Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV7000

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
10/02972
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV7000
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 37 Sr, plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Ingevolge art. 138b jo. 415 Sv dient een verkort arrest alle bestanddelen van een arrest te bevatten, m.u.v. de bm en de redengevende f&o a.b.i. art. 359.3 Sv. Een beslissing omtrent een op te leggen maatregel a.b.i. art. 37 Sr en de i.h.b. daartoe op te geven redenen dienen dan ook in hun geheel in het verkorte arrest te worden opgenomen. Het Hof heeft een deel van de motivering van de opgelegde maatregel opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest. Nu echter de beslissing tot het opleggen van de maatregel genoegzaam is gemotiveerd door het gedeelte van de motivering in het verkorte arrest heeft de verdachte geen rechtens te respecteren belang bij zijn klacht over de werkwijze van het Hof.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 10/02972

Mr. Machielse

Zitting 24 januari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 30 juni 2010 verdachte met betrekking tot de bewezenverklaarde "mishandeling" en "bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd" niet strafbaar verklaard en hem met betrekking tot die feiten ontslagen van alle rechtsvervolging. Het hof heeft de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor een termijn van één jaar opgelegd.

2. Mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.S. Nan, advocaat te Dordrecht, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het hof de opgelegde maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis onvoldoende heeft gemotiveerd, met name doordat het hof dit voor een niet onbelangrijk deel eerst in de 'Aanvulling bewijsmiddelen' en dus niet in het arrest zelf heeft gedaan.

3.2. Het verkort arrest houdt onder meer het volgende in:

"Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 8 september 2009 te Roosendaal opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 1], tegen diens rechterarm heeft gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij in de periode van 1 januari 2009 tot en met 8 september 2009 te Roosendaal zijn moeder [slachtoffer 2] en zijn vader [slachtoffer 3] meermalen heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers:

- heeft verdachte meermalen dreigend een mes aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] getoond en

- heeft verdachte meermalen die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dreigend de woorden toegevoegd dat hij hen zal vermoorden en daarna zelfmoord zal plegen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

(...)

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

(...)

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van het rapport van B.B. van der Meer, psycholoog, d.d. 8 december 2009, voor zover dit inhoudt:

Op basis van observatie, gesprek en dossierstudie wordt vastgesteld dat er bij betrokkene waarschijnlijk sprake is van paranoïde schizofrenie en afhankelijkheid van diverse middelen.

De hypothese dat betrokkene ten tijde van het ten laste gelegde psychotisch was, wordt ondersteund door datgene wat hij bij de politie daarover heeft verklaard, wat de aangever over zijn gedrag (ten tijde van het voorval) verklaart en wat uit het psychologisch onderzoek naar voren is gekomen.

De psychotische belevingen waren zeer waarschijnlijk van invloed op de keuzen die betrokkene maakte ten tijde van het ten laste gelegde. Op basis van de huidige (beperkte) gegevens wordt geconcludeerd dat dit in sterke mate gebeurde. Er is sprake van ontoerekeningsvatbaarheid.

Het hof volgt de conclusies van de gedragsdeskundige ten aanzien van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte en stelt op grond daarvan vast dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de bewezen verklaarde feiten een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond, ten gevolge waarvan die feiten hem niet toegerekend kunnen worden. De verdachte is daarom niet strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde, zodat hij zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Op te leggen maatregel

In eerste aanleg heeft de rechtbank de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging en plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de termijn van één jaar gelast.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met bevel tot dwangverpleging.

De verdediging heeft bepleit dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat aan het gevaarscriterium van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht is voldaan.

Bij de bepaling van de op te leggen maatregel heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Blijkens het bericht van psychiater S.M. Wewerinke aan de officier van justitie te Breda, d.d. 16 november 2009, heeft hij op 5 november 2009 de verdachte bezocht ten einde hem te onderzoeken in het kader van een rapportage pro justitia, maar heeft de verdachte herhaaldelijk geweigerd hieraan mee te werken.

Psycholoog B.B. van der Meer concludeert in voormeld rapport - naast hetgeen hiervoor reeds is vermeld - het volgende.

