Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV3680

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
25-05-2012
Zaaknummer
11/00304
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV3680
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Octrooirecht. Europees octrooi; uitleg; beschermingsomvang; maatstaf; rol verleningsdossier; equivalentie. Geen inbreuk. Art. 69 EOV; in aanmerking te nemen gezichtspunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/763
NJB 2012/1314
IER 2012/58 met annotatie van AFK
NJ 2013/68 met annotatie van Th.C.J.A. van Engelen
JWB 2012/259
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. 11/00304

Mr. Huydecoper

Zitting van 3 februari 2012

Conclusie inzake

de rechtspersoon naar buitenlands recht AGA Medical Corporation

eiseres tot cassatie

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht Occlutech GmbH

verweerster in cassatie

Feiten(1)en procesverloop

1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

de (principaal) eiseres tot cassatie, AGA, is houdster van het Europese octrooi EP 0.808.138 (hierna te noemen: "(het) octrooi").

Blijkens de korte aanduiding (in de authentieke Engelse taal) is dit octrooi verleend voor een "Method of forming medical devices; intravascular occlusion devices". De vermelding van de verlening van het octrooi is gepubliceerd op 5 oktober 2005(2). Het octrooi is verleend voor meerdere landen, waaronder Nederland. Tegen de verlening van het octrooi is geen oppositie gevoerd.

2. Conclusies 1, 2 en 16 van het octrooi luiden:

"1. A collapsible medical device (60) comprising a metal fabric formed of braided metal strands, the device (60) having a collapsed configuration for delivery through a channel in a patient's(3), and has a generally dumbbell-shaped expanded configuration with two expanded diameter portions (64) separated by a reduced diameter portion (62) formed between opposed ends of the device, characterized in that clamps (15) are adapted to clamp the strands at the opposed ends of the device.

2. The medical device (60) of claim 1, wherein at least one of the clamps (15)(4) configured to be releasably attached to a delivery device.

[...]

16. A method of forming a medical device according to any of the preceding claims, the method comprising the steps of:

(a) providing a metal fabric formed of a plurality of braided strands, the strands being formed of a metal which can be heat treated to substantially set(5) a desired shape;

(b) deforming the metal fabric to generally conform to an internal wall surface of a moulding element;

(c) heat treating the metal fabric in contact with the surface of the moulding element at an elevated temperature, the temperature and the duration of the heat treatment being sufficient to substantially set the shape of the fabric in its deformed state;

(d) removing the metal fabric from contact with the moulding element; and

(e) clamping the opposed ends of the strands of the device with clamps."

De (niet betwiste) Nederlandse vertaling luidt:

"1. Een samenvouwbare medische inrichting (60) omvattende een metaalweefsel gevormd uit gevlochten metaaldraden, welke inrichting (60) een samengeklapte configuratie heeft voor aflevering door een kanaal in een patiënt, en een in hoofdzaak haltervormige uitgezette configuratie heeft met twee vergrote-diameterdelen (64) gescheiden door een verminderde-diameterdeel (62) gevormd tussen tegenover elkaar gelegen einden van de inrichting, met het kenmerk, dat klemmen (15) zijn aangepast voor het klemmen van de draden bij de tegenover elkaar gelegen einden van de inrichting.

2. De medische inrichting (60) volgens conclusie 1, waarbij ten minste één van de klemmen (15) zodanig is uitgevoerd dat deze losmaakbaar kan worden vastgezet aan een afgifteinrichting.

[...]

16. Een werkwijze voor het vormen van een medische inrichting volgens een van de voorgaande conclusies, waarbij de werkwijze de navolgende stappen bevat:

(a) voorzien in een metaalweefsel vervaardigd van een groot aantal gevlochten draden, waarbij de draden vervaardigd zijn van een metaal dat warmtebehandeld kan worden om in hoofdzaak in een gewenste vorm te kunnen worden gezet;

(b) vervormen van het metaalweefsel tot dit zich in hoofdzaak heeft aangepast aan een inwendig wandoppervlak van een vormgevend element;

(c) warmtebehandeling van het metaalweefsel in contact met het oppervlak van het vormgevende element op een verhoogde temperatuur, waarbij de temperatuur en de duur van de warmtebehandeling voldoende zijn voor het in hoofdzaak in zijn gedeformeerde toestand zetten van de vorm van het weefsel;

(d) verwijderen van het metaalweefsel uit contact met het vormgevende element; en

(e) klemmen van de tegenover elkaar gelegen einden van de draden van de inrichting met klemmen."

3. De conclusies 2 t/m 15 van het octrooi zijn (direct of indirect) afhankelijk van conclusie 1. Zij zijn, zoals vaak het geval is, gericht op voorkeursuitvoeringen van de inrichting volgens conclusie 1.

Conclusie 16 is gericht op een werkwijze voor het vervaardigen van een inrichting volgens conclusies 1 t/m 15.

4. De (principaal) verweerster in cassatie, Occlutech, bracht occlusie-inrichtingen in de handel onder de namen "Figulla(r) PFO ("Patent Foramen Ovale") Occluder" en "Figulla(r) ASD ("Atrial Septum Defect") Occluder". Deze occluders worden gebruikt als septumafsluiters(6).

5. In eerste aanleg heeft Occlutech (vooral) een verklaring voor recht gevorderd dat haar genoemde producten buiten de beschermingsomvang van het (Nederlandse deel van het) octrooi vallen, en dat Occlutech geen inbreuk op het octrooi maakt door het op de markt brengen en verhandelen van die producten. Occlutech heeft tevens voorwaardelijk (voor het geval geoordeeld wordt dat zij inbreuk maakt op het octrooi) vernietiging van het Nederlandse deel van het octrooi gevorderd.

6. AGA heeft verweer gevoerd, en in reconventie een verklaring voor recht gevorderd dat Occlutech inbreuk maakt op het octrooi. Aansluitend werd - allicht - in reconventie een verbod gevorderd ten aanzien van de volgens AGA door Occlutech begane (of van de kant van Occlutech dreigende) inbreuken, met bijkomende vorderingen.

7. In eerste aanleg werden de primaire vorderingen in conventie in essentie toewijsbaar geoordeeld, en werden de reconventionele vorderingen (dus) afgewezen. De voorwaardelijke nietigheidsvordering kwam hierdoor niet aan de orde.

Op het namens AGA ingestelde hoger beroep (waarin AGA haar eisen vermeerderde met het oog op nieuwe varianten van de door Occlutech aangeboden producten), heeft het hof de beslissing van de eerste aanleg bekrachtigd.

8. Namens AGA is tijdig(7) en regelmatig cassatieberoep ingesteld. Occlutech heeft laten concluderen tot verwerping, en heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep laten instellen. De wederzijdse standpunten zijn - ampel - schriftelijk toegelicht. Er is schriftelijk van re- en dupliek gediend.

Het is nog het vermelden waard, dat het ten tijde van het uitbrengen van de cassatiedagvaarding zo was dat de rechterlijke instanties van het Verenigd Koninkrijk in "parallelle" procedures over hetzelfde Europese octrooi (definitief) in het voordeel van Occlutech hadden beslist, terwijl een Oberlandesgericht in Duitsland in het voordeel van AGA had geoordeeld. Blijkens de schriftelijke toelichtingen is echter de beslissing van het Oberlandesgericht door het Bundesgerichtshof (BGH) vernietigd, en is de Duitse procedure alsnog in het voordeel van Occlutech geëindigd(8). Van de kant van AGA wordt ook verwezen naar "parallelle" procedures in Italië, Spanje en Zweden.

Uitleg/beschermingsomvang van octrooien

9. De jurist wordt van het begin van zijn vorming als zodanig geconfronteerd met het feit dat de uitleg van tekst(en) een bron van problemen vormt. Tekst, en zeker: juridische tekst(9), beoogt een bepaalde bedoeling aan de lezer duidelijk te maken. Vaak is dat de bedoeling, bepaalde gegevens van andere af te bakenen. Daarbij stuit men op de moeilijkheid dat zich grensgevallen voordoen. Vaak zijn die grensgevallen bij het opstellen van de tekst niet onder ogen gezien(10), en vertonen die grensgevallen aspecten die ervóór pleiten, ze onder de geformuleerde tekst te scharen en andere aspecten die daartegen pleiten.

Het uitleggen van juridische teksten met het oog op zulke grensgevallen, behoort tot de hoofdonderdelen van het juridische werk(11).

10. Octrooien nemen wat dit betreft niet echt een uitzonderingspositie in. Het opstellen daarvan vindt vaak plaats onder omstandigheden waarin met een aantal grensgevallen geen rekening kan worden gehouden, of in elk geval: geen rekening wordt gehouden. Als vervolgens die grensgevallen aan de orde komen pleiten de nodige aspecten voor het scharen van het grensgeval onder het bereik van het verleende octrooi, en andere aspecten daartegen. Argumenten gericht op "redelijke bescherming voor de octrooihouder", tegenover argumenten gericht op een "redelijke rechtszekerheid voor derden", staan hierbij vaak voorop.

Voor de onderhavige zaak lijkt mij mede van belang, dat de tekst van een Europees octrooi tot stand komt in een samenspraak tussen de aanvrager van het octrooi en de octrooiverlenende instantie. Nu eens levert die samenspraak nauwelijks aanwijzingen op voor wat de betrokkenen voor ogen heeft gestaan, en dan weer zijn zulke aanwijzingen er wel. Allicht legt die factor dan (ook) gewicht in de schaal(12).

11. Het dringt zich op dat de uitleg van octrooien meestal tot problemen aanleiding geeft als de octrooihouder zijn octrooi in stelling wil brengen tegen een voorziening die volgens de octrooihouder begrepen is onder de uitvinding waar het octrooi voor werd verleend; terwijl die voorziening toch niet precies beantwoordt aan de in de octrooitekst neergelegde omschrijving van die uitvinding(13).

De octrooihouder verdedigt dan dat aansluiting moet worden gezocht bij de uit de octrooitekst af te leiden uitvinding(sgedachte), die ruimer is dan uit de in de tekst opgesomde elementen zou blijken; en de wederpartij verdedigt dat niet, of niet in de door de octrooihouder gewenste ruime mate, mag worden geabstraheerd van de in het octrooischrift omschreven elementen van het uitgevondene.

12. Een bijzonderheid van het "octrooiwezen" bestaat er in, dat de regels betreffende de verlening van Europese octrooien (overigens: evenals heel veel andere regels over het onderwerp: octrooiverlening) voorschrijven, dat de aanvrager van een octrooi conclusies moet voorstellen waarin het onderwerp waarvoor bescherming wordt gevraagd, wordt beschreven. Die conclusies moeten duidelijk en beknopt zijn en steun vinden in de overigens in de octrooiaanvrage neergelegde beschrijving van de uitvinding, art. 84 EOV.

De plaats van deze conclusies wordt dan verder verduidelijkt in art. 69 EOV: de beschermingsomvang wordt daardoor bepaald, met dien verstande dat de beschrijving en tekeningen die ook in het octrooi zijn opgenomen, tot uitleg van de conclusies dienen.

13. Ik herinner er aan dat de uitlegproblemen betreffende octrooien er bijna altijd over gaan, dat er iets moet worden beoordeeld dat niet precies overeenstemt met de uitvinding zoals die in de tekst van het octrooi wordt "geclaimd". Het gaat dan dus altijd om iets wat op bepaalde punten afwijkt van de elementen zoals die in de conclusie(s) van het verleende octrooi zijn beschreven. Zoals al werd aangestipt, is de vraag dan - meestal - of het octrooi er blijk van geeft dat een uitvinding(sgedachte) is beoogd die ruimer is, dan correspondeert met de elementen die de conclusie(s) beschrijven; en zo ja, of het gerechtvaardigd is, de door het octrooi verleende bescherming dienovereenkomstig verruimd uit te leggen.

