaar geoordeeld om deze voor het bewijs te bezigen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.

Het middel faalt en kan naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.

4. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met nr. 11/01510 ([verdachte 4]), nr. 11/03111 ([verdachte 7]), nr. 11/00029 ([verdachte 1]), nr. 11/00208 ([verdachte 3]), nr. 11/00183 ([verdachte 2]) en 11/00279 ([verdachte 5]) waarin ik ook vandaag concludeer.

2 Bijv. HR 3 juni 1997, NJ 1997, 584; HR 29 juni 2010, LJN BM0289.

3 Besluit van 22 januari 2002, Stb. 2002, 46.

4 HR 9 februari 2010, LJN BK6146.

5 HR 30 oktober 2001, LJN AB3244.