Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV6666

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
10/05308
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV6666
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. Art. 9.5 WVW 1994. Het Hof heeft vastgesteld dat de naar het GBA-adres van de verdachte verzonden aangetekende brief van het CBR retour is gekomen met de mededeling “niet afgehaald”. De daaraan verbonden conclusie van het Hof, te weten dat de verdachte daarom niet “redelijkerwijs kon weten” dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent het begrip “redelijkerwijs moet weten” a.b.i. art. 9.5 WVW 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2012/183
JWR 2012/53
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/05308

Mr. Silvis

Zitting 17 januari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, heeft verdachte bij arrest van 18 augustus 2010, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad bij arrest van 9 maart 2010, vrijgesproken van het hem tenlastegelegde feit.

2. Het beroep in cassatie is ingesteld door de advocaat-generaal bij het Hof. Mr. L. Plas, plaatsvervangend advocaat-generaal in de ressorten Amsterdam en Arnhem, heeft bij schriftuur een middel voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het oordeel van het Hof onbegrijpelijk is, voor zover het Hof heeft geoordeeld dat "de omstandigheid dat verdachte kennis had kunnen nemen van de aangetekende brief maar dat niet heeft gedaan, niet mee[brengt] dat zulks voor risico van de verdachte dient te komen en aldus bewezen kan worden dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst."

4. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

"hij op of omstreeks 10 november 2006 te Utrecht terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131 derde lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, de Voorstraat een motorrijtuig, (bestelauto) van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd.

5. Het Hof heeft verdachte van dit feit vrijgesproken en heeft deze beslissing als volgt gemotiveerd:

"Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van verdachte is zowel per aangetekende als per gewone brief verzonden naar verdachtes GBA-adres. De aangetekende brief is retour gekomen met de mededeling "niet afgehaald". De gewone brief is niet retour gekomen. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte tot het moment van aanhouding bekend was met het besluit tot schorsing.

De vraag die het hof moet beantwoorden is of bewezen kan worden dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs geschorst was. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. Overtreding van artikel 9 lid 5 van de Wegenverkeerswet 1994 levert een misdrijf op waardoor aan het bestanddeel "redelijkerwijs moeten weten" zwaardere eisen worden gesteld dan een enkele verwijtbaarheid. Uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot schorsing van de verdachte per gewone brief aan diens GBA-adres is verzonden en niet retour is gekomen, kan niet worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Voorts brengt de omstandigheid dat verdachte kennis had kunnen nemen van de aangetekende brief maar dat niet heeft gedaan, niet mee dat zulks voor risico van de verdachte dient te komen en aldus bewezen kan worden dat verdachte redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst.

6. In de onderhavige zaak oordeelde de Hoge Raad voor terugwijzing naar het Hof aangaande de gevolgtrekking die was verbonden aan een niet teruggekomen gewone brief:(1)

"2.5. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld kan uit de enkele omstandigheid dat het besluit tot schorsing van het rijbewijs van de verdachte per gewone brief aan diens GBA-adres is verzonden en niet retour is gekomen, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte, zoals is bewezenverklaard, redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed."

7. Nadien is door de Hoge Raad vastgehouden aan deze lijn. In HR 21 september 2010, LJN BM9410, luidt de relevante overweging aangaande de gevolgtrekking die kan worden verbonden aan een in dat geval niet als onbestelbaar retour gekomen aangetekende brief:

"2.4. Anders dan het Hof heeft geoordeeld kan uit de omstandigheid dat het besluit tot schorsing van de geldigheid van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende brief is verzonden en niet als onbestelbaar retour is gekomen, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte wist dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. De door het Hof daarbij mede in aanmerking genomen omstandigheid doet daaraan niet af."

In HR 25 januari 2011, LJN BO6762, waarin het gaat het om niet als onbestelbaar retour teruggekomen aangetekende en onaangetekende brieven, overweegt de Hoge Raad:

"2.4. Anders dan het Hof kennelijk heeft geoordeeld, kan uit de omstandigheid dat het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de verdachte per aangetekende en onaangetekende brief is verzonden en deze brieven niet als onbestelbaar retour zijn gekomen, niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, zodat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed."

8. Uit het door verdachte niet afhalen van de aangetekende brief over de schorsing van de geldigheid van zijn rijbewijs, kan dus niet volgen dat hij redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Waar de steller van het middel betoogt dat het Hof ten onrechte aanneemt dat het risico van onwetendheid door geen kennis te nemen van de inhoud van de aangetekende brief niet voor rekening van de verdachte dient te blijven, is dat betoog kennelijk gestoeld op de veronderstelling dat de verdachte wel op de hoogte was van de mogelijkheid de aangetekende brief af te halen, maar hij dat niettemin heeft nagelaten. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting, noch de beslissing van het Hof biedt aannemelijke aanknopingspunten voor de stelling dat de mogelijkheid van kennisneming van de inhoud van de aangetekende brief op iets anders is gestoeld dan de verzending daarvan naar het adres van verdachte. Naar mag worden aangenomen berust de formulering van het Hof aangaande het kunnen kennisnemen van de brief door verdachte dan ook niet op andere omstandigheden dan het blote gegeven dat een aangetekende brief naar zijn adres is verzonden. Voor zover meer wordt gesuggereerd, is er slechts sprake van een ongelukkige formulering. Het middel faalt.

9. Het voorgestelde middel kan worden afgedaan op de wijze als is voorzien in art. 81 RO.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 9 maart 2010, LJN BK6140