14. De Nederlandse rechtsleer over dit onderwerp kenmerkt zich "van oudsher" door de benadering, dat de zojuist aangeduide verruiming royaal moet worden toegelaten. Het gaat, in de termen van het "klassieke" arrest HR 20 juni 1930, NJ 1930, p. 1217 e.v. m.nt. PS, er niet om, dat uitsluitend met de letterlijke tekst van het octrooi te rade mag worden gegaan, maar om dat, waarin naar het wezen der zaak de geoctrooieerde uitvinding bestaat(14).

15. De ruime formulering die ik zojuist parafraseerde plaatst de gehele uit het octrooischrift blijkende (of: daaruit op te maken) gedachte(gang) op de voorgrond, en laat zodoende maar beperkte ruimte voor het toekennen van (bijzondere) betekenis aan de octrooiconclusies. In deze ruime vorm voldoet de uit het arrest van 1930 blijkende opvatting dan ook niet aan de regel van art. 69 EOV. Die regel geeft immers wél "prioriteit" aan de octrooiconclusies, met dien verstande dat die moeten worden uitgelegd met inachtneming van de verdere tekst en illustraties (de beschrijving en de tekeningen). Een uitleg die zich concentreert op een uit de gehele tekst te destilleren uitvindingsgedachte, met voorbijgaan aan beperkingen die de conclusies lijken in te houden, is slecht met de regel uit het EOV te verenigen. Een dergelijke uitleg komt er immers op neer dat "the claims serve only as a guideline and that the actual protection conferred may extend to what, from a consideration of the description and the drawings by a person skilled in the art, the patent proprietor has contemplated.". Die formule, opgenomen in art. 1 van het Protocol bij art. 69 EOV dat onderdeel van het EOV uitmaakt, strekt ertoe een uitlegmethode aan te geven die (daar) met beslistheid als te ruim van de hand wordt gewezen.

16. Hetzelfde Protocol beveelt bij de uitleg van octrooien een middenweg aan, die zowel recht doet aan "a fair protection for the patent proprietor" als aan "a reasonable degree of legal certainty for third parties". Tevens wordt voorgeschreven dat rekening moet worden gehouden met "any element which is equivalent to an element specified in the claims".

Dit samenstel van aanwijzingen biedt een fraai geformuleerde redelijkheidstoets; maar aan praktische houvast voor de toepassing in de praktijk, biedt het wat mij betreft niet zo veel.

17. Als ik de rechtspraktijk in Nederland en in de omringende landen sedert de invoering van het EOV probeer te overzien, tekent zich daarin een geleidelijke ontwikkeling af waarin méér betekenis wordt toegekend aan de elementen die in de octrooiconclusies staan omschreven, en minder ruimte wordt gelaten voor uitleg die zich van die elementen in vergaande mate losmaakt.

Dat die benadering in de Engelse rechtsleer de boventoon voert, zal niet verbazen: in dat land gold "van oudsher" dat méér betekenis aan de octrooiconclusies werd toegekend dan in Nederland of Duitsland. Terwijl de Engelse praktijk inmiddels minder rigide aan bescherming louter binnen de tekst van de conclusies vasthoudt dan vroeger wel het geval was, blijft de ruimte voor uitleg - "construing purposively" - buiten die tekst, in de Engelse rechtsleer vrij beperkt(15).

18. De Duitse rechtsleer, ooit aangemerkt als die waarin de meeste ruimte voor uitleg van octrooien aan de hand van een "allgemeine Erfindungsgedanke" werd aanvaard, is zich gaandeweg in beperktere formuleringen betreffende de uitleg van octrooien gaan uitdrukken. Ik haal, bij wege van voorbeeld, uit BGH 7 september 2004, nr. X ZR 255/01(16), rov. 4 onder a aan:

"Maßgebliche Grundlage dafür, was durch ein europäische Patent unter Schutz gestellt ist, ist gemäß Art. 69 Abs. 1 Satz 1 EPÜ der Inhalt der Patentansprüche(17) (vgl. z.B. auch BGZH 98, 12 - Formstein). Die Frage, ob eine bestimmte Anweisung zum Gegenstand eines Anspruchs des Patents gehört, entscheidet sich deshalb danach, ob sie in dem betreffenden Patentanspruch Ausdruck gefunden hat (BGZH 106, 84, 94 - Schwermetalloxidationskatalysator). Das Protokol zur Auslegung von Art. 69 EPÜ drückt dies durch seinen Hinweis aus, daß die Patentansprüche nicht lediglich als Richtlinie dienen dürften. Das verleiht dem in dem Pantentanspruch gewählten Wortlaut entscheidende Bedeutung. Was - bei sinvollem Verständnis - mit ihm nicht so deutlich einbezogen ist, daß es vom Fachmann als zur Erfindung gehörend erkannt wird, kann den Gegenstand dieses Patentanspruchs nicht kennzeichnen. Auch die zur Erfassung des Sinngehalts eines Patentanspruchs vorgesehene Heranziehung von Beschreibung und Zeichnungen des betreffenden Patents darf weder zu einer inhaltlichen Erweiterung noch zu einer sachlichen Einengung des durch den Wortlaut des Patentanspruchs festgelegten Gegenstands führen."

Of, in woorden van de uitspraak van het BGH in de parallel-procedure tussen de onderhavige partijen die bij de schriftelijke toelichting namens Occlutech is overgelegd, rov. 23:

"Zwar ist ein buchstäbliches Verständnis der Patentansprüche nicht zur Erfassung des geschützten Gegenstands geeignet, andererseits darf der Schutzgegenstand aber auch nicht durch Veralgemeinerung konkreter, im Anspruch angegebener Lösungsmittel erweitert werden (vgl. Ballhaus/Sikinger, GRUR 1986, 337, 341). Insbesondere darf ein engerer Patentanspruch nicht nach Maßgabe einer weiter gefassten Beschreibung interpretiert werden. Der Patentanspruch hat vielmehr Vorrang gegenüber der Beschreibung...etc."

Namens AGA is aangevoerd dat de laatst-aangehaalde uitspraak als "uitschieter" zou zijn aan te merken, en niet representatief voor de Duitse rechtsleer; maar in het licht van de onmiddellijk daarvóór geciteerde beslissing, ben ik er niet van overtuigd dat dat zo is.

19. Ik meen dat ook de rechtspraak van de Hoge Raad, aansluitend bij de "trend" die ook in andere Europese landen te zien is, inmiddels een minder ruime benadering te zien geeft dan bijvoorbeeld nog uit HR 27 januari 1989, NJ 1989, 506 m.nt. LWH, rov. 3.5 zou kunnen worden opgemaakt. Die beslissing is namelijk wel zo uitgelegd, dat de leer uit het in alinea 14 hiervóór aangehaalde arrest onverkort zou zijn blijven gelden(18).

In HR 13 januari 1995, NJ 1995, 391 m.nt. DWFV, rov. 3.3.1 is de leer uit het arrest van 27 januari 1989 verduidelijkt. De Hoge Raad overwoog dat bij de uitleg niet slechts het wezen van de uitvinding zoals de vakman die uit het octrooi kan opmaken bepalend is, maar dat ook rekening moet worden gehouden met de redelijke rechtszekerheid voor derden, en dat dit gezichtspunt (tegenover het door de Hoge Raad ook als "gezichtspunt" aangeduide gegeven van het wezen van de uit het octrooi blijkende uitvinding) aanleiding kan geven voor een restrictievere, meer bij de bewoordingen van de conclusies aansluitende uitleg.

20. Met de (vuist)regels uit de als laatste aangehaalde beslissing zou de Nederlandse rechtsleer overigens, naar mij toeschijnt, aan de conclusies van het octrooi nog altijd minder betekenis toekennen dan in de Engelse en Duitse rechtsleer inmiddels lijkt te zijn aanvaard; maar de latere rechtspraak van de Hoge Raad roept het beeld op, dat dat niet (meer) het geval is.

Ik wijs daarvoor op HR 6 maart 2009, NJ 2009, 417 m.nt. Gielen, rov. 5.2.2, HR 7 september 2007, NJ 2007, 466, rov. 3.3, HR 31 oktober 2003, NJ 2006, 600, rov. 3.3.1 en 3.3.2 en HR 12 november 2004, NJ 2004, 674, rov. 3.6 en 3.7(19). In deze beslissingen wordt telkens aangenomen dat de conclusies, uiteraard: "bei sinnvollem Verständnis", in de uitlegging van een (Europees) octrooi de centrale plaats innemen.

21. Naar zich laat denken, zijn er tal van verschillende situaties denkbaar waarin, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, de wijze waarop de uitvinding in de conclusies is omschreven méér of juist minder aanknopingspunten biedt voor een verruimde uitleg aan de hand van de beschrijving en de tekeningen - of juist het tegendeel.

Het principale cassatiemiddel gaat uit van één zo'n geval: het geval van een min of meer gemakkelijk als zodanig te herkennen uitvinding van brede, principiële strekking, waarvan de omschrijving in de conclusies om wat voor redenen dan ook, beperkingen inhoudt die niet sporen met de brede strekking van de uit de beschrijving blijkende uitvinding. Dat is, zo te zien, ook het geval dat de aanzet heeft gegeven tot de formulering uit het arrest van 20 juni 1930 (en dat van 27 januari 1989): men herkent in het octrooischrift (vrij gemakkelijk) een uitvinding van bredere strekking dan er in de conclusies terecht is gekomen.

22. Bij wege van theoretische (maar natuurlijk niet helemaal toevallig gekozen) voorbeelden, noem ik een aantal andere varianten:

- De uitvinding is beperkt omschreven omdat ten tijde van het doen van de uitvinding en het beschrijven daarvan in een octrooiaanvraag, de steller daarvan niet méér dan het met de beperkte omschrijving corresponderende inzicht (ter beschikking) had. (Even) later zijn andere, bredere inzichten "in beeld" gekomen, en in het licht daarvan kan de in het octrooi beschreven uitvinding gemakkelijk als te beperkt "geclaimd" worden gepercipieerd en verdedigd(20).

- De uitvinding, hoewel door vakgenoten als belangrijk gepercipieerd en in de praktijk zeer succesvol, blijkt voor een relevant deel "overlap" te vertonen met gegevens uit de bekende stand van de techniek, die echter niet tot de "mainstream" technologie behoren en daarom niet of nauwelijks bekendheid genoten. Zulke "stand van de techniek" kan, als die in de octrooiverleningsprocedure door de Examiner wordt opgemerkt, een reden opleveren om de uitvinding in het octrooi wezenlijk anders (en beperkter) te omschrijven dan overeenkomt met de kijk die deskundige vakgenoten (uiteraard niet op de hoogte van de in de verlenings-procedure gevonden stand van de techniek) hebben op de strekking van de uitvinding en het belang daarvan; en eventueel ook: dan overeenkomt met de positieve ontvangst van de uitvinding in de markt, en het navenante commerciële succes daarvan.

- Er kan worden gekozen voor een formulering van de conclusies die niet optimaal met de in de beschrijving gegeven illustratie van een uitvinding strookt omdat het nodig bleek materie van de aanvankelijk beschreven uitvinding "af te splitsen". Het laat zich geredelijk denken dat de beschrijving dan zo ("onhandig") kan worden aangepast, dat de uitvinding zoals die in de inleidende gedeelten van het octrooischrift wordt beschreven, althans in bepaalde opzichten, een wezenlijk ander beeld oproept dan de uitvinding zoals die in de gewijzigde conclusies wordt gedefinieerd. Bij een octrooi dat zo tot stand is gekomen levert het opsporen van een daaraan ten grondslag liggende uitvindingsgedachte allicht méér problemen op dan wanneer het om een "in einem Guss" opgestelde tekst gaat.

