Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV7047

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
10/04820
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2010:BN8832
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV7047
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Artt. 70 en 102 Wet Personenvervoer 2000 en art. 48 Besluit Personenvervoer 2000. ’s Hofs oordeel dat uit art. 48 Besluit volgt dat het OM n-o is in de vervolging als uit het strafdossier niet kan worden afgeleid dat de vervoerder de reiziger tweemaal in de gelegenheid heeft gesteld om alsnog de verschuldigde geldsom te betalen geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Uit art. 102 Wpv 2000 jo. art. 48.7 Besluit volgt dat het recht op strafvervolging enkel vervalt zodra de reiziger alsnog binnen de in art. 48.5 en 6 Besluit aangegeven termijnen de verschuldigde geldsom betaalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 222

Conclusie

Nr. 10/04820

Mr. Machielse

Zitting 24 januari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 1 oktober 2010 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachte wegens overtreding van de art. 70 van de Wet Personenvervoer 2000.

2. Mr. J.C. Gras, advocaat-generaal bij het Hof te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Mr. L. Plas, plaatsvervangend advocaat-generaal bij het Hof te 's-Hertogenbosch, heeft bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft mr. J.C. Oudijk, advocaat te Venlo, het cassatieberoep tegengesproken.

3.1. Het middel behelst de klacht dat 's Hofs oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van de verdachte omdat op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld of de verdachte overeenkomstig het bepaalde in het vijfde en/of het zesde lid van het Besluit personenvervoer 2000 twee maal in de gelegenheid is gesteld om te betalen, berust op een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat de motivering van dat oordeel onbegrijpelijk is.

3.2. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

"1.

hij op of omstreeks 15 mei 2007 te Eindhoven, in elk geval op het baanvak gelegen tussen de stopstations Eindhoven en Weert, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een trein van de Naamloze Vennootschap Nederlandse Spoorwegen, zonder hiervoor geldig vervoerbewijs;

2.

hij op of omstreeks 9 april 2007 te Helmond, in elk geval op het baanvak gelegen tussen de stopstations Helmond en Eindhoven, gebruik heeft gemaakt van het openbaar vervoer, te weten een trein van de Naamloze Vennootschap Nederlandse Spoorwegen, zonder hiervoor geldig vervoerbewijs."

3.3. De bestreden uitspraak houdt het volgende in:

"Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van de verdachte is primair het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard, omdat het in de onderhavige zaak niet tot een beslissing tot vervolging had mogen komen. Van de zijde van de verdachte is daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd.

Op grond van artikel 48 van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit) dient een persoon die zonder geldig vervoersbewijs in het openbaar vervoer wordt aangetroffen twee maal in de gelegenheid te worden gesteld om de vervoersprijs (inclusief verhoging en administratiekosten) alsnog te betalen. Indien vervolgens alsnog betaald wordt binnen de termijn vervalt op grond van artikel 48, lid 7 van het Besluit het recht op strafvervolging. Nu op grond van het dossier niet vastgesteld kan worden of verdachte twee maal in de gelegenheid is gesteld om alsnog te betalen, had het openbaar ministerie (nog) niet mogen overgaan tot vervolging van verdachte.

Het hof overweegt hiertoe het volgende.

In het dossier bevinden zich de volgende stukken:

- een proces-verbaal d.d. 4 juli 2007, ondertekend door buitengewoon opsporingsambtenaar [getuige 1] en inhoudende - zakelijk weergegeven- onder meer het volgende:

Op dinsdag 15 mei 2007, voerde ik tijdens mijn dienst een vervoersbewijzencontrole uit. In een afdeling 2e klasse trof ik een reiziger aan, die desgevraagd niet ter controle aan mij als toezichthouder een geldig vervoerbewijs toonde of overhandigde. Op grond van artikel 48, eerst lid, besluit personenvervoer 2000, vorderde ik van de reiziger mij de vervoerprijs te voldoen. De reiziger voldeed niet aan deze vordering. Daarnaar gevraagd gaf hij mij op te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats].

(...)