De factoren voortkomend uit de stoornis van betrokkene die van belang kunnen zijn voor de kans op recidive zijn paranoïde psychotische symptomen en middelengebruik. Andere factoren en condities die hierbij in ogenschouw worden genomen zijn ernstige bedreigingen, beschikbaarheid van wapens en zijn weigering hulp en behandeling te accepteren. De combinatie van deze factoren werkt risicoverhogend.

Een gedwongen opname en behandeling in een gesloten forensische setting wordt aanbevolen. Het advies is om betrokkene in het kader van artikel 75 (het hof begrijpt: artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht) te plaatsen in een forensisch psychiatrisch ziekenhuis. Aanbevolen wordt de Grote Beek te Eindhoven. Het is aan te bevelen betrokkene hier opnieuw uitgebreid gedragskundig te onderzoeken en te observeren.

In het reclasseringsadvies van C. Rijntjens van Novadic Kentron, verslavingsreclassering, d.d. 4 december 2009, wordt de kans op recidive, gezien de delictgeschiedenis en mogelijke psychotische belevingen, als hoog ingeschat.

Het hof volgt de conclusies van de (gedrags)deskundigen ten aanzien van het recidivegevaar en stelt op grond daarvan vast dat dit als hoog ingeschat dient te worden. Voort is het hof, gelet op de inhoud van voormelde rapporten, de aard en ernst van de bewezen verklaarde feiten en de inhoud van de door het hof gebruikte bewijsmiddelen, van oordeel dat de verdachte gevaarlijk is voor zichzelf, voor anderen en voor de algemene veiligheid van personen, zodat klinische behandeling noodzakelijk is.

Het hof is op grond van vorenstaande van oordeel dat de verdachte ten aanzien van de onder 1. en 2. bewezen verklaarde feiten voor een termijn van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis dient te worden geplaatst."

3.3. De aanvulling op het verkort arrest als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv houdt, behalve drie bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en vijf bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2, het volgende in:

"Ten aanzien van de motivering van de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis

9. de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 16 juni 2010, voor zover deze inhoudt:

Het klopt dat ik een keer het slot van de voordeur heb veranderd. De reden hiervan was dat [slachtoffer 1] het nodig vond om steeds drinken en eten in de koelkast te gooien en omdat hij een hoop reclame maakt in de straat. Hij deed dat keihard en dat vond ik niet nodig. Ik kan me niet herinneren hoe vaak ik het slot heb veranderd. De reden voor het vervangen van de sloten was dus dat [slachtoffer 1] anders iets in het eten zou doen en dan ook nog die reclame. Dan moest ik weer drinken weggooien omdat er van alles inzat, onder andere een bananenschil. Ik kreeg alle soorten fris aangereikt van mijn broers en zussen, die ik elke keer moest weggooien. En er dan ook nog heel hard reclame voor maken in de straat, als een god. Anders had ik niet eens geweten dat het die man was. De jongste raadsheer vraagt mij wat voor reclame [slachtoffer 1] maakt. Hij schreeuwde keihard over straat wat hij met mijn moeder flikte. Hij deed dat de hele week, zo hard als hij kon tegen alle omwonenden.

10. het onder 4 genoemde proces-verbaal van aangifte, voor zover dit proces-verbaal inhoudt:

als verklaring van [slachtoffer 2]:

Mijn zoon is psychisch niet in orde en leidt aan hallucinaties. Het is de laatste twee maanden erger dan ooit.

11. het onder 5 genoemde proces-verbaal van verhoor aangeefster, voor zover dit proces-verbaal inhoudt:

als verklaring van [slachtoffer 2]:

U vertelt mij dat ik heb verklaard dat [verdachte] voorwerpen door het hele huis smijt. Hij gooit dan zijn kleding door de kamer want hij denkt dat de buren gif over zijn kleren hebben gestrooid. Hij slaat soms ook zijn eigen hoofd tegen de muur.