- Een octrooi op basis van een aanvrage die nadruk legde op de werkwijze waarmee beoogde voortbrengsels worden verkregen, wordt nader geformuleerd zodat de verkregen voortbrengsels voorop komen te staan. Naar zich laat denken komt bij een beschrijving die aanvankelijk op de werkwijze ter vervaardiging is toegesneden, het accent op hoe de elementen van het beoogde product worden verkregen en waar die uit bestaan, wezenlijk anders te liggen dan wanneer men dezelfde voortbrengsels niet "vanuit de werkwijze" beschrijft.

Ik heb deze voorbeelden, zoals ik al even liet blijken, niet geheel toevallig gekozen. Het dossier van de onderhavige zaak bevat aanwijzingen dat er van ieder van de in de voorbeelden genoemde gevallen sprake zou kunnen zijn, en ook van meer dan één van die gevallen tegelijk.

23. Met deze voorbeelden heb ik, wat de "geschoolde lezer" betreft misschien geheel ten overvloede, willen illustreren dat er geen eenvormige weg voor de uitleg van octrooien bestaat. Elk octrooi moet worden uitgelegd in het kader van de aan dat octrooi eigen omstandigheden, met inbegrip van bijzonderheden en eigenaardigheden zoals de zojuist bij wege van voorbeeld gesuggereerde.

Het namens AGA in cassatie verdedigde, lijkt van een ander vertrekpunt uit te gaan: voor ieder octrooi zou een "wezen van de uitvindingsgedachte" moeten worden vastgesteld om te kunnen beoordelen of de conclusies niet te beperkt zijn geformuleerd; en wanneer dat laatste wordt vastgesteld, zou de uitleg zich ook moeten richten naar het gevonden "wezen", voor zoveel nodig met voorbijgaan aan in de conclusies opgenomen beperkingen(21),(22).

24. De werkelijkheid is dus, denk ik, veelvuldiger en gevarieerder dan die waarvan het middel lijkt uit te gaan. De rechtsleer zoals die inmiddels aan de hand van art. 69 EOV tot ontwikkeling komt is op die gevarieerdere werkelijkheid georiënteerd, en volgt dus niet het wat eenzijdige patroon dat aan de betogen van het middel (en de schriftelijke toelichting van de kant van AGA) ten grondslag ligt.

25. Voor de beoordeling in cassatie is nog dit van aanzienlijk belang: de aan octrooien toekomende uitleg wordt in bestendige rechtspraak aangemerkt als feitelijk, of als "verweven met waarderingen van feitelijke aard", en daarom slechts beperkt vatbaar voor toetsing in cassatie(23).

Bespreking van het principale cassatiemiddel

26. Met de hiervóór neergeschreven beschouwingen voor ogen denk ik dat de klachten van het principale middel niet verdienen, te worden aanvaard. Ik zal daartoe - natuurlijk - die klachten bespreken.

De klachten worden echter niet achtereenvolgens besproken, omdat de achtereenvolgende klachten een vrij aanzienlijk aantal herhalingen, al-dan-niet voorzien van variaties of verbijzonderingen, op verschillende thema's inhouden. Ik meen er goed aan te doen de thema's die ik in de klachten aantref te bespreken, telkens met aanwijzing van de klachten waarin die thema's volgens mij worden aangesneden.

27. Maar laat ik om te beginnen aangeven, hoe volgens mij de beslissing van het hof moet worden verstaan.

In die beslissing komt een centrale plaats toe aan rov. 11.1. Daarin oordeelt het hof over de van de vakman te verwachten lezing van de vermelding, in conclusie 1, dat de daarin "geclaimde" inrichting aan elk uiteinde een klem uitwijst die (constructief) is aangepast om de draden bij het desbetreffende einde van de inrichting te klemmen.

Het hof stelt vast dat de vakman het aldus "klemmend" verzekeren van beide uiteinden van de inrichting als een van de door de conclusie beoogde maatregelen zal opvatten.

28. In het middel wordt deze vaststelling op een aanzienlijk aantal plaatsen(24) bestreden met argumenten die ertoe strekken dat de vakman zal begrijpen dat het voorkómen van ontrafelen van de draden van de inrichting en het verkrijgen van de beoogde halter-vorm, ook mogelijk zijn met slechts één klem, met name als de draden aan de tegenovergestelde zijde van de inrichting niet zijn afgesneden, maar (gebogen) doorlopen, en dan terugkeren naar de zijde waar de klem is aangebracht(25).

29. Ik geef de steller van het middel na dat de vakman aan wie dit in deze termen wordt uitgelegd, dat gemakkelijk zal begrijpen (zeker als hij ook kennis draagt van de producten van Occlutech waarin deze oplossing wordt toegepast). Het octrooischrift openbaart deze leer echter niet - ook niet "stilzwijgend"(26). Ik meen dan ook dat het hof zonder miskenning van het toepasselijke recht of van de motiveringsplicht kon aannemen, dat de vakman als leer van de in het octrooi beschreven uitvinding zal percipiëren dat het klemmend verzekeren van (de draden aan) beide einden van de beschreven inrichting (uiteraard: in combinatie met de verder vermelde maatregelen) de door de uitvinding voorziene oplossing oplevert, zowel voor het eventuele "ontrafelen"(27) als voor het verkrijgen van de beoogde "gesloten" halter-vorm (en ook voor de in het octrooi aanbevolen betrouwbare afsluitende werking, zie rov. 11.4 van het arrest, voorlaatste volzin).

Simpel gezegd: het octrooi leert dat men zó tot het gewenste resultaat kan komen. Het leert niet dat dat ook op een wezenlijk andere manier mogelijk is; en het mag niet worden verondersteld dat dit door de vakman wél zal worden "ingelezen"(28).

Met deze vaststelling is het hof volgens mij - ruimschoots - gebleven binnen de marge van feitelijke appreciatie die bij oordelen als deze aan de rechters van feitelijke aanleg is voorbehouden. De zojuist in voetnoot 24 genoemde klachten stuiten daarop af.

30. In deze vaststelling ligt besloten dat het octrooi de vakman niet een andere, ruimere uitvindingsgedachte "meegeeft" dan deze, dat het in het octrooi onder ogen geziene probleem met de gezamenlijke in conclusie 1 beschreven maatregelen kan worden opgelost.

Daarmee verloor de vraag naar vaststelling van een eventuele "achterliggende uitvindingsgedachte" haar relevantie: de onderhavige vaststelling van het hof betekent dat het octrooi geen andere, achterliggende uitvindingsgedachte inhoudt(29). De klachten van het middel die erop berusten dat het hof een dergelijke gedachte had moeten onderzoeken en die in zijn oordeel had moeten betrekken, stuiten daarop af(30).

Het in dit verband overwogene betekent mede, dat het hof de uit het octrooi voor de vakman blijkende uitvinding niet heeft aangemerkt als het in hoge mate vernieuwende "pioneer patent" waarop in het middel een aantal malen wordt gedoeld, en waar de klacht van subalinea 1.4 van de cassatiedagvaarding apart aan gewijd is. Dit oordeel is in het licht van aspecten zoals die in alinea 22, tweede "gedachtestreepje" hiervóór werden genoemd, niet onbegrijpelijk (waaraan niet afdoet dat het hof dergelijke aspecten niet in volle omvang in zijn motivering heeft betrokken(31)).

31. Ik wil niet onvermeld laten dat tussen AGA en Occlutech mede in geschil is, of het octrooi "überhaupt" betrekking heeft op inrichtingen bestemd voor de sluiting van openingen in het septum. In rov. 10.1 - 10.3 heeft het hof dit geschilpunt in het nadeel van Occlutech beslist (waartegen het incidentele middel volgens mij tevergeefs opkomt, zie alinea's 61 - 67 hierna). In het op dit punt gegeven oordeel stelt het hof, in rov. 10.2, echter wel vast dat het octrooi alleen aanwijzingen inhoudt voor toepassing van de uitvinding in wat wordt aangeduid als "embolisatie-inrichtingen", en dat septum afsluiters in de beschrijving niet of nauwelijks ter sprake komen.

Met dat gegeven voor ogen is eens te meer begrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de vakman die het octrooi ter kennis neemt, niet wordt gebracht op gedachten waar men, ware het onderwerp van het sluiten van openingen in het septum wél in het octrooi behandeld, misschien wat makkelijker op zou komen. "By the same token" is begrijpelijk dat het hof niet is "meegegaan" met de gedachte dat het octrooi een baanbrekende uitvinding betreft. Dat baanbrekende karakter zou de uitvinding immers kennelijk slechts aan de toepassing van de leer uit het octrooi op septum afsluiters ontlenen, en daarover bevat het octrooi zoals verleend nu juist geen relevante informatie.

32. Een volgend thema is, dat de middelen het hof verwijten dat dat - ik bedoel: het hof - slechts een letterlijke of taalkundige (en "voorbehoudsloze"(32)) lezing en uitleg van conclusie 1 en van de daarbij door het hof betrokken plaatsen uit de beschrijving van het octrooi, zou hebben gebezigd(33).

Dit verwijt lijkt mij in de beide varianten ("letterlijk/taalkundig" en "voorbehoudsloos") niet doeltreffend. Dat het hof te rade is gegaan bij de teksten van conclusie 1 en van die gedeelten van de beschrijving die volgens het hof voor de verdere beoordeling van belang waren, levert geen grond voor deze verwijten op. Hoezeer uitleg van octrooien niet beperkt mag worden tot letterlijke lezing van de relevante conclusies, de tekst van de conclusies (gelezen in het licht van beschrijving en tekeningen) is natuurlijk wel het uitgangspunt bij de beoordeling. Bovendien ondersteunen aspecten van de beschrijving, zoals het aspect dat ik in de vorige alinea heb aangestipt, de beperkte uitleg die het hof ten opzichte van de octrooitekst voor juist heeft gehouden; ook dat logenstraft de stelling dat het hof aan de beschrijving (effectief) voorbij zou zijn gegaan.

33. Een opmerking terzijde, mede in verband met de in het middel enkele malen genoemde(34) "two-part form" waarin conclusie 1 van het onderhavige octrooi is geschreven:

de steller van het middel doelt hiermee op een gegeven dat men onder meer kan vinden in Rule 43 lid 1 uit het Uitvoeringsreglement bij het EOV, toegelicht in de Guidelines for Examination in the European Patent Office(35) Part C-Chapter III-3, nrs. 2.2 - 2.3.2.

Deze "Rule" strekt ertoe dat octrooi(hoofd)conclusies gewoonlijk behoren te worden opgesteld in een tweeledige vorm, waarbij het eerste gedeelte een aanduiding geeft van de bekende stand van de techniek waarvan bij het formuleren van de conclusie wordt uitgegaan, en het tweede deel, na woorden als "characterised by", de elementen aangeeft die aan de hand van de uitvinding aan de voorbekende materie worden toegevoegd.

34. Het middel lijkt ervan uit te gaan dat het hof bij zijn uitleg van conclusie betekenis heeft toegekend aan het feit dat het in deze zaak centraal staande gegeven - klemmen aan beide uiteinden van de inrichting - overeenkomstig de regel betreffende de "two-part form" in het kenmerkende deel van de conclusie is opgenomen; en inderdaad kan men bij lezing van rov. 11.4, slotalinea's, menen dat het hof aan deze bijzonderheid enig gewicht heeft toegekend.

Aannemend dat dat zo is, denk ik echter dat het hof daarmee geen rechtsregel heeft geschonden en ook niets onbegrijpelijks heeft gedaan. Formulering van een conclusie in de "two-part form" kan er geredelijk toe leiden dat de vakman-lezer het als kenmerkend aangeduide gedeelte van de conclusie percipieert als van primerende dan wel essentiële betekenis. Iets anders geformuleerd: de gedachte dat de opsteller van een conclusie ook de gedeelten die als voor de beoogde bescherming kenmerkend worden aangeduid toch als niet-essentieel zou bedoelen, in die zin dat de daar aangeduide maatregelen ook kunnen worden vervangen door andere of zelfs helemaal kunnen worden weggelaten, ligt niet bepaald voor de hand.

