Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV6741

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
11/04233
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV6741
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Verzoek wijziging hoofdverblijfplaats minderjarige kinderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/505
JWB 2012/177
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 11/04233

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 17 februari 2012 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[De moeder](1)

tegen

1. [De vader]

2. Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

gevestigd te Amersfoort

Deze familiezaak, waarin uitsluitend de verblijfplaats van de nog minderjarige kinderen van partijen in geschil is, leent zich voor een verkorte conclusie.

1.1 Voor zover thans in cassatie van belang staat vast(2) dat uit het door echtscheiding ontbonden huwelijk van verzoekster tot cassatie, de moeder, en verweerder in cassatie onder 1, de vader, twee nog minderjarige kinderen zijn geboren. Bij beschikking van 3 december 2008 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad bepaald dat de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de vader zal zijn.

1.2 Bij beschikking van 21 juli 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank te Utrecht het (dit geding) inleidend verzoek van de moeder om de vaste verblijfplaats van de kinderen te wijzigen in die zin dat zij voortaan hun hoofdverblijfplaats bij haar zullen hebben, afgewezen.

1.3 Bij beschikking van 21 juni 2011 heeft het gerechtshof te Amsterdam op het door de moeder ingestelde hoger beroep de beschikking van de kinderrechter van 21 juli 2010 bekrachtigd en het verzoek van de moeder tot vaststelling van een regeling inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken afgewezen.

1.4 De moeder heeft tegen de beschikking van 21 juni 2011 - tijdig(3) - beroep in cassatie ingesteld.

De vader, verweerder in cassatie onder 2 (hierna: Bureau Jeugdzorg) en de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) hebben, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, geen verweerschrift ingediend.

1.5 Alvorens tot een formulering van het cassatiemiddel ("Grief") over te gaan, stelt de moeder op blz. 2 onder 6 van het cassatieverzoekschrift dat zij een "integrale heroverweging" wenst van de bestreden beschikking voor zover het de verblijfplaats van de kinderen betreft.

De Hoge Raad kan de moeder in deze wens echter niet tegemoet komen, aangezien de cassatieprocedure zich daarvoor niet leent. De vaststelling van de feiten en de waardering daarvan is overgelaten aan het hof als feitenrechter.

1.6 Het middel klaagt dat het hof zich "ten onrechte" op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht heeft geacht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Klaarblijkelijk richt het cassatiemiddel zich aldus - uitsluitend - tegen rechtsoverweging 4.8 waarin het hof heeft geoordeeld dat het zich (voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van de kinderen(4)) op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht acht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zodat geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek te gelasten.

1.7 Ik lees daarnaast op pagina 3 van het cassatieverzoekschrift onder 5 de klacht dat de beslissing van het hof onvoldoende is gemotiveerd omdat het hof in weerwil van [zijn!] oordeel in rechtsoverweging 4.3 niet van "recente en relevante feiten en omstandigheden kennis heeft genomen en daarvan ongemotiveerd althans ongemotiveerd heeft afgezien."

Ter toelichting op deze klacht(5) stelt de moeder dat zij tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep op 19 mei 2011 ervan melding heeft gemaakt dat in het gezin van de vader gespecialiseerde hulp en begeleiding aanwezig is geweest na het onderzoek door het Ambulatorium en dat is bepaald dat de vader door middel van een tien-stappen-plan moet werken aan verbetering van zijn situatie met de kinderen. Volgens de moeder "schijnt ter zake te zijn gerapporteerd", maar is zij niet in het bezit gesteld van de rapportage en heeft zij het hof verzocht van de desbetreffende informatie kennis te nemen, hetgeen het hof blijkens [zijn] beschikking ten onrechte niet heeft gedaan.

De moeder heeft voorts gesteld dat haar omstandigheden in een zodanig voor haar gunstige zin zijn gewijzigd dat de leefsituatie van de kinderen bij de vader "te ongunstig afsteekt" bij de leef- en opvoedomstandigheden die de kinderen bij de moeder (zouden) hebben indien hun verblijfplaats bij haar is en dat zij heeft aangetoond dat zij de vader daadwerkelijk een plaats in het leven van de kinderen wil geven, terwijl dat andersom niet het geval is.

1.8 Voor zover het middel al voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv.(6) stuiten alle klachten af op de vaste rechtspraak van Uw Raad dat het aan de feitenrechter is overgelaten om al dan niet een (nader) deskundigenonderzoek te gelasten. Het hof kon mitsdien zonder schending van enige rechtsregel oordelen dat het zich op grond van de stukken en de mondelinge behandeling voldoende voorgelicht achtte om een beslissing te kunnen nemen.

1.9 Ten overvloede wijs ik op de in cassatie niet bestreden rechtsoverwegingen 4.6, 4.7 en 4.9. Het hof heeft in rechtsoverweging 4.9 geoordeeld dat het goed gaat met de kinderen bij de vader en dat er geen wijzigingen zijn ten opzichte van de situatie zoals deze destijds is onderzocht door het Ambulatorium en de raad op basis waarvan werd geconcludeerd dat de situatie van de kinderen bij de vader een goede is. Dit oordeel vindt steun in de verklaringen van Bureau Jeugdzorg en de raad: Jeugdzorg heeft verklaard dat wijziging van de hoofdverblijfplaats om verschillende redenen niet in het belang is van de kinderen (rov. 4.6) en de raad heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat er geen nieuwe omstandigheden zijn opgetreden waardoor zijn eerder ingenomen standpunt zou moeten worden gewijzigd, dat het goed gaat met de kinderen en dat het het beste is als de situatie blijft zoals deze is (rov. 4.7).

Mede in het licht van deze verklaringen acht ik het concluderend oordeel van het hof dat het in het belang van de kinderen is dat hun hoofdverblijfplaats bij de vader is en dat het niet in hun belang is die hoofdverblijfplaats te wijzigen, niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. In dit oordeel ligt een afweging besloten van alle aangevoerde (relevante) feiten en omstandigheden.

De door de moeder genoemde omstandigheden, voor zover al daadwerkelijk aangevoerd, kunnen aan het oordeel van het hof niet afdoen.

1.10 Nu in deze zaak geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling behoeven te worden beantwoord, kan het cassatieberoep m.i. worden verworpen met toepassing van art. 81 RO.

2. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 In het cassatieverzoekschrift wordt de moeder [de moeder] genoemd, in de bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 21 juni 2011 staat: [de moeder].

2 Zie voor een volledig overzicht van de vaststaande feiten de bestreden beschikking van het hof Amsterdam van 21 juni 2011, rov. 3.1-3.8.

3 Het cassatieverzoekschrift is op 21 september 2011 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen.

4 Zie het kopje boven rov. 4.4.

5 Zie de toelichting onder 1 en 4.

6 Het middel verwijst niet naar een concrete vindplaats in de processtukken. De stelling in de toelichting onder 1 dat de moeder van een aantal feiten en omstandigheden "melding heeft gemaakt" tijdens de mondelinge behandeling acht ik niet specifiek genoeg.