12. het onder 6 genoemde proces-verbaal van aangifte, voor zover dit proces-verbaal inhoudt:

als verklaring van [slachtoffer 3]:

In de afgelopen twee jaar is alles geëscaleerd en kwam er ook steeds meer agressie en geweld bij kijken. Dit geweld bestond uit verbaal maar ook fysiek geweld. [verdachte] ziet ook allerlei dingen. Hij is ervan overtuigd dat hij ontvoerd is door geesten. [Verdachte] praat constant in zichzelf. Je zit soms met hem televisie te kijken en dan springt hij op omdat hij een geest uit de televisie ziet komen. [Verdachte] is ook totaal paranoïde. Vandaag ging ik in de ochtend naar de moskee en toen gaf hij mij een mes, zodat 'zij' me niets aan kunnen doen.

[Verdachte] is ook voor alles en iedereen bang. Hierdoor wisselt hij ook constant de sloten op onze voordeur. [Verdachte] eet ook altijd met ons mee, maar beschuldigt dan mijn vrouw weer dat ze hem probeert te vergiftigen. Om nog een voorbeeld te noemen, hij denkt dat in alle suiker vergif zit. Verder is hij bang voor een pak melk dat open staat.

13. het onder 7 genoemde proces-verbaal van verhoor getuige, voor zover dit proces-verbaal inhoudt:

als verklaring van [betrokkene 1]:

Ik heb [verdachte] geleidelijk zien aftakelen, maar de afgelopen 2 jaar is hij echt gewelddadig en agressief geworden. Zowel verbaal als fysiek agressief. Ik zie dat [verdachte] verschillende fases heeft in zijn gedrag. Deze fases kunnen variëren van minstens 3 dagen tot een maand. Met fases bedoel ik dat zijn gedrag dan verandert. Dit kan positief en negatief zijn. Hij heeft fases waarin hij helemaal geobsedeerd is door een familielid en daar dan ook een hekel aan heeft. Hij heeft ook fases waarin hij verbaal hele dagen agressief is naar wie dan ook. Ik afgelopen twee jaar zijn de slechte fases vaker, langer en heftiger en hebben de overhand. Hij verwijt mijn zoontje van 7 soms dat hij een alien is en hem stoort in zijn slaap. Hij zegt ook vaak tegen mij dat mijn zoon een alien is. Hij zegt ook dat hij getrouwd is met een geest en zij hem niet los wil laten. Soms zegt hij weer dat het een alien is. Hij zegt dat ik niet in zijn kamer mag komen omdat deze vol zit met geesten en dat zij mij dan gaan pakken.

14. een proces-verbaal van verhoor getuige, nummer 2009155282-13, d.d. 15 september 2009 in de wettelijke vorm opgemaakt door de verbalisant V.C.M. Fiddelers, aspirant van politie, opgenomen onder nummer 17 in het dossier van politie Midden en West Brabant, district Bergen op Zoom, team Noodhulp Bergen op Zoom, dossiernummer 2009162762, sluitingsdatum 21 september 2009, voor zover dit proces-verbaal inhoudt:

als verklaring van [betrokkene 2]:

Hij (het hof begrijpt: [verdachte]) [zegt] wel eens dingen als: 'Geloof maar wat jullie willen, ik weet het zeker, ik zie het'. Dan heeft hij het over iets dat wij allemaal niet begrijpen behalve [verdachte] zelf. De ene keer gaat dat over iemand die ons zou willen vermoorden en de andere keer kan dat gaan over ufo-mannetjes die hij gezien heeft en die hem in de nacht hebben (gehaald en terug hebben gebracht. Hij wees een keer naar de tv en zei toen: 'Kijk zie je mij op de tv! Nu kom ik over de hele wereld!' Wij zagen dan niets.

Ik wil ook nog kwijt dat sinds ongeveer twee jaar [verdachte] dingen tegen mij zegt over de buren. Als ik wel eens bij mijn ouders en [verdachte] ben in de woning aan de [a-straat] zegt [verdachte] tegen mij: 'De vrouw van die zwarte heeft mijn kleren verscheurd en mijn eten vergiftigd'. Ik weet dan dat hij het over de buren heeft omdat daar de man een zwarte huidskleur heeft. Hij noemt hem de zwarte."

