Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV6989

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
10/02135
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV6989
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Tussenarrest. Bekendheid verdachte met voorwaardelijke veroordeling? De AG heeft inlichtingen ingewonnen. Dit heeft geleid tot de toezending van een stuk dat de AG aan het dossier heeft toegevoegd. De verdediging behoort in de gelegenheid te worden gesteld hiervan kennis te nemen en zich daarover schriftelijk uit te laten voordat op het cassatieberoep wordt beslist. De Hoge Raad verwijst de zaak naar de rolzitting en houdt elke verdere beslissing aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02135

Mr Jörg

Zitting: 24 januari 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker = verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 11 mei 2010 verzoeker wegens diefstal en poging tot diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een vonnis waarbij aan verzoeker een voorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden is opgelegd. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en heeft het hof aan de verzoeker een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van die benadeelde partij.

2. Namens verzoeker heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt over de door het hof gelaste tenuitvoerlegging van de door de politierechter te Haarlem bij verstekvonnis van 23 augustus 2007 aan verzoeker opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf; verzoeker zou niet bekend zijn geweest met die voorwaardelijke veroordeling.

4. In eerste aanleg was reeds de tenuitvoerlegging gelast van de eerdergenoemde voorwaardelijke veroordeling. Het namens verzoeker ingestelde hoger beroep richtte zich vooral tegen die beslissing.(1) Ter zitting in hoger beroep verklaarde verzoeker (onder meer) dat hij de vordering tot tenuitvoerlegging van acht maanden gevangenisstraf "veel te veel" vond en dat hij nooit van die veroordeling heeft geweten. Als hij wel van die voorwaardelijke veroordeling op de hoogte was geweest, dan had hij zich wel gedragen, aldus verzoeker in hoger beroep. Verder is ter zitting in hoger beroep met betrekking tot de voorwaardelijke veroordeling en de vordering tot tenuitvoerlegging daarvan, voor zover hier van belang, nog het volgende aan de orde gekomen:

"De raadsman deelt mede, zakelijk weergegeven:

Ik denk dat de mededeling uitspraak in de zaak waarin de voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden is opgelegd (15-660287-06) naar het huis van bewaring is gestuurd, omdat mijn cliënt in die tijd in het kader van de maatregel ISD vastzat. In die tijd stond ik cliënt niet bij.

(...)

De verdachte verklaart, zakelijk weergegeven:

Ik heb twee jaar vastgezeten. Daar bovenop heb ik ook nog in voorlopige hechtenis gezeten en heb ik een boete van 16 dagen uitgezeten. Toen ik de ISD uitzat in het huis van bewaring, ben ik drie keer opgeroepen om voor de rechter te verschijnen. Ik kon toen geen afstand doen. Ik heb dus berichten ontvangen dat ik naar de politierechter moest, maar in het huis van bewaring hebben ze gezegd dat ik niet hoefde te gaan. Dit wordt vaak geadviseerd, omdat er bij een dergelijke tussentoetsing van de ISD niets gebeurt op de zitting.

De advocaat-generaal voert het woord, leest haar vordering voor en legt die aan het hof over. Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging deelt de advocaat-generaal mede, zakelijk weergegeven:

De verdachte heeft vandaag ter terechtzitting verklaard dat hij in het huis van bewaring is opgeroepen voor de politierechter te verschijnen. De verdachte was derhalve op de hoogte. Verdachte heeft de onderhavige feiten gepleegd gedurende de proeftijd. Na ommekomst van de ISD-maatregel is deze proeftijd namelijk weer gaan lopen. Ik vorder de tenuitvoerlegging van de 8 maanden gevangenisstraf.

De verdachte en de raadsman voeren het woord ter verdediging. De raadsman deelt mede, zakelijk weergegeven:

(...)

