Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV6664

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
10/05080
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV6664
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Gegronde bewijsklacht belaging. Uit de bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte zich volgens de bijzondere voorwaarde van het onherroepelijk vonnis dient te onthouden van elke vorm van contact met de aangeefster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/05080

Mr. Silvis

Zitting: 17 januari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft bij arrest van 13 september 2010 het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 22 december 2009 bevestigd, waarbij verdachte wegens "belaging" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, waarvan één maand voorwaardelijk. Daarbij is een bijzondere voorwaarde gesteld waaraan een proeftijd van drie jaar is verbonden.

2. Namens verdachte heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de Rechtbank niet aan de hand van wettige bewijsmiddelen heeft vastgesteld dat verdachte zich volgens de bijzondere voorwaarde van het onherroepelijk vonnis d.d. 15 maart 2008 diende te onthouden van elke vorm van contact met het slachtoffer, zodat het Hof het vonnis van de Rechtbank ten onrechte heeft bevestigd.

4. Ten laste van verdachte is, zakelijk weergegeven, bewezenverklaard dat hij wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1], terwijl verdachte zich volgens de voorwaarde van het onherroepelijke vonnis d.d. 15 maart 2008 dient te onthouden van elke vorm van contact met [betrokkene 1]. Verdachte heeft zelf ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij in 2008 een contactverbod kreeg en door de raadsman van verdachte is niet betwist dat aan hem een contactverbod is opgelegd, maar het middel klaagt terecht dat het vonnis van de Rechtbank niet inhoudt dat de Rechtbank die laatstgenoemde omstandigheid op grond van wettige bewijsmiddelen heeft vastgesteld. Aangezien de bewezenverklaring in zoverre niet kan worden afgeleid uit de door het Hof bevestigde bewijsvoering van de Rechtbank, is de uitspraak van het Hof niet naar de eis der wet met redenen omkleed.(1) Het middel zou op die grond kunnen slagen.

5. Niettemin kan de vraag worden opgeworpen of er niet sprake is van een kennelijke misslag in de zin dat het bij onherroepelijk vonnis d.d. 15 maart 2008 opgelegde contactverbod per abuis niet is geschrapt uit de bewezenverklaring. Het contactverbod speelt in de overwegingen van het door het hof bevestigde vonnis slechts een rol in de strafmotivering. Daarin wordt als kenbron aangegeven dat uit de justitiële documentatie blijkt dat hem bij veroordeling, waarvan eenmaal onherroepelijk, reeds tweemaal een contactverbod is opgelegd. Ook in het reclasseringsrapport wordt het contactverbod gememoreerd. Het gaat overigens niet om een onherroepelijk vonnis van 15 maart 2008 (een zaterdag), maar om een op die dag onherroepelijk geworden vonnis van 29 februari 2008. Van het tenlastegelegde gedeelte aangaande het contactverbod had, behoudens verbeterde lezing, slechts kunnen worden vrijgesproken. Een werkzaam contactverbod was er ten tijde van het tenlastegelegde feit wel, zoals ook door de verdachte is erkend, zodat de overwegingen in de strafmotivering wel hout snijden. Ik meen dat steller bij het middel, alles afwegend, geen belang heeft. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

6. Het tweede middel klaagt dat ten onrechte een proeftijd van drie jaren is vastgesteld wat betreft de naleving van de bijzondere voorwaarde, zodat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.

7. Het bewezenverklaarde feit is gepleegd in de periode van 31 maart 2009 tot en met 15 juni 2009. In verband met de verbeterde lezing van wetgeving moet art. 14b, tweede lid, (oud) Sv in verband met art. 14c lid 2 onder 5 (oud) Sr, als volgt worden gelezen: (2)

"De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c, eerste lid en tweede lid, onder 3° en 5°, ten hoogste twee jaren en in de overige gevallen ten hoogste drie jaren."

4. Gelet hierop heeft het Hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren vastgesteld wat betreft de naleving van de gestelde bijzondere voorwaarde. Het bestreden arrest kan in zoverre niet in stand blijven, doch de Hoge Raad kan deze misslag herstellen.

5. De middelen kunnen niet tot cassatie kunnen leiden. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop de bestreden uitspraak zou behoren te worden vernietigd.

6. Ik concludeer dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak vernietigt doch uitsluitend voor zover in het bevestigde vonnis de proeftijd van drie jaren ongemoeid is gelaten. De Hoge Raad kan de proeftijd op twee jaar stellen.

8. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 30 maart 2010, LJN BL3219.

2 HR 30 oktober 2007, LJN BB3999, NJ 2008/146.