Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV6662

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
10/05070
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV6662
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 285b Sr en 164 Sv. Belaging en klacht. Indien een stuk wel een aangifte bevat maar geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhoudt, kan het bestaan van een klacht ex art. 164.1 Sv worden aangenomen. Voorwaarde is dat wordt vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van het stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld (HR NJ 1994, 278). ’s Hofs oordeel dat de aangeefster ten tijde van het doen van de aangifte wenste dat tegen de verdachte een vervolging zou worden ingesteld, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is gelet op haar verklaring niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2012, 207
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/05070

Mr. Silvis

Zitting 17 januari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is bij arrest van 10 augustus 2010 door het Gerechtshof te Arnhem wegens 1 "Belaging" en 2. "Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht", veroordeeld tot een werkstraf van 90 uur, subsidiair 45 dagen hechtenis, met aftrek. Het hof heeft voorts de vorderingen van de benadeelde partijen toegewezen zoals in het arrest omschreven.

2. Namens verdachte heeft mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat het hof ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, is gekomen tot het oordeel dat voor wat betreft aangeefster [betrokkene 1] is voldaan aan het klachtvereiste als bedoeld in art. 285b lid 2 Sr cq art. 164 Sv.

4. In zijn arrest heeft het hof ten aanzien van een dienaangaande gevoerd verweer het volgende - voor zover hier van belang- overwogen en beslist:

"De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 1 niet ontvankelijk dient te worden verklaard. Feit 1 betreft het delict belaging en is een absoluut klachtdelict. Zowel een klacht van [betrokkene 1] als van [betrokkene 2] ontbreekt. Niet is gebleken dat [betrokkene 1] vervolging wenste. Dat zij heeft aangegeven nader geïnformeerd te willen worden en dat zij een schadeclaim heeft ingediend, is niet voldoende om aan te nemen dat zij vervolging wenste. Voorts blijkt uit de aangifte en de slachtofferverklaring dat zij wenst dat er een einde komt aan het gedrag van cliënt en zij niet wil dat hij een straf krijgt.

(...)

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Voor zover het verweer betrekking heeft op het ontbreken van een klacht van de zijde van [betrokkene 1], verwerpt het hof het verweer. Hoewel er geen formele klacht ligt, blijkt naar het oordeel van het hof voldoende dat [betrokkene 1] vervolging wenste. Zij heeft aangegeven dat zij geïnformeerd wilde worden omtrent het verloop van de strafzaak van verdachte en voorts heeft zij een vordering benadeelde partij ingediend. Anders dan door de raadsman is gesteld, blijkt uit haar aangifte niet dat zij niet wil dat verdachte straf krijgt."

5. Indien een stuk wel een aangifte bevat maar geen uitdrukkelijk verzoek tot vervolging inhoudt, kan niettemin het bestaan van een klacht als omschreven in art. 164 lid 1 Sv worden aangenomen. In dat geval moet op grond van het onderzoek op de terechtzitting worden vastgesteld dat de klager ten tijde van het opmaken van dat stuk de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld.(1)

6. Het hof heeft overwogen dat voldoende blijkt dat [betrokkene 1] vervolging wenste, in aanmerking genomen dat zij heeft aangegeven dat zij geïnformeerd wilde worden omtrent het verloop van de strafzaak van verdachte en zij voorts een vordering benadeelde partij heeft ingediend. Deze overwegingen houden de vaststelling van het hof in dat [betrokkene 1] ten tijde van het opmaken van de aangifte de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf gehanteerd.

7. Dat de vordering benadeelde partij, zoals aangevoerd in de toelichting op het middel, nog niet bekend was ten tijde van de aangifte doet hier niet aan af. De omstandigheid dat aangeefster een vordering benadeelde partij heeft ingesteld, welke vordering enkel mogelijk is in geval van een vervolging, kan immers gezien worden als een uiting van aangeefster dat zij ten tijde van de aangifte inderdaad de bedoeling had dat een vervolging zou worden ingesteld. In dat licht is 's hofs overweging dienaangaande niet onbegrijpelijk.