Wat betreft de vordering tot tenuitvoerlegging breng ik het volgende naar voren. Tijdens de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel is het niet ongebruikelijk dat gedetineerden wordt geadviseerd niet voor de rechter te verschijnen als zij worden gedagvaard in een strafzaak voor feiten gepleegd vóór de oplegging van de maatregel. In vergelijkbare gevallen als onderhavige zaak wordt in veel gevallen artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toegepast. In deze zaak is sprake van een combinatie van factoren; een lange ISD-maatregel, onduidelijkheid over de aanvang van de proeftijd alsmede onduidelijkheid over de kennisname van mijn cliënt van zijn voorwaardelijke veroordeling. Ik stel mij dan ook op het standpunt dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden afgewezen. Of mijn cliënt op de hoogte was van de voorwaardelijke veroordeling betwijfel ik. Subsidiair ben ik van oordeel dat de vordering gedeeltelijk kan worden toegewezen en kan worden omgezet in een taakstraf. Het werkritme zal goed zijn voor mijn cliënt. Meer subsidiair verzoek ik de proeftijd te verlengen."

5. In het bestreden arrest heeft het hof ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling als volgt overwogen:

"Ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 15-660287-06 overweegt het hof (ambtshalve) allereerst als volgt.

Uit een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 april 2010 blijkt dat het verstekvonnis van 23 augustus 2007 twee weken na de uitspraak, namelijk op 7 september 2007, onherroepelijk is geworden. Voorts blijkt uit de stukken dat op de mededeling uitspraak staat vermeld dat deze is verzonden naar het detentieadres, Havenstraat 6 te Amsterdam, van de verdachte, waar hij, blijkens zijn mededelingen ter terechtzitting in hoger beroep, op dat moment de ISD-maatregel uitzat. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte medegedeeld dat hij op voornoemd detentieadres een aantal keren stukken van de rechtbank Haarlem(2) heeft ontvangen.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat de verdachte op de hoogte was van de zitting van 23 augustus 2007, zodat op grond van het bepaalde in artikel 366a, tweede lid, in samenhang met artikel 366, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering de mededeling uitspraak niet aan de verdachte in persoon hoefde te worden uitgereikt.

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van het vonnis van de Politierechter te Haarlem van 23 augustus 2007, parketnummer 15-660287-06, van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis voorwaardelijk opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden dient te worden gelast. Er is niet gebleken van persoonlijke omstandigheden die hieraan in de weg staan. Bovendien is de ernst van de thans bewezen verklaarde feiten zodanig en is er in het geval van de verdachte sprake van zodanige recidive dat matiging evenmin in de rede ligt."

6. Volgens het middel is 's hofs oordeel dat verzoeker op de hoogte was van de zitting van de politierechter van 23 augustus 2007 onbegrijpelijk in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd.

7. Tot het aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv toegezonden dossier behoort het verstekvonnis van de politierechter in de rechtbank Haarlem van 23 augustus 2007, waarbij verzoeker onder meer is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met een proeftijd van twee jaar. Uit de kop van de aantekening van dat mondelinge vonnis blijkt dat verzoeker, toen dat vonnis werd uitgesproken, gedetineerd was in "P.I. Amsterdam, HvB Havenstraat". Voorts blijkt uit de kop van dat vonnis dat verzoeker na aanhouding van de zaak niet is verschenen en dat de politierechter tegen verzoeker verstek heeft verleend. Uit het aan de Hoge Raad toegezonden dossier blijkt verder dat de officier van Justitie een mededeling van de voorwaardelijke veroordeling naar het eerdergenoemde detentieadres - ter attentie van verzoeker - heeft gezonden. Die mededeling, waarin onder meer staat dat de proeftijd aanving op 7 september 2007 (maar niet tijdens detentie zou lopen), is gedateerd op 25 september 2007. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat verzoeker destijds in detentie verbleef wegens het uitzitten van een ISD-maatregel.