Ik denk daarom dat de feitelijke rechter vrij is om aan dit gegeven betekenis toe te kennen; en het onttrekt zich aan toetsing in cassatie, of dat in een bepaald geval terecht of in de juiste mate is gebeurd.

35. Vervolgens: dat het hof in dit geval noch in de tekst van de conclusie noch in de verdere aanwijzingen die namens AGA werden verdedigd, voldoende basis heeft gezien om aan het octrooi een (aanmerkelijk) ruimere uitleg te geven dan met de expliciet uit de tekst op te maken gegevens zou sporen, is, zoals ik in alinea 29 al heb aangegeven, rechtens onjuist noch onbegrijpelijk. Waar een octrooitekst geen houvast, of slechts een minimum aan houvast, biedt om daaruit een aanmerkelijk ruimere uitvindingsgedachte op te maken dan in de tekst van het stuk zelf tot uitdrukking komt, is te begrijpen dat een feitelijke beoordeling zo uitpakt, dat die ruimere gedachte door de vakman niet in de tekst zal worden ingelezen.

Het middel voert in geen van de (in voetnoot 33) aangehaalde klachten argumenten aan die voor een andere uitkomst werkelijk steun kunnen bieden. Deze klachten blijven telkens steken in de (enkele) bewering dat het hof zich aan letterlijke/taalkundige (en voorbehoudsloze) uitleg schuldig zou hebben gemaakt; maar die loutere bewering kan niet opleveren dat 's hofs uitleg rechtens onjuist of onbegrijpelijk zou zijn.

36. Een volgend thema uit de klachten van het middel is volgens mij, dat het hof voorbij zou zijn gegaan aan door AGA aangewezen gedeelten uit de beschrijving van het octrooi die wél een basis voor een ruimere uitleg zouden opleveren, althans dat het hof is tekortgeschoten in de motivering waarmee deze stellingen van AGA zijn beoordeeld(36).

Voor de beoordeling van deze klacht loop ik de passages na waarop in dit verband een beroep wordt gedaan(37):

- CvA alinea 30: deze alinea verdedigt de inventiviteit van de geoctrooieerde materie. Zij verwijst niet naar bepaalde gedeelten uit het octrooischrift, zodat het hof niet valt te verwijten dat daarop niet is ingegaan.

- CvA alinea's 69 - 82: hier wordt uitvoerig verdedigd dat het octrooi het ruimere "wezen" zou uitwijzen, dat AGA's standpunt ondersteunde. Er wordt hier slechts naar drie plaatsen uit het octrooischrift verwezen, namelijk alinea's 0024, 0025 en 0027. De eerstgenoemde twee alinea's houden zich bezig met details van het fabricageproces, en noemen de toepassing van klemmen in dat verband. Het is bepaald niet onbegrijpelijk dat het hof het over deze alinea's aangevoerde niet als overtuigend heeft aangemerkt, en dat behoefde niet expliciet in de motivering te worden verantwoord. Over het beroep van AGA op alinea 0027 heeft het hof in rov. 11.7 en 11.8 een ampel gemotiveerd oordeel gegeven (dat afzonderlijk wordt bestreden, zie alinea's 54 - 58 hierna). Het verwijt dat het hof onvoldoende is ingegaan op door AGA aangewezen passages uit het octrooi die AGA's standpunt ondersteunen, is wat de hier aangehaalde vindplaatsen betreft dus ongegrond.

- In de verder uit de CvA aangehaalde plaatsen heb ik geen verwijzingen naar relevante gegevens uit het octrooi aangetroffen. Daar hoefde het hof, wat deze plaatsen betreft, dus niet op in te gaan.

- Pleitaantekeningen 1e aanleg, alinea's 121 - 122 en 131 - 142: hier wordt opnieuw naar alinea 0025 uit het octrooi verwezen, en wordt een passage uit alinea 0026 aangehaald waarin de mogelijkheid van bijeenhouden van de uiteinden van de inrichting door (onder andere) lassen wordt beschreven. (Ook) hier gaat het om details uit het fabricageprocedé dat het octrooi beschrijft. Het is goed te begrijpen dat het hof niet heeft willen aannemen dat de vakman deze passages zou opvatten als aanwijzingen voor een (aanmerkelijk) ruimere strekking van de in de conclusie omschreven uitvinding. Daarvoor was geen expliciet gemotiveerde overweging vereist. Voor het verwijt dat het hof onvoldoende is ingegaan op namens AGA aangehaalde plaatsen uit de beschrijving in het octrooi, bieden ook deze verwijzingen geen steun.

- MvG alinea's 70 - 103; hier wordt weer, in alinea's 75 - 78, verwezen naar alinea's 0024 - 0026 uit het octrooischrift, en in alinea's 94 - 97 naar alinea 0027 uit het octrooischrift - zie het 2e - 4e "gedachtestreepje" hiervóór. Volledigheidshalve merk ik op dat er ook verschillende malen - namelijk in alinea's 79 en 86 - wordt verwezen naar overwegingen van het Oberlandesgericht in de "parallel-procedure", en dat die overwegingen de alinea's 0028, 0030 en 0032 van het octrooi noemen. Ook als ik, meebuigend met het betoog van het middel, dit opvat als een namens AGA gedaan beroep op de desbetreffende passages uit het octrooi, geldt nog dat het hof niet kan worden verweten, hier onvoldoende op te zijn ingegaan. Van de kant van AGA is namelijk niet aangegeven (en ook in de aangehaalde gedeelten van de Duitse beslissing wordt niet verduidelijkt) in welk opzicht deze alinea's uit het octrooi kunnen bijdragen aan de gedachte dat voorzieningen die niet aan beide zijden met een klem zijn uitgerust, onder het bereik van de in het octrooi beschreven uitvinding zouden vallen. Zelf heb ik bij lezing van deze alinea's geen relevante steun voor die gedachte kunnen vinden. Al daarom valt het het hof niet te verwijten dat het ook deze alinea's niet expliciet in zijn motivering heeft betrokken.

- Pleitnota hoger beroep, alinea's 104 - 135 en 161 - 162. Hier geldt hetzelfde: er wordt in alinea's 114 e.v. verwezen naar de alinea's 0024 - 0027 van het octrooi. Deze zijn, anders dan het middel stelt, door het hof niet onvoldoende in zijn beoordeling en motivering betrokken. Er wordt ook terloops naar alinea 0041 van het octrooi verwezen; deze voegt echter niet iets wezenlijks toe. Alinea 123 van de pleitnota vermeldt alinea's 0060 en 0061 uit het octrooi. Ook deze summiere verwijzingen zijn niet van dien aard dat het hof valt te verwijten dat daaraan niet méér aandacht is besteed (aan de alinea's 0060 en 0061 wijdt het hof overigens in rov. 11.9 - 1.11 wél expliciet aandacht). Alinea's 161 - 162 van de pleitnota gaan niet over de uitleg in het licht van de beschrijving (maar over equivalentie).

Zo kom ik ertoe, het verwijt dat het hof te gemakkelijk voorbij is gegaan aan namens AGA aangewezen plaatsen uit de beschrijving van het octrooi, over de hele linie als ongegrond te beoordelen.

37. Dat bevestigt mij dan meteen in het oordeel waarop ik in alinea 29 hiervóór al vooruitliep: het octrooi bevat (als wij afgaan op de gedeelten die namens AGA zijn benadrukt) niet zodanige aanknopingspunten voor een beduidend ruimere uitleg dan de door het hof juist bevonden uitleg, dat het niet goed valt te begrijpen dat het hof die aanknopingspunten als onvoldoende heeft beoordeeld.

Daarmee is dan tevens weerlegd de op verschillende plaatsen in het middel naar voren komende klacht(38) die ertoe strekt dat het hof in rov. 11.5 ten onrechte zou hebben geoordeeld dat er zeer duidelijke aanwijzingen voor een ruimere interpretatie te vinden moesten zijn, wilde het gerechtvaardigd zijn om tot die ruimere interpretatie te besluiten. Wanneer men, zoals ik doe, de beslissing van het hof zo begrijpt dat de octrooitekst (conclusies, gelezen in het licht van beschrijving en tekeningen) niet méér aan de vakman openbaart dan de uitvinding, overeenkomend met de in conclusie 1 omschreven maatregelen, is volkomen begrijpelijk dat men tot uitgangspunt neemt dat er overtuigende aanwijzingen aan te wijzen moeten zijn, wil een veel ruimere uitleg in aanmerking komen. "Het staat er niet, en vage vingerwijzingen die suggesties voor een andere uitleg inhouden zijn onvoldoende om anders te besluiten" - zo zou men dit oordeel van het hof kunnen parafraseren. Daar is rechtens noch qua begrijpelijkheid iets op aan te merken.

Het octrooiverleningsdossier en de uitleg van het octrooi

38. Op een volgend thema klaagt het middel, in subalinea's 1.2.3 en 2.4 - 2.4.1, over het ten onrechte betrekken van de verleningsgeschiedenis van het octrooi bij het centraal staande uitlegprobleem.

De hierop gerichte klachten gaan er weer van uit dat hier sprake zou zijn van een octrooi waaraan een ruimere uitvindingsgedachte ten grondslag ligt, dan met de elementen uit tekst van de octrooiconclusies spoort; en dat in dat verband van betekenis is of de octrooihouder in de loop van de verleningsgeschiedenis afstand heeft gedaan van de ruimere bescherming waarop hij in beginsel aanspraak zou kunnen maken, dan wel of de octrooihouder de aanvankelijk geclaimde bescherming heeft verruimd (wat niet is toegestaan, zie bijvoorbeeld art. 138 lid 1 onder d EOV). Zoals eerder al ter sprake kwam, is in deze zaak geen van deze beide gevallen aan de orde. Het hof heeft het octrooi zo uitgelegd, dat dat de vakman niet méér leert dan een uitvinding die de in de conclusies beschreven maatregelen omvat.

39. Wanneer de rechter een octrooi zo uitlegt en vervolgens de door hem gevonden uitleg toetst aan wat er uit de verleningsgeschiedenis van het octrooi blijkt, zal zich gewoonlijk niet voordoen dat die verleningsgeschiedenis het beeld oproept, dat door de octrooihouder van enig deel van de aan deze toekomende bescherming afstand is gedaan (het theoretische "spiegelbeeld" van uitbreiding van de "geclaimde" materie is in dit geval ook weinig voor de hand liggend). Maar wat in die situatie heel goed kan, is dat de rechter bevindt dat de verleningsgeschiedenis niet (of misschien juist wel) in tegenspraak is met de uitleg die de octrooitekst aanwijst (en dat daarin misschien aanleiding kan worden gevonden om de aan de hand van de tekst gevonden uitleg "bij te stellen").

Anders dan de hier besproken klachten verdedigen, wijst niets er op dat een toetsing, ten overvloede, aan de verleningsgeschiedenis van een octrooi met het oog op de zojuist als voorbeeld genoemde bevindingen niet geoorloofd zou zijn(39). Namens AGA wordt verdedigd dat dat alleen in aanmerking zou komen als onderzocht moet worden of de octrooihouder van beschikbare bescherming afstand heeft gedaan (of de omvang van de geclaimde materie heeft uitgebreid), maar voor de beperkingen die het middel hier suggereert, ontbreekt volgens mij iedere aannemelijke steun.

40. Het middel zoekt hier kennelijk aansluiting bij de formulering van HR 22 december 2006, NJ 2008, 538 m.nt. Gielen, rov. 3.5.2 en 3.5.3, - maar wat mij betreft tevergeefs. In die zaak voerde de wederpartij van de octrooihouder aan dat het octrooi in de loop van het verleningsproces was uitgebreid tot aanvankelijk niet geclaimde materie. De Hoge Raad overwoog dat, als het om het te hulp roepen van het verleningsdossier gaat, dat geval op dezelfde voet beoordeeld moet worden als een eerder door de Hoge Raad in een overweging aangewezen geval, namelijk dat waarin de octrooihouder blijkens de verleningsgeschiedenis afstand van enig deel van de hem toekomende bescherming heeft gedaan.

41. De klachten van het middel "jump to the conclusion" dat hiermee de enige twee gevallen worden geïdentificeerd waarin het verleningsdossier bij de uitleg van een octrooi in het nadeel van de octrooihouder zou mogen worden gebruikt; maar ik kan voor die gedachte geen andere basis ontwaren, dan dat het AGA in deze zaak goed van pas zou komen wanneer het zo zou zijn. Dat is, naar zich opdringt, geen deugdelijke basis.

Het in de rechtspraak van de Hoge Raad aanvaarde(40) gegeven dat de verleningsgeschiedenis van een octrooi - zij het slechts met terughoudendheid - ook gebruikt mag worden voor uitleg van het octrooi in het voordeel van de octrooihouder, wijst wat mij betreft overtuigend uit dat de door het middel verdedigde leer niet kan worden aanvaard. Ik vind volstrekt onaannemelijk dat de verleningsgeschiedenis - zij het met gepaste terughoudendheid - wel in het voordeel van de octrooihouder zou mogen dienen, maar in het nadeel van de octrooihouder alleen in twee gevallen die voor de praktijk van vrij beperkte betekenis zijn (afstand van bescherming en uitbreiding van de geclaimde materie zijn beide vrij uitzonderlijke verschijnselen, zodat de wederpartij van een octrooihouder maar bij uitzondering baat mag verwachten van een beroep op die gegevens).

42. Ook de overwegingen uit het arrest van 22 december 2006 die ik in alinea 40 aanhaalde wijzen, ten opzichte van wat het middel hier verdedigt, in de tegengestelde richting. De Hoge Raad overweegt dat het gerechtvaardigde belang van derden bij rechtszekerheid grenzen stelt aan de mate waarin in het voordeel van de octrooihouder op buiten het octrooi zelf gelegen bronnen van uitleg, zoals het verleningsdossier, een beroep mag worden gedaan; en vervolgt dan met de constatering dat hetzelfde niet geldt voor toepassing van het verleningsdossier in het nadeel van de octrooihouder.

Dit "koppel" van gedachten is niet te rijmen met een beperking van de ruimte voor een beroep op het verleningsdossier in het nadeel van de octrooihouder, zoals het middel die voorstaat - zo'n beperking zou recht tegen de teneur van deze overwegingen ingaan.

43. Ik heb bij de bespreking van de onderhavige klachten de redenen voorop willen stellen, waarom die klachten op inhoudelijke gronden moeten worden afgewezen. Niet onvermeld mag intussen blijven dat deze klachten ook daarom geen succes kunnen hebben, omdat zij gericht zijn tegen beschouwingen die het hof expliciet als ten overvloede gegeven bestempelt.

Equivalentie

44. Het laatste thema uit het middel betreft het oordeel van het hof over AGA's beroep op equivalentie.

Equivalentie is een enigszins hybride figuur, zoals men al kan vermoeden bij kennisneming van het feit dat het in alinea's 15 en 16 hiervóór genoemde Protocol de rechter voorschrijft dat deze bij de uitleg van octrooien met equivalenten rekening moet houden.

De tweeslachtigheid van het gegeven zit hem hierin dat men ófwel octrooien met een zekere mate van beperking moet uitleggen, maar dan ruimte laten voor uitbreiding van de beschermingsomvang tot equivalenten die niet onder de gevonden uitleg vallen maar wél voor bescherming in aanmerking moeten komen, ofwel de bedoelde equivalenten bij de uitleg "in aanmerking moet nemen" zodat die uitleg dergelijke equivalenten insluit. Ieder van die twee wegen leidt tot aanvaardbare uitkomsten, maar beide tegelijk toepassen doet dat niet.

45. Dit zo zijnde, is te begrijpen waarom in de Engelse rechtsleer wordt bestreden dat er zoiets als een "doctrine of equivalents" zou bestaan(41): men kiest, inmiddels met rugge(n)steun van de regel uit het Protocol, voor de methode van enigszins verruimde uitleg, zodat equivalenten daaronder vallen, en verzet zich dan logischerwijs tegen een los hiervan te erkennen equivalentieleer die een andere, nog ruimere groep equivalenten zou omvatten.

De Duitse rechtsleer vertoont niet precies hetzelfde beeld, hoewel ook in de recente Duitse rechtspraak ernaar lijkt te worden gestreefd, equivalentie vooral tot haar recht te laten komen langs de weg van (verruimde) uitleg van het octrooi, en (dus) niet door uitbreiding van de bescherming buiten het bereik van het octrooi zoals het werd uitgelegd(42).

46. In de Nederlandse rechtsleer is, voor zover mij bekend, geen principiële keuze gemaakt voor de ene of de andere benadering. Ook zonderdien kan echter worden vastgesteld dat wanneer de rechter bij de uitleg van een octrooi gevolg gegeven heeft aan de regel van het Protocol (en zich dus bij zijn uitleg van de ruimte voor equivalentie rekenschap heeft gegeven), er logischerwijs nog maar een beperkte ruimte kan bestaan voor het binnen de octrooibescherming brengen van equivalenten, als die bij de uitleg "buiten de boot zijn gevallen".

47. Met deze gegevens voor ogen is te billijken dat de rechter terughoudend toepassing geeft aan equivalentie als het gaat om gegevens die niet bestreken worden door het octrooi zoals dat, overeenkomstig de voorschriften van het Protocol, door dezelfde rechter is uitgelegd. Het is weliswaar op plausibele gronden te verdedigen dat er dan nog ruimte voor een zelfstandige toets aan equivalentie is, maar het is tegelijk duidelijk dat het daarbij om vrij uitzonderlijke gevallen moet gaan, en dat een beroep op de hier voor mogelijk gehouden marge dus maar betrekkelijk zelden zal kunnen slagen.

48. In het debat ten overstaan van het hof zijn geen beschouwingen op het zojuist door mij besproken stramien aangevoerd. Het hof heeft, zo bezien: begrijpelijkerwijs, "slechts" onderzocht of in dit geval werd voldaan aan een vrij algemeen aanvaard (en door het middel als zodanig ook niet bestreden) criterium voor beoordeling van equivalentie(43). Dat is het criterium dat het als equivalent verdedigde gegeven wezenlijk dezelfde functie moet hebben als de maatregel uit het octrooi waaraan dat gegeven equivalent zou zijn, en dat het die functie op wezenlijk dezelfde wijze en met een wezenlijk overeenkomstig resultaat moet vervullen.

Het hof oordeelt in rov. 13.2 dat de afsluitende werking aan de uiteinden van afsluiters van Occlutech waar zich géén klem bevindt, op wezenlijk andere wijze tot stand wordt gebracht dan de door het octrooi beschermde voorzieningen laten zien. Daarmee oordeelt het hof dus dat aan tenminste één van de voor de equivalentietoets aangelegde criteria niet wordt voldaan(44).

49. Het middel voert tegen deze beoordeling in de subalinea's 1.3.1 - 1.3.3 klachten aan (de inleidende paragraaf 1.3 bevat geen uitgewerkte klacht).

De klacht uit subalinea 1.3.1 strekt er, als ik die goed lees, toe dat het hof nader, in de motivering, had moeten verantwoorden waarom (het tot het oordeel kwam dat) de in de inrichtingen van Occlutech toegepaste middelen een wezenlijk andere wijze van implementatie van de relevante functie en het daarmee beoogde resultaat opleveren.

50. Daarmee stelt AGA te hoge eisen aan de motivering van een rechterlijk oordeel.

Gegeven dat, naar de in cassatie tevergeefs bestreden uitleg die het hof aan het octrooi heeft gegeven, voor de door het octrooi beschermde inrichting wezenlijk ("essentieel") is dat afsluiting met klemmen aan beide uiteinden wordt bewerkstelligd, behoeft geen nadere toelichting dat een inrichting die aan één zijde in het geheel geen klem uitwijst, ook al zou die inrichting dezelfde functie als door het octrooi beoogd, met hetzelfde resultaat bewerkstelligen, een andere wijze van realisatie aan de dag legt dan de door het octrooi aangewezene. Dat niet onder ogen zou zijn gezien dat het hier om een "andere" maatregel moet gaan (zoals dit onderdeel van het middel mede betoogt) lijkt mij daarom niet vol te houden.

51. Het oordeel dat de desbetreffende maatregel niet wezenlijk dezelfde wijze van realisatie van de beoogde functie oplevert als de door het octrooi geopenbaarde maatregel, hoeft de rechter, in tegenstelling tot wat subalinea 1.3.1 van het middel stelt, niet te "verantwoorden". In het licht van de (enigszins) beperkte uitleg die het hof aan het octrooi heeft gegeven en van de in alinea's 44 - 47 hiervóór gemaakte opmerkingen, is het oordeel waartoe het hof is gekomen ook zonder nadere motivering als begrijpelijk aan te merken. Dat wordt ook niet anders doordat het hof niet heeft gemotiveerd waarom de vakman bij kennisneming van de beschrijving niet zal aannemen dat de met elkaar te vergelijken maatregelen gelijkwaardig zijn: nu het hof zelf oordeelt dat die maatregelen niet als "wezenlijk dezelfde wijze" kunnen gelden, spreekt voor zich dat naar het oordeel van het hof, de vakman er net zo over zal denken.

Deze subalinea houdt ook nog de suggestie in dat het hof eraan voorbij zou hebben gezien dat de vraag of een maatregel iets oplost op (wezenlijk) dezelfde wijze als een andere maatregel, niet kan worden beoordeeld zonder de functie en het resultaat van de desbetreffende maatregelen daarbij te betrekken. Het lijkt mij echter niet aan redelijke twijfel onderhevig dat het hof dat wél onder ogen heeft gezien (al staat dat misschien niet expliciet in het bestreden arrest).

52. Naar ik meen, stelt subalinea 1.3.2 op dezelfde voet overtrokken eisen aan de motivering van een oordeel als het onderhavige. De hier vertolkte klacht dat niet zou blijken dat het hof de uitvindingsgedachte in zijn beoordeling heeft betrokken, miskent dat het hof zijn oordeel - klaarblijkelijk - heeft gevormd in het verlengde van de door hem aan het octrooi gegeven uitleg; en dat daarin een (beperkte) opvatting over de door het octrooi aan het licht gebrachte uitvindingsgedachte besloten ligt, zie alinea's 29 en 30 hiervóór.

Aan het slot van deze subalinea wordt gesuggereerd dat het feit dat een maatregel zich niet functioneel van een andere maatregel onderscheidt, zou impliceren dat geen sprake is van een wezenlijk andere wijze van vervulling van de desbetreffende functie. De onjuistheid van die gedachte behoeft volgens mij geen nadere uitleg(45).

Subalinea 1.3.3 bevat geen argumenten die, na de al besprokene, nog nadere bespreking behoeven.

53. Tenslotte: in het principale middel tref ik verspreid nog een aantal argumenten aan die in de voorafgaande alinea's niet aan de orde kwamen. Ik bespreek die argumenten hieronder:

a) In subalinea's 2.1.1 en 2.1.2 wordt geklaagd dat onbegrijpelijk zou zijn dat het hof conclusie 1 zo heeft uitgelegd dat ook bij een inrichting waarbij de draadeinden (slechts) aan één uiteinde van de inrichting bijeen worden gebracht, verwezenlijking van de uit het octrooi blijkende uitvindingsgedachte toepassing van twee klemmen vergt.

Die klacht lijkt mij ongegrond, in de eerste plaats omdat, in de kennelijke zienswijze van het hof, het octrooi de vakman geen informatie verschaft over de mogelijkheid dat slechts aan één uiteinde van de inrichting draaduiteinden voorkomen. Een tekst die die mogelijkheid niet behandelt, maakt de vakman allicht niet noodzakelijkerwijs duidelijk welke consequenties er met deze mogelijkheid gepaard (kunnen) gaan.

Bovendien is de functie van de twee klemmen aan de uiteinden van de inrichting volgens het octrooi, in de zienswijze van het hof kennelijk niet beperkt tot het voorkomen van "ontrafeling" van de uiteinden van de draden(46), maar omvat die functie ook de verkrijging van de beoogde haltervorm van de inrichting en de verkrijging van de betrouwbare afsluitende werking waarnaar rov. 11.4 verwijst. Het valt te begrijpen dat het hof ook daaraan betekenis heeft toegekend.

Aan de argumenten die het middel (ook op deze plaatsen) ontleent aan de in Duitsland in appel gegeven beslissing kan, denk ik, nu die beslissing in hogere instantie werd vernietigd (en wel specifiek op de punten waaraan het middel argumenten wil ontlenen), zonder nadere bespreking voorbij worden gegaan.

b) Subalinea 2.2.2 betoogt dat, wil de rechter een element uit een octrooiconclusie als essentieel kunnen aanmerken, er duidelijke indicatoren in de beschrijving moeten zijn die buiten twijfel stellen dat alleen de maatregel die de rechter als essentieel kwalificeert, daadwerkelijk door het octrooi wordt beoogd.

Hier lijkt mij sprake van een misverstand. Een octrooi strekt zich gewoonlijk niet uit tot maatregelen die de vakman daaruit niet kan opmaken (met dien verstande dat soms verruimende uitleg of toepassing van de equivalentieleer wél tot dat resultaat kan leiden). Ten aanzien van maatregelen die het octrooi de vakman niet leert, wordt vanzelfsprekend in een octrooitekst (vrijwel) nooit aangegeven of die wel of niet door het octrooi worden beoogd. Duidelijke indicatoren daarvoor treft men dus ook niet aan. Het stellen van de eis die het middel hier suggereert, zou het hier aangegeven uitgangspunt - wat het octrooi niet leert, is niet beschermd - effectief "onderuit halen".

c) Subalinea 2.4.2 verwijt het hof, bij de beoordeling van Occlutechs beroep op het verleningsdossier buiten het kader van de rechtsstrijd te zijn getreden of niet door Occlutech aangevoerde feitelijke argumenten te hebben bijgebracht. Dit argument stuit af op het in alinea 43 hiervóór opgemerkte. Daarnaast geldt dat wanneer aan de rechter wordt voorgehouden dat stukken uit het verleningsdossier (dat daarbij ook inclusief de desbetreffende stukken wordt overgelegd) argumenten opleveren tegen een door de octrooihouder verdedigde ruimte uitleg van het octrooi, de rechter een aanzienlijke vrijheid geniet bij zijn benadering van de hem ter beoordeling voorgelegde uitleg en bij het waarderen van de betekenis die daarbij aan de door partijen ingebrachte stukken toekomt. Hier geldt wat ook voor de uitleg van overeenkomsten en daarmee vergelijkbare rechtsfeiten geldt: de rechter is in ruime mate vrij bij de uitleg waar hij voor kiest, en is daarbij niet gebonden aan de door de partijen voor hun standpunten aangevoerde argumenten(47). En last but not least: in de stellingen die Occlutech in de eerste aanleg had betrokken (waarnaar het hof hier verwijst) kon het hof zeer wel een beroep "inlezen" op de gegevens die het hier bij zijn beoordeling heeft betrokken(48).

54. De subalinea's 2.3.2 - 2.3.2.4 bestrijden de wijze waarop het hof een oordeel heeft gegeven over één alinea - alinea 0027 - uit het octrooischrift.

Deze alinea uit het octrooischrift speelt een belangrijke rol in deze zaak, omdat AGA vooral aan het in die alinea gestelde de conclusie verbond, dat het octrooi voor de vakman ook inrichtingen zou openbaren met slechts aan één kant een klem. Dat verklaart waarom het hof verhoudingsgewijs veel aandacht aan deze alinea uit het octrooischrift heeft besteed; en dat rechtvaardigt ook een afzonderlijke bespreking van de hierop gerichte klachten in deze conclusie.

55. De overwegingen van het hof, te vinden in rov. 11.7, 11.8 en 12.4.2, strekken ertoe dat wat er in alinea 0027 van het octrooi wordt beschreven voor de vakman geen begrijpelijke aanwijzing inhoudt dat een met één klem uitgeruste voorziening zoals overigens in het octrooi beschermd, kan worden verkregen.

De hierop gerichte overwegingen van het hof lijken mij duidelijk en begrijpelijk. Ik vat ze aldus samen (met enige door mij aangebrachte toelichting):

a) Alinea 0027 geeft aan dat een "inverted upon itself" (in de Nederlandse vertaling weergegeven als: "op zichzelf worden teruggevouwen", p. 10 r. 26 van de vertaling) toepassing van de uitvinding met gebruikmaking van meer conventioneel "haaks" geweven materiaal mogelijk is. In rov. 11.8, nader ondersteund door de beschouwingen uit rov. 12.4.2, aanvaardt het hof een door Occlutech verdedigde stelling, te weten: dat het hier gestelde geen voor de vakman begrijpelijk samenstel van maatregelen oplevert. Kennelijk vindt het hof hiervoor steun in de van de kant van Occlutech ingebrachte verklaringen van prof. Rettenmayr, waar rov. 11.8 naar verwijst. Wat in die verklaringen staat kan er inderdaad toe bijdragen dat men tot het hier door mij geparafraseerde oordeel van het hof komt. Tot dat oordeel kan ook bijdragen bij de vaststelling van het hof in rov. 12.4.2: uit het verleningsdossier blijkt dat alinea 0027 in de oorspronkelijke octrooiaanvrage betrekking had op een wezenlijk andere inrichting dan de in conclusie 1 van het octrooi aangeduide inrichting, terwijl AGA de inrichting waarvoor alinea 0027 bestemd was met het oog op bezwaren van de Examiner uit de octrooiaanvrage heeft geschrapt (wat, vanuit dat gezichtpunt bezien, ook met alinea 0027 had moeten gebeuren).

b) Ervan uitgaand dat alinea 0027 geen voor de vakman verstaanbare leer inhoudt (wat door het in rov. 12.4.2 overwogene eens te meer aannemelijk wordt gemaakt), is ook te begrijpen dat het hof niet heeft willen aanvaarden dat die alinea ertoe zou bijdragen dat (nu juist dat deel van) het octrooi de vakman leert dat de daarin beoogde uitvinding ook met één klem kan worden verwezenlijkt.

56. De in het middel hiertegen in stelling gebrachte argumenten lijken mij niet doeltreffend.

Om te beginnen: subalinea 2.3.2 houdt geen inhoudelijk bezwaar tegen het bestreden oordeel in.

Subalinea's 2.3.2.1 en 2.3.2.2 strekken er vooral toe dat het hof niet, zonder nadere motivering, in zijn oordeel had mogen betrekken dat er relevant verschil is tussen het als "braided" aangeduide materiaal uit conclusies 1 en 16 van het octrooi, en het meer conventionele, rechthoekig gewoven materiaal waar alinea 0027 van het octrooi naar verwijst. Mij lijkt echter alleszins begrijpelijk dat het hof dit in zijn oordeel heeft betrokken (en aannemelijk heeft geacht). Zonder véél nadere toelichting, die het octrooi niet verschaft, kan men immers niet begrijpen hoe rechthoekig gewoven materiaal zou kunnen worden vervormd op de voor de beschreven uitvinding essentiële manier. Materiaal met haaks aangebrachte dwarsdraden leent zich niet voor de vervorming die nodig is om een inrichting volgens het octrooi te verkrijgen, terwijl dat met "braided" materiaal zoals dat in het octrooi wordt beschreven, wel mogelijk is(49).

57. Subalinea 2.3.2.3 klaagt over de in rov. 11.7 voorkomende verwijzing naar mogelijke onduidelijkheid en naar "iets vreemds". Als men deze overweging leest in verband met rov. 11.8, is die echter alleszins begrijpelijk: de mogelijkheid waarop de in rov. 11.7 gebruikte aanduidingen zinspelen, wordt in rov. 11.8 onderzocht. Daar stelt het hof - gemotiveerd - vast dat het niet slechts mogelijk is dat de vakman uit alinea 0027 uit het octrooi geen bruikbare leer kan opmaken, maar dat die mogelijkheid ook werkelijk aan de orde is. Rov. 11.7 preludeert met de gewraakte bevindingen dus op het onderzoek dat het hof in de volgende rov. zal uitvoeren.

Subalinea 2.4.2 (gericht tegen de al genoemde rov. 12.4.2) miskent dat de uitleg die de rechter aan een bepaalde tekst toekent, niet logisch onontkoombaar hoeft te zijn. Dat een bepaalde uitleg niet logisch noodzakelijkerwijs aan bepaalde tekst moet worden gegeven, betekent dus niet dat het oordeel waarbij die uitleg wordt aanvaard, onvoldoende begrijpelijk zou zijn.

Voor zover de onderhavige subalinea ook zou beogen te stellen dat de daardoor bestreden uitleg in het licht van de tekst die daarbij aan de orde was, logisch onvoldoende houdbaar zou zijn, is ook die klacht ondeugdelijk. De hier door het hof gekozen uitleg is alleszins plausibel, ook al is die niet de enig logisch verdedigbare.

De misvatting waarop subalinea 2.3.2.4 berust, heb ik al in alinea's 38 - 42 hiervóór besproken.

58. Subalinea 2.3.3 van het middel verdedigt dat niet-nawerkbaarheid van in een octrooi beschreven materie (in dit geval: het niet-navolgbaar zijn van de leer uit alinea 0027 van het octrooi) geen rol zou mogen spelen bij de uitleg van het octrooi - dit argument zou slechts aan een vordering tot nietigverklaring ten grondslag mogen worden gelegd.

Ook voor deze stelling kan ik geen bruikbare steun zien. Die stelling wordt in deze zaak gepresenteerd met betrekking tot een passage in een octrooi die, zoals het hof die heeft gelezen, niet rechtsreeks betrokken was op de door het octrooi beschermde materie (maar betrekking had op een inrichting die uit de oorspronkelijke octrooiaanvrage was verwijderd). Het zou vergaand ongerijmd zijn wanneer de octrooihouder zulke tekst wél ter verdediging van de door hem gewenste uitleg van het octrooi zou mogen aanvoeren (zoals AGA in ruime mate heeft gedaan), maar aan haar wederpartij zou mogen tegenwerpen dat die geen beroep op de onduidelijkheid van de desbetreffende tekst mag doen, dan bij wege van vordering tot nietigverklaring van het octrooi. Dat dringt zich in extra sterke mate op als het gaat om een tekstgedeelte uit het octrooi dat niet rechtstreeks op de door het octrooi beschermde materie ziet, zodat moeilijk valt in te zien hoe nietigverklaring daarvan aan de orde zou kunnen komen.

59. Hoe dit zij: het lijkt mij evident dat een betoog van de octrooihouder dat ertoe strekt dat een bepaald tekstgedeelte uit het octrooischrift de vakman relevante inzichten bijbrengt die een ruimere uitleg van het octrooi rechtvaardigen, mag worden weersproken op de grond dat de tekst in kwestie onduidelijk is (en om die reden "niet-nawerkbaar" is); zodat die tekst de vakman niet datgene kan leren wat de octrooihouder daarvan beweert.

60. Ik meen daarmee alle argumenten die - verspreid - in het principale cassatiemiddel zijn aan te treffen, te hebben besproken. Geen van die argumenten heb ik als gegrond beoordeeld, wat allicht betekent dat ik tot verwerping zal concluderen.

Bespreking van het incidentele cassatiemiddel

61. De uitkomst die ik zojuist heb verdedigd zou betekenen dat het incidentele cassatiemiddel niet aan de orde komt. Ik zal het niettemin kort bespreken, omdat ik rekening moet houden met de mogelijkheid dat over het principale cassatieberoep anders moet worden geoordeeld.

Bij de bespreking van het incidentele middel ga ik dan vanzelfsprekend van de veronderstelling uit dat het principale middel in enig opzicht gegrond wordt bevonden; en dat ik er dus rekening mee moet houden dat de Hoge Raad over de beoordelingsparameters die ik bij mijn bespreking van het principale middel als juist heb aanbevolen, anders oordeelt.

62. Maar ook als ik deze veronderstelling voor ogen houd, beoordeel ik het incidentele middel als ongegrond.

Onderdeel 1 klaagt over het oordeel van het hof dat AGA's octrooi, hoewel de beschrijving slechts toepassing van het uitgevondene als "embolisatie-inrichting" behandelt, ook gelding heeft voor voorzieningen die andere toepassingen - namelijk: occlusie van het septum - beogen.

63. Dit oordeel berust mede (namelijk in de met "Bovendien" aanvangende passage in rov. 10.2) op de wijze waarop het hof verschillende verwijzingen, in het octrooi, naar gevarieerde en ruimere toepassingmogelijkheden van de geoctrooieerde inrichtingen heeft uitgelegd. Die uitleg geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting - wanneer de octrooitekst de lezer voldoende duidelijk maakt dat het octrooi een ruimere strekking heeft dan de in de uitvoeringsvoorbeelden beschreven toepassing(en) leren, ligt voor de hand het octrooi zo uit te leggen dat inderdaad ruimere toepassingsmogelijkheden (al-dan-niet met bepaalde begrenzingen) onder de beschermingsomvang begrepen zijn.

Voor het overige is deze uitleg, die het onderhavige oordeel zelfstandig draagt, aan het hof als feitenrechter voorbehouden.

64. Anders dan onderdeel 1.3 suggereert, was het hof hierbij niet gehouden om nader aan te geven waarom zijn uitleg voldoende recht deed aan het belang van rechtszekerheid voor derden of aan de uitlegfactor van aan de octrooihouder toe te rekenen onduidelijkheid. Het oordeel van het hof geeft er blijk van dat het de octrooitekst heeft beoordeeld als duidelijk genoeg om deze uitlegfactoren niet als beslissend in het nadeel van de octrooihouder te waarderen. Dit oordeel behoefde het hof niet expliciet te motiveren (nadere motivering dan de door mij zojuist neergeschrevene, laat zich overigens niet zo makkelijk denken).

65. Klachten die ertoe strekken dat het hof bij de hier bestreden uitleg onvoldoende gewicht aan de beschrijving uit het octrooi heeft gegeven, dan wel een louter taalkundige uitleg heeft gevolgd, zijn evenzeer ongegrond als de dienovereenkomstige verwijten uit het principale beroep, en om overeenkomstige redenen, zie alinea's 32 - 35 hiervóór. Ook als de Hoge Raad het principale beroep gegrond zou oordelen, valt niet in te zien dat dat een andere beoordeling van de onderhavige incidentele klacht(en) zou kunnen rechtvaardigen.

66. Onderdeel 2 van het incidentele middel is vooral gericht is tegen de verwerping, door het hof, van Occlutechs argumenten dat AGA's octrooi alleen zou zien op inrichtingen voor plaatsing in kanalen/vaten - als hoedanig openingen in het septum niet zouden mogen worden aangemerkt -; en dat het octrooi vooral zou voorzien in het probleem van het mogelijke kantelen van een embolie-inrichting in het vat waarin die inrichting geplaatst wordt. Voor deze argumenten geldt mutatis mutandis hetzelfde als hiervóór werd gezegd. Het hof heeft geoordeeld dat het octrooi voldoende aanwijzingen inhoudt om duidelijk te maken dat het ziet op inrichtingen voor een aanzienlijk aantal verschillende toepassingen. Daarmee heeft het hof (voldoende duidelijk) aangegeven dat het de onderhavige argumenten van Occlutech verwierp, en waarom het dat deed. Hierbij heeft het hof noch van een verkeerde rechtsopvatting blijk gegeven noch zijn motiveringsplicht verzaakt.

67. Onderdeel 3 van het incidentele middel stuit opnieuw af op de zojuist neergeschreven tegenwerpingen: het hof heeft, feitelijk en begrijpelijk, aanknopingspunten in de octrooitekst opgemerkt die wat het hier besproken punt betreft een ruime uitleg rechtvaardigen, waaronder ook begrepen de toepassing van de in het octrooi beschreven inrichtingen voor septum-afsluiting. De klachten betogen tevergeefs dat het hof dit oordeel nader had moeten motiveren; de motivering die aangeeft dat die berust op de verschillende tekstgedeelten uit het octrooi die op ruimere toepassingsmogelijkheden wijzen, maakt voldoende duidelijk wat het hof voor het onderhavige oordeel als doorslaggevend heeft aangemerkt. Het maakt ook, bij implicatie, duidelijk dat de argumenten die een andere uitkomst aandrongen, als onvoldoende zwaarwegend zijn beoordeeld.

Voor zover onderdeel 3 ook gericht is tegen de beschouwingen die het hof in rov. 10.2 heeft gewijd aan een daar aangehaalde overweging van de Grote Kamer van Beroep van het Europees Octrooibureau, faalt die klacht omdat het oordeel van het hof zelfstandig wordt gedragen door de ten overvloede gegeven overwegingen die onmiddellijk na de verwijzing naar de Grote Kamer van Beroep worden gegeven (en die hiervóór werden onderzocht).

68. Daarmee is gegeven dat ook alle argumenten uit het incidentele cassatieberoep ondeugdelijk zijn.

Kosten

69. Beide partijen hebben aanspraak gemaakt op een kostenveroordeling op de voet van art. 1019h Rv.

Namens Occlutech zijn kostenspecificaties(50) overgelegd, waartegen van de kant van AGA geen bezwaar is gemaakt. Ik zou denken dat bij beoordeling overeenkomstig het in deze conclusie verdedigde, Occlutech aanspraak mag maken op het bedrag dat zij terzake van de kosten in het principale cassatieberoep opvoert (te vermeerderen met griffierecht).

70. Namens AGA is eveneens een kostenspecificatie overgelegd. Tegen die kostenspecificatie wordt wél gemotiveerd bezwaar gemaakt.

Ik denk dat aan dat bezwaar tegemoet verdient te worden gekomen. De gespecificeerde kosten wekken inderdaad de indruk, gedeeltelijk onevenredig te zijn. Dat leid ik af uit de specificatie van gemaakte uren, uitkomend op ca. 380 uur (vergeleken met ca. 150 uur aan de kant van Occlutech); en daarin word ik enigszins gesterkt door de bedragen uit de landelijke richtlijn "Indicatietarieven in IE-zaken". Daarin wordt als "richtbedrag" voor een niet-eenvoudige "bodemprocedure" met repliek, dupliek en/of pleidooi een bedrag van € 25.000,- vermeld(51).

71. Ik denk dat aangewezen is dat de rechter in zo'n geval de redelijke schatting maakt die art. 6:97 BW hem, rechter, bij niet voor nauwkeurige vaststelling vatbare schade opdraagt(52).

Ervan uitgaande dat de werkzaamheden aan de kant van de eiser in cassatie omvangrijker plegen te zijn dan die aan de kant van de verweerder, en dat onbestreden is dat aan de kant van Occlutech zo'n 150 uren aan de zaak besteed zijn; en uitgaand van een benadering van het gemiddelde van de opgegeven uurtarieven aan de kant van AGA ad € 300,-, zou begroting van de kosten aan die zijde naar rato van een honorarium van (250u x € 300,- =) € 75.000,-, in aanmerking komen. Daarbij teken ik nog aan dat van de opgevoerde kantoorkosten, men zich kan afvragen of "vertaalkosten" redelijkerwijs mogen worden "doorbelast" aan de wederpartij. Ik zou denken van niet.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping van het principale cassatieberoep, met een beslissing omtrent de kosten zoals in alinea 69 hiervóór aangegeven.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De feiten vermeld in alinea's 1 t/m 7 ontleen ik aan rov. 2 t/m 5.4 van het in cassatie bestreden arrest.

2 Wat ingevolge art. 97 lid 3 van het Europees Octrooiverdrag (EOV) betekent dat het octrooi vanaf die datum van kracht is geworden.

De octrooiaanvraag die tot dit octrooi heeft geleid was in juni 1995 ingediend. De datum van publicatie, ruim tien jaar daarna, valt dan op als "later" dan men zou verwachten.

3 Ik denk dat hier een woord, bijvoorbeeld het woord "body" is weggevallen. De hierna te vermelden Nederlandse vertaling betrekt een ander uitgangspunt, door in plaats van "patient's" te lezen: "patient". Voor de beoordeling in cassatie doen deze opmerkingen overigens niet ter zake.

4 Ook hier is volgens mij een woord weggevallen, bijvoorbeeld het woord "is". De Nederlandse vertaling is kennelijk op dezelfde lezing gebaseerd.

5 Hier lijkt een woord als "in" of eventueel "to" te zijn weggevallen. Ook de Nederlandse vertaling gaat hiervan uit.

6 Ter nadere toelichting: het gaat om inrichtingen die ertoe dienen, openingen te dichten in het septum, d.i. de wand die de boezems en kamers van het hart van elkaar scheidt. (z.o.z.)

Naar AGA heeft gesteld, voorzien zulke inrichtingen in een zeer wezenlijke behoefte. Daardoor zou het mogelijk zijn (geworden) de bedoelde gebreken aan het septum - dat "hoort" namelijk normaliter geen openingen te vertonen - met een aanzienlijk minder ingrijpende en minder riskante behandeling dan voorheen, te verhelpen.

7 Het arrest van het hof is van 19 oktober 2010. De cassatiedagvaarding werd op 24 december 2010 uitgebracht.

8 De teksten van de beslissingen van de Engelse Court of Appeal en van het BGH (met een Engelse vertaling) zijn van de kant van Occlutech aan de schriftelijke toelichting gehecht.

9 Ofschoon de meeste andere teksten - ik denk dan bijvoorbeeld aan gedichten - ook beogen een bepaalde bedoeling tot uitdrukking te brengen, zijn bij de teksten van deze soort zowel het doel waarop de tekst gericht is als de middelen waarmee de opsteller zijn bedoeling verwoordt, wezenlijk anders dan bij juridische tekst. Stijlfiguren als de metafoor of de beeldende vergelijking, essentiële bouwstenen voor "literaire" tekst of propagandistische tekst, zal men in juridische teksten zelden of nooit zien. Die verdragen zich niet met het oogmerk van precieze verduidelijking en afbakening, dat bij zo veel juridische tekst voorop staat.

10 Soms heeft men ze wel degelijk onder ogen gezien, maar er welbewust van afgezien de tekst met het oog op het grensgeval aan te scherpen. In het kader van onderhandelingen komt het nogal eens voor dat controversiële materie in het midden wordt gelaten (een schoolvoorbeeld vormt de soms toegepaste formulering "n.o.t.k."). Dat vergemakkelijkt het bereiken van overeenstemming; en niet zelden is het wel verantwoord om erop te speculeren dat het geval dat men in het midden laat zich in de praktijk niet zal blijken voor te doen.

Af en toe ziet men dat ook een octrooitekst onder invloed van zulk "schipperen" tot stand komt.

11 "No doubt there will be patent lawyers who are dismayed at the notion that the Protocol questions do not provide an answer in every case. They may feel cast adrift on a sea of interpretative uncertainty. But that is the fate of all who have to understand what people mean by using language." (Lord Hoffmann in Kirin Amgen/Hoechst, zoals geciteerd in Terrell on the Law of Patents, 2011, p. 214).

12 Al wordt daar verschillend over gedacht, zie voetnoot 37.

13 Vragen van uitleg kunnen ook in ander verband rijzen, bijvoorbeeld als nietigverklaring van een octrooi wordt gevorderd. Ook dan zal het er echter meestal gaan om de vraag of het octrooi méér omvat dan onbevangen tekstuele uitleg van de conclusies doet vermoeden.

14 Die rechtsleer heeft zich overigens voor een groot deel gevormd in een tijd dat het Nederlandse octrooirecht belangrijke beperkingen aanlegde voor de vordering tot nietigverklaring van een octrooi; zodat het bijna altijd ging om zaken waarin alléén een vordering wegens inbreuk aan de orde was, gericht tegen een voorziening die niet aan de letter van het octrooi beantwoordde.

Dat een praktijk waarbij inbreuk en nietigheid meestal tegelijk aan de orde zijn, tot minder ruime uitleg aanleiding kan geven laat zich denken; zie bijvoorbeeld Terrell on the Law of Patents, 2011, nrs. 9-05 en 9-06.

15 In het Engelse appelvonnis in de parallelprocedure tussen de onderhavige partijen, overgelegd als bijlage 1a bij de schriftelijke toelichting namens Occlutech, wordt in rov. 23 - 25 een overzicht van de Engelse rechtsleer gegeven, zoals ontleend aan (andere) recente rechtspraak; zie ook Terrell on the Law of Patents, 2011, nrs. 9-19 - 9-77.

16 Ik heb de rechtspraak van het BGH geraadpleegd via de databank op de website van het BGH.

17 "Patentanspruch" is de Duitse term die met het Nederlandse begrip "(octrooi)conclusie" overeenstemt.

18 Zie bijvoorbeeld het commentaar in Van Nieuwenhoven Helbach c.s., Nederlands Handels- en Faillissementsrecht II, Industriële Eigendom en Mededingingsrecht, 1989, nrs. 332 - 344.

19 De als laatste genoemde zaak betrof niet een Europees octrooi maar een Nederlands ("vooronderzocht") octrooi. De voor de uitleg van zulke octrooien geldende regels stemmen echter, voor zover hier van belang, met die voor Europese octrooien overeen (de thans in het Protocol opgenomen verwijzing naar equivalenten is niet rechtstreeks op het toen beoordeelde octrooi van toepassing, maar er speelde in die zaak, als het om de uitleg van het octrooi ging, geen beroep op equivalentie).

Zie voor een breed gedocumenteerd commentaar op de recente rechtspraak van de Hoge Raad over (onder andere) de uitleg van octrooien, Brinkhof, BOE 2008, p. 112 e.v.

20 Min of meer aan deze beschrijving beantwoordt het geval dat in HR 2 november 2001, NJ 2001, 686 aan de orde was.

21 Waarbij volgens het middel een uitzondering mag worden aanvaard wanneer blijkt dat van de kant van de octrooiaanvrager welbewust en uitdrukkelijk afstand is gedaan van de bescherming die hem, aanvrager, naar het "wezen" van de in de aanvrage beschreven uitvinding zou toekomen.

22 De lezer zal in de door mij gegeven parafrase van het standpunt van AGA een leer herkennen die nauw bij de in alinea's 14 en 15 hiervóór aangeduide, "klassieke" Nederlandse leer betreffende de uitleg van octrooien aansluit; en die dus, zoals ik vervolgens heb besproken, ruimer is dan met de in art. 69 EOV neergelegde regel, en de inmiddels aan die regel in de praktijk gegeven uitleg, verenigbaar is.

23 O.a. HR 15 februari 2008, NJ 2008, 449, rov. 3.8.2; HR 7 september 2007, NJ 2007, 466, rov. 3.3; HR 31 oktober 2003, NJ 2006, 600, rov. 3.3.2.

Het trof mij dat in de rechtspraak van het BGH wordt aangenomen dat "die Auslegung des Patentanspruchs vom Revisionsgericht in vollem Umfang nachgeprüft werden kann." (BGH 13 februari 2007, nr. X ZR 74/05, rov. 18). In zoverre bestaat er dus tussen de Nederlandse en de Duitse "höchstrichterliche" praktijk een belangrijk verschil.

24 Ik lees dit in de subalinea's 1.2.1, 1.2.2, 1.3.1 (slot), 1.3.3, 2.1, 2.1.1, 2.2.3 en 2.3.1 van het middel. Subonderdeel 2.2.1, voor zover dat het oordeel dat de vakman het octrooi beperkter zal lezen dan namens AGA verdedigd als onbegrijpelijk kwalificeert, merk ik aan als variatie op dit thema.

25 Zoals het geval is bij de inrichtingen van Occlutech waartegen AGA is opgetreden.

26 Ik licht deze bevinding nader toe in alinea's 35 - 37 hierna.

27 Wat de vakman ook zou kunnen begrijpen als: het onwenselijk vrij van elkaar bewegen van de (doorlopende) losse draden die bij het eind van de inrichting bij elkaar komen.

28 AGA's stelling dat een vakman geredelijk zal begrijpen dat de in conclusie 1 opgenomen vermeldingen betreffende de klemmen aan de uiteinden van de inrichting ruimte laten voor toepassingen met één klem (even doordenkend komt men er overigens toe dat er ook een uitvoering mogelijk is waarbij de draden aan beide zijden gebogen zijn en "doorlopen", zodat men een constructie helemaal zonder klemmen verkrijgt), staat dan ook op enigszins gespannen voet met het feit dat de opsteller van AGA's octrooiaanvrage, ongetwijfeld in nauwe samenspraak met de uitvinder(s), klaarblijkelijk zelf niet tot dit inzicht is gekomen. Daarmee is nader geïllustreerd dat de door het hof gekozen uitleg niet zo ongerijmd is als het middel bepleit.

29 Ik verwijs bij wege van illustratie naar HR 15 februari 2008, NJ 2008, 449, rov. 3.8.2.

30 Dergelijke klacht(en) lees ik in alinea 6(2) van de cassatiedagvaarding en in subalinea's 1.1.2, 1.2. 1.2.1, 1.2.2, 1.3.2, 2.1, 2.2.1, 2.2.2 en 2.3 van het middel.

31 De uitvoerige motivering, in rov. 12.1 - 12.10, aan de hand van het verleningsdossier, gaat overigens wel expliciet in op aspecten als hier bedoeld.

32 Dit is een voor mij nieuwe, en tegelijk niet helemaal begrijpelijke, maar kennelijk als diskwalificerend bedoelde aanduiding.

33 Zie voor argumenten van deze strekking alinea 6 (1) van de cassatiedagvaarding, de Inleiding (onder Onderdeel 1) in alinea's I en II, en subalinea's 1.1, 1.1.1, 1.1.2, 1.2.2, 2.1 en 2.3 van het middel.

34 Zie bijvoorbeeld subonderdelen 1.1.1, 1.2, 1.2.1, 1.2.2.

35 (Ook) te raadplegen via de website van de European Patent Office.

36 Subalinea's 1.1.1, 1.1.2, 1.2.1 en 1.2.2 van het middel.

37 Ik heb daartoe de passages onderzocht die in de voetnoten 5 t/m 10 en 14 - 15 van de cassatiedagvaarding worden aangehaald. Soms is mij niet helemaal duidelijk geworden of alle aangehaalde passages wel ter ondersteuning van de onderhavige klacht(en) worden opgevoerd. Voor zover dat niet het geval zou zijn, kunnen die passages de onderhavige klachten natuurlijk (ook) niet ondersteunen.

38 Subalinea's 1.1.1 en 1.1.2

39 Het is misschien goed er op te wijzen dat ik op de voet van HR 22 december 2006, NJ 2008, 538 m.nt. Gielen, rov. 3.5.2 en 3.5.3 aanneem dat het in het algemeen toegestaan is, het verleningsdossier bij de uitleg van een octrooi (ook in het nadeel van de octrooihouder) toe te passen; mij er overigens wel van bewust dat, zoals ook uit de aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad blijkt, hierover in andere Europese landen bepaald anders wordt gedacht. Zie daarvoor bijvoorbeeld Terrell on the Law of Patents, 2011, nrs. 9-100 e.v.; Pagenberg in Pagenberg - Cornish (red.), Interpretation of Patents in Europe, 2006, p. 272 e.v.

40 Nogmaals HR 13 januari 1995, NJ 1995, 391 m.nt. DWFV, ditmaal rov. 3.4.1.

41 Terrell on the Law of Patents, 2011, p. 230.

42 Pagenberg in Pagenberg - Cornish (red.), Interpretation of Patents in Europe, 2006, p. 259 e.v.

43 Dat dan zowel toepassing vindt om aan equivalentie bij de uitleg van het octrooi recht te doen wedervaren, alsook bij onderzoek van de mogelijkheid van uitbreiding van de bescherming buiten het gebied dat door uitleg van het octrooi is vastgesteld. De in deze zaak aan het hof voorgelegde equivalentievraag strekt er echter, zoals ik die begrijp, toe dat, ook wanneer de beschermingsomvang van het octrooi naar de daaraan te geven uitleg niet zo ver zou reiken, de in de producten van Occlutech toegepaste maatregelen op grond van een "eigenstandig" equivalentieleerstuk onder de bescherming van het octrooi zouden moeten worden gebracht.

44 Het oordeel over de vraag of een bepaalde maatregel al-dan-niet equivalent is, is in hoge mate verweven met feitelijke waarderingen, HR 12 november 2004, NJ 2004, 674, rov. 3.12.

45 En toch: spijkeren en lijmen hebben vaak dezelfde functionaliteit, namelijk: bevestigen. "Dus" is volgens deze klacht spijkeren geen wezenlijk andere manier van bevestigen dan lijmen.

46 Zie overigens ook het in voetnoot 27 opgemerkte.

47 HR 22 januari 2010, RvdW 2010, 190, rechtspraak.nl BK4467, rov. 3.5.2; HR 9 mei 2008, RvdW 2008, 518, rov. 3.4.2.

48 Zie onder andere alinea's 23 - 29 van de inleidende dagvaarding. De van de kant van de Examiner aangevoerde bezwaren waarop in deze alinea's wordt gewezen, zijn inhoudelijk dezelfde die het hof in rov. 12.2 - 12.9 onderzoekt. Rov. 12.5 en 12.6 zoeken steun bij de documenten waarop in deze alinea's uit de dagvaarding van de kant van Occlutech de nadruk was gelegd.

49 Het "Gutachten" van prof. Rettenmayr van 8 augustus 2007 waar het hof naar verwijst (en dat het hof in rov. 11.8 klaarblijkelijk als deugdelijk beoordeelt), gaat hier uitvoerig op in.

50 De totaalbedragen waarop aanspraak wordt gemaakt zijn opgegeven in het aanvullend kostenoverzicht dat zich bij de op 8 juli 2011 ingediende schriftelijke dupliek (e.a.) bevindt.

51 De "Indicatietarieven" betreffen alleen de eerste aanleg, en zij vermelden dat zij in octrooizaken toepassing missen. Om beide redenen is rechtstreekse vergelijking met de in deze zaak gespecificeerde kosten niet aan de orde. Toch kan het zeer grote verschil tussen het als richtsnoer genoemde bedrag en het van de kant van AGA gespecificeerde bedrag (van bijna 150.000 €) ertoe bijdragen dat men het laatstgenoemde bedrag voor (deels) onevenredig houdt.

52 Ik ben mij ervan bewust dat art. 1019h Rv. de implementatie vormt van (een bepaling uit) Richtlijn 2004/48/EG (Pb. L 157, met een rectificatie in Pb L 195), zodat art. 6:97 BW niet rechtstreeks van toepassing is. Het dringt zich echter op dat bij niet voor nauwkeurige vaststelling vatbare vorderingen, schatting door de rechter de aangewezen "noodoplossing" is - welke andere oplossing zou er in aanmerking kunnen komen?