8. In de toelichting op het middel wordt voorts aangevoerd dat de wens om geïnformeerd te worden over het verloop van de strafzaak onvoldoende is om te kunnen vaststellen dat het dus de bedoeling van [betrokkene 1] was dat vervolging wegens belaging plaats zou vinden. De steller van het middel miskent echter dat het hof niet enkel de wens om geïnformeerd te worden over het verloop van de strafzaak, doch tevens (in combinatie daarmee) het instellen van een vordering benadeelde partij door [betrokkene 1] heeft betrokken bij zijn vaststelling dat het haar bedoeling was dat vervolging zou plaatsvinden. Het komt mij voor dat het niet onbegrijpelijk is dat het hof dat op basis van die combinatie van factoren heeft vastgesteld.

9. Ten slotte wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het hof weliswaar stelt dat uit de aangifte niet blijkt dat aangeefster niet wil dat verdachte straf krijgt, doch dat het hof niet de latere slachtofferverklaring betrekt in zijn overwegingen, waaruit dit nu juist wel zou blijken. Het hof betrekt aan de ene kant dus wel een na de aangifte bekend geworden gegeven, namelijk de vordering benadeelde partij, en aan de andere kant niet, namelijk de slachtofferverklaring. Dat maakt het eindoordeel van het hof onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.

10. Ik heb niet de indruk dat de omstandigheid dat de vordering benadeelde partij dan wel de slachtofferverklaring van na de aangifte stammen een rol heeft gespeeld in het oordeel van het hof. Mijns inziens heeft het hof enkel de aangifte genoemd, omdat het gaat om de vaststelling van de bedoeling van aangeefster ten tijde van deze aangifte. Op dat moment heeft zij niet doen blijken dat zij niet wilde dat verdachte straf krijgt. Daarom noemt het hof de aangifte ook uitdrukkelijk.

De slachtofferverklaring is daarin, tenzij wellicht aangeefster daarin uitdrukkelijk zou hebben verklaard dat zij ten tijde van de aangifte niet wilde dat vervolging werd ingesteld, niet relevant.

11. De slachtofferverklaring bevindt zich overigens onder de stukken. Deze houdt - voor zover hier van belang - onder meer het volgende in:

"Uitweg:

Ik heb uiteindelijk aangifte gedaan. Ik had eerder al meldingen gedaan van stalking maar [verdachte]'s gedrag hield niet op. Ik zag geen andere uitweg meer. Het heeft tijdelijk indruk gemaakt. Hij is erven mee gestopt. Maar daarna is hij weer gewoon doorgegaan met inbreuk te maken op mijn leven.

(...)

Leren:

Het gaat mij niet om een straf voor [verdachte]. Dat is niet goed voor de kinderen. Maar hij moet weten dat dit moet stoppen. Hij moet leren dat dit gedrag niet kan. Hij mag mij niet zo kapot maken. Ik heb recht op mijn eigen leven. Hij moet me loslaten. Misschien is een hulpverleningstraject voor hem een oplossing.

(...)

Opnieuw beginnen:

Ik heb er nu geen hoop op dat de rust in mijn leven terugkeert. [Verdachte] is immers na de aangifte ook weer doorgegaan. Maar misschien als hij iets voorwaardelijks krijgt, dat er een stok achter de deur is voor hem."

12. Het hof heeft geenszins onbegrijpelijk kunnen oordelen dat deze slachtofferverklaring niet relevant is voor de beoordeling van de wens tot vervolging ten tijde van de aangifte, nu hieruit niet blijkt dat aangeefster ten tijde van de aangifte niet wilde dat verdachte straf zou krijgen. Overigens blijkt uit de slachtofferverklaring evenmin dat aangeefster op dat moment dan wel in het algemeen niet wil dat verdachte straf krijgt; zij heeft het in die verklaring immers zelf over een voorwaardelijke straf als stok achter de deur.

13. Het middel faalt derhalve in alle onderdelen.

14. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

15. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 11 januari 1994, LJN: ZC8448, NJ 1994/278; HR 2 november 2004, LJN: AQ4289.