8. Artikel 366 Sv regelt wanneer en hoe mededeling moet worden gedaan van een vonnis dat is uitgesproken buiten aanwezigheid van de verdachte. Hoofdregel is dat de verdachte die niet bij de uitspraak aanwezig is geweest de uitspraak moet worden medegedeeld. Uitzondering op de hoofdregel wordt gevormd door de in het tweede lid van art. 366 Sv genoemde gevallen, waarin vaststaat of aannemelijk is dat de verdachte van de datum van de uitspraak op de hoogte is of kon zijn. Een van die gevallen betreft de situatie waarin de dagvaarding of oproeping voor de nadere terechtzitting in persoon aan de verdachte is betekend. Artikel 366a Sv regelt de mededeling van de voorwaardelijke veroordeling. Volgens het tweede lid van die bepaling is het niet noodzakelijk aan de verdachte die ter terechtzitting aanwezig is geweest dan wel met de datum van de (nadere) terechtzitting bekend was, de vonnismededeling houdende een voorwaardelijke veroordeling in persoon te betekenen. In die gevallen kan worden volstaan met toezending van de mededeling van de voorwaardelijke veroordeling aan de verdachte per gewone post.

9. Ik keer terug naar het middel, dat zich, als gezegd, keert tegen het oordeel dat verzoeker op de hoogte was van de zitting van de politierechter van 23 augustus 2007. Verzoeker had - aldus het middel - immers verklaard dat hij niet op de hoogte was van de voorwaardelijke veroordeling. Weliswaar is hij gedurende zijn detentieperiode drie keer opgeroepen om te verschijnen voor de politierechter, maar aan die oproepingen zou hij - op advies van "het huis van bewaring" waar hij destijds verbleef - geen gehoor hebben gegeven. Voor welke zittingen verzoeker destijds precies is opgeroepen, is niet komen vast te staan. Het middel suggereert dat de oproepingen betrekking hadden op tussentijdse toetsingen van de ISD-maatregel op grond van art. 38s Sr.

10. Het hof is ervan uitgegaan dat verzoeker met de datum van de nadere zitting van de politierechter bekend was en dat de officier van Justitie dus kon volstaan met het toezenden van de mededeling van de voorwaardelijke veroordeling aan verzoeker. Naar in cassatie blijkt is dit oordeel juist; en ook begrijpelijk. Uit thans bij het Haarlemse parket opgevraagde informatie is gebleken dat de dagvaarding in die zaak voor de (eerste) zitting van 27 april 2007 op 22 maart 2007 in persoon aan verzoeker is betekend. De zaak is op de zitting van 27 april 2007 aangehouden tot de zitting van 6 juni 2007. Omdat de oproeping voor die zitting niet in persoon aan verzoeker is uitgereikt (en verzoeker ter zitting niet verscheen) is de zaak nogmaals aangehouden, en wel tot de zitting van 23 augustus 2007. Uit de opgevraagde informatie blijkt dat de oproeping voor die nadere zitting van 23 augustus 2007 weer wel in persoon aan verzoeker is uitgereikt. Het voorgaande spoort met de mededeling van verzoeker dat hij (in de relevante periode) drie keer is opgeroepen om voor de rechter te verschijnen. Ik voeg de informatie toe aan het dossier. De aangevoerde omstandigheid dat verzoeker in het huis van bewaring is geadviseerd geen gehoor te geven aan de door hem ontvangen oproepingen, doet hieraan niet af.

11. In de onderhavige procedure mocht het hof de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijke veroordeling van de politierechter van 23 augustus 2007, omdat verzoeker zich vóór het einde van de door die politierechter bepaalde proeftijd van twee jaar schuldig heeft gemaakt aan het plegen van strafbare feiten - waarmee de algemene voorwaarde (als bedoeld in art. 14c lid 1 Sr) niet is nageleefd - en ook aan de overige voorwaarden van art. 14g Sr is voldaan.

12. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

13. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Uit (p. 1 van) het proces-verbaal van de zitting van 27 april 2010 blijkt dat de raadsman van verzoeker dit met zoveel woorden als reden voor het ingestelde hoger beroep heeft aangevoerd.

2 Dat het hier om de rechtbank te Haarlem gaat valt niet op te maken uit het proces-verbaal van de terechtzitting in appèl. Aangezien uit het (16 pagina's tellende) Uittreksel Justitiële Documentatie van verzoeker valt op te maken dat hij - op twee uitzonderingen na - het arrondissement Haarlem onveilig heeft gemaakt, wil ik hier overheen stappen.