3.4. De steller van het middel voert terecht aan dat, nu de opgelegde maatregel vrijheidsbeneming meebrengt, het hof ex art. 359 lid 6 jo art. 415 Sv is gehouden om in het arrest in het bijzonder de redenen op te geven voor deze maatregel(1) en dat de aanvulling als bedoeld in art. 365a lid 2 Sv er niet voor is om aan het verkort arrest motiveringen toe te voegen die reeds in het arrest hadden moeten staan.(2)

3.5. Ingevolge art. 138b jo art. 415 Sv wordt onder een verkort arrest verstaan een arrest dat geen (opgave van) bewijsmiddelen bevat. Indien tegen een dergelijk arrest een gewoon rechtsmiddel wordt ingesteld, wordt het arrest op grond van art. 365a Sv aangevuld. In de aanvulling kan de bewijsvoering - de bewijsmiddelen en redengevende feiten en omstandigheden als bedoeld in art. 359 lid 3 Sv - worden aangevuld. Een nadere bewijsoverweging mag voor het eerst in de aanvulling worden opgenomen en een bewijsoverweging uit het verkort arrest mag in de aanvulling worden aangevuld en verbeterd. Op de overige punten moet het verkort arrest aan alle wettelijke eisen voldoen.(3) Het is dus niet toegestaan om de motivering van een opgelegde maatregel eerst in de aanvulling op te nemen of haar in de aanvulling te wijzigen of verbeteren.

Een terecht voorgestelde klacht over een ontoelaatbare aanvulling of verbetering leidt echter niet zonder meer tot cassatie. In de regel laat de Hoge Raad een dergelijke aanvulling of verbetering buiten beschouwing, om vervolgens te beoordelen of het verkort arrest aan de daaraan gestelde eisen voldoet.(4) Is dat niet het geval, omdat het verkort arrest een onoverkomelijk en niet in de aanvulling te repareren gebrek bevat, dan wordt het arrest vernietigd,(5) tenzij er ondanks het gebrek geen grond voor cassatie bestaat, bijvoorbeeld omdat de verdachte geen belang heeft bij de klacht(6) of omdat het middel opkomt tegen de verwerping van een verweer dat het hof slechts had kunnen verwerpen.(7)

3.6. Het voorgaande brengt mee dat in de onderhavige zaak moet worden bezien of met alleen de in het verkort arrest opgenomen motivering van de aan verdachte opgelegde maatregel (zie hierboven onder 3.2) is voldaan aan de motiveringseis ex art. 359 lid 6 Sv.

Hierbij merk ik op dat de waardering van het gevaar voor betrokkene zelf, voor anderen, of voor de algemene veiligheid van personen of goederen en het oordeel of plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is vereist aan de feitenrechter zijn voorbehouden en zozeer zijn verweven met waarderingen van feitelijke aard, dat zij in cassatie slechts in beperkte mate kunnen worden getoetst.(8)

3.8. De vraag of het hof in het verkort arrest de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis genoegzaam heeft gemotiveerd moet mijns inziens bevestigend worden beantwoord. Het verkort arrest houdt immers het volgende in. Op basis van het onderzoeksrapport van psycholoog B.B. van der Meer heeft hof vastgesteld dat verdachte ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens leed. Verdachte heeft geweigerd zich door een psychiater te laten onderzoeken. Bij het opleggen van de maatregel heeft het hof acht geslagen op de conclusies van de psycholoog, dat de combinatie die zich bij verdachte voordoet van paranoïde psychotische symptomen, middelengebruik, ernstige bedreigingen, beschikbaarheid van wapens en hulpweigering risicoverhogend werkt en dat gedwongen opname en behandeling in een forensisch psychiatrisch ziekenhuis wordt geadviseerd. Het hof heeft ook gelet op het reclasseringsadvies van C. Rijntjes. Voorts heeft het hof gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten en de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen. Voorbijgaand aan de bewijsmiddelen onder 9 tot en met 14, blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte op 8 september 2009 op zijn overbuurman is afgerend en hem heeft gestompt, omdat hij volgens verdachte sprak over verdachte en de ouders van verdachte, en dat verdachte herhaaldelijk tegen zijn ouders heeft gedreigd hen en zichzelf te doden, waarbij hij soms een mes heeft getoond.