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, lid 5 is verdachte in de gelegenheid gesteld de vervoerprijs inclusief de verhoging alsnog binnen een week te betalen. Verdachte heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Vervolgens is verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, lid 6, van dat besluit alsnog in de gelegenheid gesteld om binnen de daarvoor gestelde termijn de vervoerprijs, inclusief de verhoging en vermeerderd met administratiekosten te voldoen. Verdachte heeft ook hiervan geen gebruik gemaakt.

- een proces-verbaal d.d. 4 juli 2007, ondertekend door buitengewoon opsporingsambtenaar [getuige 2] en inhoudende - zakelijk weergegeven- onder meer het volgende:

Op maandag 9 april 2007 voerde ik tijdens mijn dienst een vervoersbewijzencontrole uit. In een afdeling 2e klasse trof ik een reiziger aan, die desgevraagd niet ter controle aan mij als toezichthouder een geldig vervoerbewijs toonde of overhandigde. Op grond van artikel 48, eerst lid, Besluit personenvervoer 2000, vorderde ik van de reiziger mij de vervoerprijs te voldoen. De reiziger voldeed niet aan deze vordering. Daarnaar gevraagd gaf hij mij op te zijn: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1979 te [geboorteplaats].

(...)

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, lid 5 is verdachte in de gelegenheid gesteld de vervoerprijs inclusief de verhoging alsnog binnen een week te betalen. Verdachte heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Vervolgens is verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 48, lid 6, van dat Besluit alsnog in de gelegenheid gesteld om binnen de daarvoor gestelde termijn de vervoerprijs, inclusief de verhoging en vermeerderd met administratiekosten te voldoen. Verdachte heeft ook hiervan geen gebruik gemaakt.

Ter terechtzitting van het hof van 17 september 2010 zijn de buitengewoon opsporingsambtenaren [getuige 1] en [getuige 2] als getuige gehoord.

De getuige [getuige 1] heeft toen onder meer het volgende verklaard:

Het door mij ondertekende proces-verbaal van 4 juli 2007 dat in het dossier zit heb ik niet opgemaakt. Ik krijg een dergelijk proces-verbaal terug wanneer een verdachte niet betaald heeft. Het is een standaard proces-verbaal dat door anderen opgemaakt wordt aan de hand van mijn aantekeningen in het ontwerp proces-verbaal. Het ontwerp proces-verbaal maak ik op in de trein op een standaardformulier. Ik lever vervolgens aan het eind van de dag het origineel in, het tweede blad gaat in mijn eigen administratie en het derde blad krijgt de verdachte mee. Wanneer een verdachte niet betaalt krijg ik een proces-verbaal terug in mijn postvak dat ik moet ondertekenen. Dat is het proces-verbaal zoals dat in het onderhavige dossier zit. Ik kan dan zelf niet controleren of een verdachte ook daadwerkelijk niet betaald heeft. Ik weet niets van de betaling en weet ook niet of verdachte twee keer in de gelegenheid is gesteld om te betalen. Het ontwerp proces-verbaal wordt verwerkt in een computersysteem. Als ik het wegstuur, heb ik er verder geen zicht meer op. Ik vertrouw er dus op dat de procedure niet heeft geleid tot een betaling.

De getuige [getuige 2] heeft ter terechtzitting van het hof van 17 september 2010 onder meer het volgende verklaard:

Het op 4 juli 2007 door mij ondertekende proces-verbaal is een standaard proces-verbaal. Ik schrijf daarvan een ontwerp proces-verbaal. Dat is een formulier dat voor een groot gedeelte is voorgedrukt. Als ik aan het eind van de dienst op mijn standplaats kom doe ik het ontwerp proces-verbaal in een daarvoor bestemd bakje. Deze worden er uitgehaald en gaan naar de afdeling betaling. Na verloop van tijd komt er dan als er niet betaald is een proces-verbaal in mijn postvak. Ik kijk dan in grote lijnen of de inhoud klopt en onderteken het dan. Ik verifieer dan niet of er ook daadwerkelijk niet betaald is en of een verdachte twee maal in de gelegenheid is gesteld om te betalen. Je kunt dat ook niet controleren omdat je die gegevens niet hebt.

Artikel 48 lid 5 en lid 6 van het Besluit Personenvervoer 2000 schrijft dwingend voor dat de vervoerder de reiziger die niet terstond in het openbaar vervoer, in casu de trein, de prijs van een ontbrekend vervoersbewijs voldoet, alsnog (tweemaal) in de gelegenheid moet stellen het verschuldigde bedrag te voldoen. Artikel 48 lid 7 van het Besluit bepaalt vervolgens dat het recht op strafvervolging vervalt zodra de reiziger alsnog binnen de gestelde termijn betaalt.

Indien het recht op strafvervolging is vervallen betekent dit dat het openbaar ministerie, mocht het toch tot vervolging overgaan, niet ontvankelijk is in die vervolging. Op grond van het bepaalde in artikel 48, in onderling verband en samenhang bezien, heeft naar het oordeel van het hof hetzelfde te gelden indien het openbaar ministerie tot vervolging overgaat zonder dat de reiziger conform het bepaalde in het 5e en/of 6e lid in de gelegenheid is gesteld alsnog te betalen. In het onderhavige geval kan, gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2], op grond van de processen-verbaal zoals opgenomen in het dossier niet vastgesteld worden of verdachte twee maal in de gelegenheid is gesteld om te betalen en zo ja, of er al dan niet betaald is. [Getuige 1] en [getuige 2] verklaren immers dat zij niet hebben gecontroleerd en ook niet hebben kunnen controleren of verdachte daadwerkelijk de gelegenheid is geboden alsnog te betalen en of er al dan niet betaald was. De betreffende mededelingen in hun processen-verbaal zijn niet door hen zelf opgemaakt maar gegenereerd door het geautomatiseerde systeem. Nu het hof deze informatie ook niet op andere wijze aan het dossier kan ontlenen, bijvoorbeeld uit afschriften van verzonden brieven waarin verdachte in de gelegenheid is gesteld, kan het hof niet vaststellen of het openbaar ministerie tot vervolging over had mogen gaan. In relatie tot hetgeen hiervoor omtrent het bepaalde in art. 48 van het Besluit is overwogen, dient dit naar het oordeel van het hof te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging."

3.4.1. In art. 70, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: WPV 2000) is het volgende bepaald:

"Het is verboden zonder hiervoor geldig vervoerbewijs gebruik te maken van het openbaar vervoer, alsmede, voor zover de vervoerder zulks duidelijk kenbaar heeft gemaakt, van de daartoe behorende voorzieningen."

Ingevolge art. 101, eerste lid, WPV 2000 levert niet naleving van het bij art. 70 bepaalde een overtreding op die wordt gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

3.4.2. Art. 102 WPV 2000 luidt als volgt:

"Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het recht tot strafvordering wegens overtreding van de artikelen 70 of 71 vervalt door voldoening op een daarbij aan te geven wijze van een bij of krachtens die maatregel vast te stellen geldsom aan de vervoerder."

3.4.3. De in art. 102 WPV bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit personenvervoer 2000 (Stb. 2000, 563) (hierna: BPV 2000). Art. 48 (oud) WPV 2000 luidt als volgt:

"1. De reiziger die het vervoerbewijs waarvan hij moet zijn voorzien desgevraagd ter controle niet toont of overhandigt, is op vordering van de vervoerder de vervoerprijs verschuldigd die geldt voor het traject tussen vertrekpunt en plaats van bestemming van de reiziger.

2. Onverminderd het eerste lid, is de reiziger op vordering van de vervoerder een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag verschuldigd indien hij:

a. niet voldoet aan de in artikel 47, eerste lid, bedoelde verplichting,

b. het vervoerbewijs waarvan hij moet zijn voorzien desgevraagd niet toont of overhandigt,

c. een onbevoegd gewijzigd of anderszins bewerkt vervoerbewijs gebruikt,

d. een vervoerbewijs misbruikt of

e. de controle van vervoerbewijzen belemmert of verhindert.

3. De reiziger betaalt het bedrag, bedoeld in het tweede lid, terstond tezamen met de krachtens het eerste lid verschuldigde vervoerprijs.

4. Indien de reiziger de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen terstond betaalt, is de vervoerder verplicht een betalingsbewijs af te geven, dat voor zover nodig tevens geldt als vervoerbewijs.

5. Indien de reiziger de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen niet terstond betaalt, stelt de vervoerder hem in de gelegenheid deze bedragen alsnog te betalen binnen een week nadat het feit is geconstateerd. De vervoerder kan aan de reiziger een bewijs verstrekken op grond waarvan deze zijn reis kan aanvangen of voortzetten.

6. Indien de reiziger de in het tweede en derde lid bedoelde bedragen niet binnen een week nadat het feit is geconstateerd, heeft betaald, stelt de vervoerder hem nogmaals in de gelegenheid deze bedragen, verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag aan administratiekosten, te betalen binnen drie weken na afloop van de termijn van zeven dagen.

7. Zodra de reiziger voldoet aan het in het tweede, derde, vijfde of zesde lid bepaalde, vervalt het recht van strafvervolging ter zake van overtreding van artikel 70, eerste lid, van de wet."

3.4.4. In de toelichting bij dit artikel(1) wordt het volgende opgemerkt:

"Dit artikel vloeit voort uit artikel 102 van de wet. Het geeft een regeling voor reizigers die zich niet tijdig van een geldig vervoerbewijs hebben voorzien. Naast de prijs van het vervoer is de reiziger een door de minister te bepalen bedrag verschuldigd. Wordt dit bedrag binnen de in dit artikel gestelde termijnen voldaan, dan vervalt het recht op strafvervolging terzake van een overtreding van artikel 70, eerste lid, van de wet."

3.5. Ik begrijp deze regeling als volgt:

- Het is verboden zonder geldig vervoerbewijs gebruik te maken van het openbaar vervoer.

- De reiziger die het vervoerbewijs waarvan hij moet zijn voorzien desgevraagd niet kan tonen of overhandigen, is op vordering van de vervoerder de vervoerprijs alsnog verschuldigd, verhoogd met een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag.

- De reiziger moet deze bedragen samen direct betalen. De vervoerder is dan verplicht een betalingsbewijs af te geven, dat vervolgens tevens geldt als vervoerbewijs.

- Als de reiziger niet direct betaalt, stelt de vervoerder hem in de gelegenheid de hiervoor genoemde bedragen binnen een week nadat het feit is geconstateerd, alsnog te betalen.

- Indien de reiziger binnen die week niet betaalt, stelt de vervoerder hem nogmaals in de gelegenheid de bedragen, verhoogd met administratiekosten, binnen drie weken na afloop van de hiervoor genoemde termijn van een week te betalen.

- Zodra de reiziger aan het voorgaande voldoet, vervalt het recht tot strafvervolging wegens overtreding van art. 70 WPV 2000.

3.6. Ik stel voorop dat het recht tot strafvervolging vervalt zodra de reiziger binnen de gestelde termijnen heeft betaald en niet, zoals het Hof oordeelt, omdat de vervoerder de reiziger niet tweemaal in de gelegenheid heeft gesteld alsnog te betalen. 's Hofs oordeel geeft dus blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dan is de motivering van het Hof onbegrijpelijk. De tenlastegelegde feiten zijn gepleegd op 9 april 2007 en 15 mei 2007. De zaak is pas op 25 maart 2008 door de Rechtbank behandeld.(2) Dat betekent dat de verdachte ruimschoots (in ieder geval veel langer in art. 48 BPV 2000 is voorgeschreven) in de gelegenheid is gesteld de verschuldigde bedragen alsnog te betalen.(3) Art. 48 BPV 2000 schrijft niet voor dat de vervoerder bepaalde activiteiten moet verrichten om de in gebreke blijvende reiziger te laten betalen. Dat is, gelet op voornoemde regelgeving, ook niet redelijk. Dat zou betekenen dat die reiziger door geen kaartje te kopen en door in de trein niet het kaartje en de verschuldigde verhoging terstond te betalen, het risico weer volledig bij de vervoerder kan leggen. Dat lijkt mij niet de bedoeling. De in art. 48 lid 5 en 6 WPV 2000 bedoelde termijnen moeten mijns inziens worden gezien als een aanwijzing voor de reiziger. Die kan er uit afleiden welk bedrag hij op welk moment moet betalen(4) om strafvervolging te voorkomen.

In dit verband wijs ik op een ander arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 november 2010, LJN BO6869, waarin een vergelijkbare vraag aan het hof werd voorgelegd, maar waarin de uitkomst heel anders is. De verdediging had aangevoerd dat niet kon worden vastgesteld of de verdachte tweemaal in de gelegenheid is gesteld om alsnog te betalen en dat daarom het OM niet tot vervolging van de verdachte had mogen overgaan. Het Hof verwierp dit verweer en overwoog:

"Naar het oordeel van het hof schept artikel 48, vijfde en zesde lid, van het Besluit een transactiebevoegdheid, welke vergelijkbaar is met die krachtens artikel 74, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 48, zevende lid, van het Besluit vormt in dit verband de tegenhanger van artikel 74, eerste lid laatste volzin, van het Wetboek van Strafrecht, en beoogt dan ook geenszins een voorwaarde voor strafvervolging te geven ter zake van overtreding van artikel 70, eerste lid, van de Wet Personenvervoer 2000. Het is daarom naar 's hofs oordeel niet noodzakelijk dat uit het dossier kan worden afgeleid dat de verdachte, die zonder geldig vervoersbewijs in het openbaar vervoer is aangetroffen, twee maal door de vervoerder in de gelegenheid is gesteld om alsnog de vervoersprijs (inclusief verhoging en vermeerderd met administratiekosten) te betalen.

Het hof merkt op dat namens de verdachte geenszins is betoogd dat hij niet (twee maal) in de gelegenheid is gesteld alsnog de prijs van het vervoersbewijs te voldoen."

Dit laatste arrest doet vragen rijzen over de wijze waarop het Hof tegen de transactie aankijkt. De transactiebevoegdheid is een bevoegdheid van de officier van justitie om voorwaarden te stellen ter voorkoming van strafvervolging. Ik wijs erop dat doorgaans een verzuim om een transactie aan te bieden tot niet-ontvankelijkheid van het OM in een strafvervolging zal leiden. Het OM zal de stappen moeten zetten.(5) Maar uit dit arrest blijkt wel dat volgens deze kamer van het Hof niet uit het dossier behoeft te kunnen worden afgeleid dat de verdachte tweemaal in de gelegenheid is gesteld om te betalen.

De vervoerder, volgens artikel 1, aanhef en onder k, Wet personenvervoer 2000 degene die openbaar vervoer verricht, is anders dan de officier van justitie niet verantwoordelijk voor de strafvervolging. Dat lijkt mij een groot verschil te zijn met de transactie. De vervoerder transigeert niet. Het OM zal niet vervolgen als aan de vervoerder is betaald. Het OM hoeft dan ook geen stappen te zetten om de verdachte in de gelegenheid te stellen aan de vervoerder te betalen.

3.7. Het middel is terecht voorgesteld.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Hof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak op het bestaande beroep opnieuw kan worden behandeld en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Stb. 2000, 563, p. 67.

2 Een blik over de papieren muur leert dat de dagvaarding op 8 januari 20008 is uitgebracht.

3 Zie voor deze bedragen; Wijziging bedragen, bedoeld in artikel 48, tweede en zesde lid, Besluit personenvervoer, Stcrt. 9 december 2004, nr. 238/pag. 16.

4 Op het moment van de overtreding en in de eerste week daarna de vervoerprijs met verhoging. In de drie weken na die eerste week diezelfde bedragen verhoogd met administratiekosten.

5 HR 15 november 2005, LJN AU3126; HR 31 oktober 2006, LJN AY0107; HR 23 september 2008, LJN BD3896.