Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV3454

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2012
Datum publicatie
25-09-2012
Zaaknummer
11/03124 H
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV3454
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Herziening. Aanvrage gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/1207
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/03124

Mr. Hofstee

Zitting: 21 augustus 2012

Aanvullende conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Deze aanvullende conclusie volgt op mijn conclusie van 10 januari 2012 en heeft betrekking op de namens aanvrager door mr. J.W.E.M. Guzik, advocaat te Echt, ingediende aanvrage tot herziening van het in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 februari 2011 met parketnummer 01/274831-10. Blijkens dat vonnis heeft de Politierechter de aanvrager wegens "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week.

2. In mijn conclusie van 10 januari 2012 is door mij geconcludeerd tot gegrondverklaring van de aanvrage tot herziening, voor zoveel nodig met bevel tot opschorting en schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde, en tot verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien. Die conclusie is gebaseerd op het standpunt dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld wie op 3 augustus 2010 de Ford Mondeo met kenteken [AA-00-BB] heeft bestuurd - de aanvrager, [aanvrager], dan wel zijn tweelingbroer [betrokkene 1] - en de (toen) aanvullend verstrekte bevindingen van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost d.d. 7 december 2011 daaromtrent eveneens geen aanknopingspunten boden.

3. Na het nemen van mijn conclusie heb ik in mijn schrijven van 23 april 2012 aan het College van procureurs-generaal verzocht nader onderzoek te doen verrichten naar de vraag wie op 3 augustus 2010 als bestuurder van de auto met het kenteken [AA-00-BB] staande is gehouden, door meer in het bijzonder:

- zowel [aanvrager] als [betrokkene 1] opnieuw te horen;

- alle onderzoekshandelingen uit te voeren die voor de beantwoording van voornoemde vraag noodzakelijk zijn; en

- na te gaan of [betrokkene 1] op 3 augustus 2010 opgelegde straffen ter executie had openstaan.

4. Bij de antwoordbrief van de voorzitter van het College van procureurs-generaal van 9 augustus 2012 zijn onder meer de volgende stukken gevoegd:

(i) het proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 1] d.d. 6 juni 2012, waarin hij verklaart dat hij op 3 augustus 2010 door de politie op de Hurksestraat te Eindhoven is gecontroleerd en bij deze controle de naam van zijn tweelingbroer [aanvrager] heeft gebruikt, omdat hij op dat moment nog een gevangenisstraf moest uitzitten en niet vast wilde komen te zitten. Voorts verklaart [betrokkene 1] dat hij toen in de auto van zijn ex reed. Aan dit proces-verbaal van verhoor is een kopie van een foto met persoonsgegevens uit het paspoort van [betrokkene 1] gehecht;

(ii) het proces-verbaal van verhoor van [aanvrager] d.d. 6 juni 2012, waarin hij verklaart dat hij op 3 augustus 2010 niet in de buurt van Eindhoven was en dat hij op dat moment een rijverbod had en niet was wezen rijden. Aan dit proces-verbaal verhoor is een kopie van een foto met persoonsgegevens uit het paspoort van [aanvrager] gehecht;

(iii) het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] d.d. 6 juni 2012. Dit proces-verbaal houdt in dat [verbalisant 1] op 6 juni 2012 zowel [aanvrager] als [betrokkene 1] als verdachte heeft gehoord. [Verbalisant 1] zag dat [betrokkene 1] één en dezelfde persoon was als de bestuurder die hij op 3 augustus 2010 op de Hurksestraat te Eindhoven controleerde. Blijkens dit proces-verbaal van bevindingen herkende [verbalisant 1] [betrokkene 1] onder andere aan de verschillende tatoeages, twee gouden tanden en diens gelaatsuitdrukking. [Verbalisant 1] kan met zekerheid vaststellen dat [aanvrager] niet de persoon was die hij op 3 augustus 2010 op de Hurksestraat te Eindhoven heeft gesproken als de bestuurder van de Ford Mondeo;

(iv) een uittreksel Justitiële Documentatie van [betrokkene 1]; en

(v) een uittreksel Justitiële Documentatie van [aanvrager].

5. Voorts blijkt uit voornoemde antwoordbrief van de voorzitter van het College van procureurs-generaal dat [betrokkene 1] op 3 augustus 2010 nog een tweetal opgelegde straffen ter executie had openstaan. Één van deze openstaande straffen betrof een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 100 uren, welke later is omgezet in 44 dagen vervangende hechtenis. Deze omzetting is op 7 mei 2010 niet in persoon aan [betrokkene 1] betekend.

6. Gelet op de inhoud van de bovenstaande stukken, in het bijzonder het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1](1), is het aannemelijk dat niet [aanvrager] maar [betrokkene 1] op 3 augustus 2010 de auto met het kenteken [AA-00-BB] heeft bestuurd. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verklaring van [betrokkene 1] dat hij zich heeft uitgegeven voor zijn broer [aanvrager] omdat hij nog een straf moest uitzitten, steun vindt in de antwoordbrief van de voorzitter van het College van procureurs-generaal, voor zover inhoudend dat [betrokkene 1] op 3 augustus 2010 een in vervangende hechtenis omgezette taakstraf had openstaan. Voorts vindt de verklaring van [betrokkene 1], voor zover deze inhoudt dat hij reed in de auto van zijn ex, steun in het eerder door het College van procureurs-generaal toegezonden proces-verbaal, waaruit blijkt dat de Ford Mondeo op naam van een derde was gesteld (te weten [betrokkene 2]).