Deze overwegingen vormen voldoende motivering voor de vaststelling door het hof dat de kans op recidive als hoog moet worden ingeschat, alsook voor 's hofs oordeel dat verdachte een gevaar vormt voor zichzelf, voor anderen en voor de algemene veiligheid van personen.

3.9. Tot slot wordt geklaagd dat het hof uit het reclasseringsadvies de verwijzing naar verdachtes delictsgeschiedenis heeft overgenomen, terwijl die irrelevant is omdat op het strafblad van verdachte vrijwel uitsluitend (winkel)diefstallen staan, waarvan in de laatste tien jaar één met geweld.

3.10. Het bedoelde advies van de reclassering en de justitiële documentatie van verdachte bevinden zich bij de stukken van het geding. Het advies vermeldt onder meer dat verdachte sinds 1984 in aanraking is met justitie, dat hij in 1993 voor de eerste maal is veroordeeld wegens een mishandeling en dat hij in de daaropvolgende jaren is veroordeeld wegens diefstal, diefstal met geweld, huisvredebreuk, wederspannigheid, belediging van een ambtenaar in functie en niet voldoen aan een ambtelijk bevel. Deze informatie is juist, zo blijkt uit de documentatie. Daaruit blijkt bovendien van veroordelingen wegens een diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd in 2007, een diefstal, gevolgd van bedreiging van geweld tegen personen, in 2006 en een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht in 2003.

Het is niet onbegrijpelijk dat het hof, in navolging van het door de reclassering uitgebrachte advies, bij het inschatten van het recidivegevaar rekening heeft gehouden met verdachtes delictsgeschiedenis.

Het middel faalt.

4. Ambtshalve wijs ik op het volgende. Het cassatieberoep is op 9 juli 2010 ingesteld. Verdachte was ten tijde van de aanzegging in cassatie uit hoofde van de onderhavige zaak gedetineerd. Sinds de datum van het instellen van cassatie zijn reeds meer dan 16 maanden verstreken, waardoor de redelijke termijn in cassatie is overschreden. Gelet op de aard van de aan verdachte opgelegde maatregel, kan de Hoge Raad volstaan met de enkele constatering dat de termijn is overschreden.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Met verwijzing naar o.a. HR 18 december 2001, LJN AD5593.

2 Met verwijzing naar Melai-Groenhuijsen, aant. 24 bij art. 365a Sv.

3 Memorie van Toelichting, TK 1994 -1995, 23 989, nr. 3, pp. 7, 13.

4 Zie bijv. HR 28 januari 2003, LJN AF1584. Er zijn uitzonderingen op deze hoofdregel te vinden, bijvoorbeeld HR 30 mei 2000, NJ 2000, 475; HR 23 januari 2001, NJ 2001, 182.

5 HR 9 november 1999, NJ 2000, 71; HR 30 mei 2000, NJ 2000, 475.

6 HR 23 november 1999, NJ 2000, 587 m.nt. De Jong.

7 HR 13 juni 2000, NJ 2000, 523; HR 4 september 2007, LJN BA5012; HR 13 juli 2010, BM4991. Zie over ontoelaatbare aanvullingen of verbeteringen van een verkort arrest tevens de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge vóór HR 21 september 2010, LJN BM9771, ook aangehaald door mijn ambtgenoot Aben in zijn conclusie vóór HR 21 december 2010, LJN BN8204.

8 Vgl. HR 20 januari 2009, LJN BG1645. Dit arrest betreft oplegging van TBS, maar kan gezien de overeenkomst tussen art. 37 lid 1 en art. 37a lid 1 voor wat betreft de vereiste gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en het gevaarscriterium, ook betrokken worden op plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (vgl. Hofstee in Tekst & Commentaar, aant. 4 op art. 37 Sr).