7. Het voorgaande wekt het ernstige vermoeden, zoals bedoeld in art. 457, eerste lid en onder 2°, Sv, dat als de Politierechter hiervan op de hoogte was geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde feit zou zijn vrijgesproken. Er is immers voldoende reden om aan te nemen dat sprake is van een persoonsverwisseling.

8. Deze aanvullende conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zoveel nodig de opschorting en schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Blijkens de zich in het dossier bevindende stukken heeft verbalisant [verbalisant 1] tezamen met verbalisant [verbalisant 2] op 27 augustus 2010 het proces-verbaal van het op 3 augustus 2010 geconstateerde strafbare feit gesloten. Uit dit proces-verbaal van politie leid ik af dat verbalisant [verbalisant 1] bij de in de onderhavige zaak bedoelde staandehouding van de bestuurder van de auto met kenteken [AA-00-BB] aanwezig was.

Nr. 11/03124 H

Mr. Hofstee

Zitting: 10 januari 2012

Conclusie inzake:

[Aanvrager]

1. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 februari 2011 met parketnummer 01/274831-10, is de aanvrager wegens "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994" bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één week.

2. Namens de aanvrager heeft mr. J.W.E.M. Guzik, advocaat te Echt, een aanvrage tot herziening van voornoemd vonnis van de Politierechter ingediend.

3. De aanvrage berust op de stelling dat een ander dan de aanvrager het bewezenverklaarde feit heeft begaan en indertijd gebruik heeft gemaakt van de persoonsgegevens van de aanvrager. De aanvrage is voorzien van een aantal bijlagen.

4. In de aanvrage wordt aangevoerd dat op 3 augustus 2010 bij de verkeerscontrole die heeft geleid tot verdenking van het onder 1 genoemde feit de (tweeling)broer van aanvrager de personalia van aanvrager heeft opgegeven.

5. Voor zover voor de beoordeling van de aanvrage van belang, zijn bij de aanvrage de volgende stukken gevoegd:

(i) een ondertekend schrijven van [betrokkene 1], waarin hij verklaart dat hij op 3 augustus 2010 de personalia van zijn tweelingbroer [aanvrager] heeft opgegeven (bijlage 3);

(ii) een ondertekend schrijven van [betrokkene 1], waarin hij met betrekking tot het delict verklaart de personalia van zijn tweelingbroer [aanvrager] te hebben opgegeven, omdat hij destijds een taakstraf niet had voldaan (bijlage 4);

6. In beide schrijven verklaart [betrokkene 1] dat hij, en niet zijn tweelingbroer [aanvrager], op 3 augustus 2010 over de Hurksestraat te Eindhoven heeft gereden, en dat de verbalisant de toen door hem onjuist gedane opgave niet heeft geverifieerd.

7. Dit soort aanvragen tot herziening - waarbij het niet zelden om tweelingbroers gaat - dient mijns inziens met enige terughoudendheid te worden beoordeeld. Wanneer iemand pas later opgeeft zich te hebben uitgegeven voor zijn broer, nadat deze broer bij verstek is veroordeeld (een vaak voorkomend verschijnsel in dit soort zaken), terwijl de veroordeelde, ondanks het feit dat hij wel op de hoogte was van de terechtzitting in eerste aanleg, geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het veroordelend vonnis, wekt bij mij steevast enige achterdocht.

8. Om die reden heb ik door middel van mijn aan het College van procureurs-generaal gerichte brief van 31 oktober 2011 nadere inlichtingen ingewonnen aan de hand van de volgende vragen:

1) heeft de destijds tijdens de verkeerscontrole staande gehouden persoon zich op enigerlei wijze gelegitimeerd en, zo ja, als wie?;

2) hebben de verbalisanten (ambtshalve) de verdachte herkend aan diens uiterlijk of spraak, dan wel op enigerlei andere wijze?;

3) op welke naam stond het kenteken [AA-00-BB] op 3 augustus 2010 geregistreerd?

9. Uit de antwoordbrief van het College van procureurs-generaal van 21 december 2011 en het daarbij gevoegde proces-verbaal van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost d.d. 7 december 2011 blijkt dat:

1) de bedoelde op 3 augustus 2010 staande gehouden persoon zich niet heeft gelegitimeerd en de toen genoteerde personalia enkel door de staande gehouden persoon zijn opgegeven;

2) de betrokken verbalisant de staande gehouden persoon niet heeft herkend;

3) op 3 augustus 2010 het kenteken [AA-00-BB] geregistreerd stond op naam van een derde persoon.

10. Omdat uit de in cassatie voorhanden zijnde processtukken niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld wie nu precies op 3 augustus 2010 de Ford Mondeo met kentekennummer [AA-00-BB] heeft bestuurd - de aanvrager of zijn tweelingbroer [betrokkene 1] - en ook de aanvullend verstrekte bevindingen van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost daarvoor geen aanknopingspunt bieden, valt niet uit te sluiten dat [betrokkene 1] de bestuurder van de Ford Mondeo is geweest.

11. Het voorgaande wekt het ernstige vermoeden, zoals bedoeld in art. 457, eerste lid en onder 2°, Sv, dat als de Politierechter hiervan op de hoogte was geweest, de aanvrager van het hem tenlastegelegde feit zou zijn vrijgesproken. Er is immers voldoende reden om aan te nemen dat sprake is van een persoonsverwisseling.

12. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad de aanvrage gegrond zal verklaren, voor zoveel nodig de opschorting en schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, opdat de zaak zal worden behandeld en afgedaan op de wijze als in art. 467, eerste lid, Sv is voorzien.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG