Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV3436

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
11/00582
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BO4912
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV3436
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafrechtelijke veroordeling wegens verboden uitvoer afvalstoffen; slachtoffers stellen in buitenland civiele vordering in. Openbaar ministerie heeft op verzoek van slachtoffers ten behoeve van civiele procedure informatie uit strafdossier verstrekt. Verstrekking niet onrechtmatig; art. 39f lid 1 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, in samenhang met hoofdstuk 4, paragraaf 4 onder f van “Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden”, Stcrt. 2004, 223. Informatieverstrekking uit strafdossier kan zien op ander strafbaar feit dan het ten laste gelegde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2012/72 met annotatie van T. van der Meulen
RvdW 2012/613
NJB 2012/1044
NJ 2012/262
O&A 2012/74
JWB 2012/220
Van der Meijden annotatie in JAF 2012/61

Conclusie

11/00582

Mr. F.F. Langemeijer

3 februari 2012

Conclusie inzake:

Trafigura Beheer B.V.

tegen

de Staat der Nederlanden

Dit kort geding gaat over de verstrekking van gegevens uit een strafdossier aan een ander dan de verdachte.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):

1.1.1. Eiseres tot cassatie (hierna kortweg: Trafigura) is een bedrijf dat handelt in grondstoffen en dat schepen en faciliteiten beschikbaar stelt om deze grondstoffen op te slaan en te transporteren.

1.1.2. Begin juli 2006 is het schip "Probo Koala" aangemeerd in de haven van Amsterdam en heeft Trafigura de aan boord van de "Probo Koala" gecreëerde afvalstoffen (in de gedingstukken ook wel aangeduid met het Engelse woord 'slops'), waarvan zij de eigenaar was, aangeboden aan het afvalverwerkingsbedrijf Amsterdam Port Services.

1.1.3. Op 3 en 4 juli 2006 hebben toezichthoudende en politiële autoriteiten monsters genomen van de inhoud van de sloptank van de "Probo Koala" en is een gasmeting aan boord van de "Probo Koala" uitgevoerd. De monsters zijn voor onderzoek naar het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gebracht.

1.1.4. De "Probo Koala" heeft vervolgens de haven van Amsterdam verlaten en uiteindelijk Ivoorkust aangedaan, waar de slops zijn aangeboden aan een lokaal afvalverwerkingsbedrijf. Dit afvalverwerkingsbedrijf heeft de slops illegaal gedumpt ergens in Ivoorkust.

1.1.5. Op 7 november 2006 hebben ruim 30.000 personen uit Ivoorkust (door het hof tezamen aangeduid als: de slachtoffers) in het Verenigd Koninkrijk een groepsactie ingesteld tegen Trafigura. In deze civiele procedure stelden de slachtoffers schade te hebben geleden als gevolg van de dumping van de slops in Ivoorkust. De slachtoffers werden in deze procedure bijgestaan door het Engelse advocatenkantoor Leigh Day & Co (hierna: Leigh Day).

1.1.6. Het NFI heeft de genomen monsters onderzocht en zijn bevindingen neergelegd in een rapport van 29 januari 2007.

1.1.7. Een in Nederland tegen Trafigura ingesteld strafrechtelijk onderzoek heeft geleid tot een vervolging. Aan Trafigura werd - kort gezegd - ten laste gelegd: (a) handelen in strijd met de in- en uitvoerregels voor afvalstoffen, (b) het opzettelijk niet vermelden van de schadelijkheid van een stof bij het afgeven van deze stof aan APS en (c) het (medeplegen van het) opmaken van een vals geschrift(2).

1.1.8. Bij brief van 23 maart 2007 heeft Leigh Day het openbaar ministerie verzocht om informatie uit het strafdossier, zulks ten behoeve van de genoemde civiele procedure.

1.1.9. Het openbaar ministerie heeft aan dit verzoek gevolg gegeven. Volgens een brief van de officier van justitie van 10 september 2009 is in mei 2007 het tweede deel van het NFI-rapport met daarin de analyseresultaten van de slops uit de "Probo Koala" verstrekt aan Leigh Day; een jaar later zijn, op diens verzoek, aan Leigh Day ook de processen-verbaal van de monsterneming verstrekt alsmede het eerste deel van het NFI-rapport. Deze stukken worden door het hof tezamen aangeduid als: de documenten.

1.1.10. Bij brief van 18 augustus 2009 aan het openbaar ministerie heeft Leigh Day laten weten dat de documenten cruciaal waren met het oog op de civiele procedure en dat de slachtoffers een spoedeisend belang hadden bij het ontvangen van de documenten teneinde hun rechten in deze procedure te kunnen uitoefenen.

1.1.11. In september 2009 hebben Trafigura en de slachtoffers een schikking getroffen.

1.1.12. In de strafzaak is Trafigura bij vonnis van 23 juli 2010 van de rechtbank Amsterdam(3) onder meer schuldig bevonden aan de uitvoer van afvalstoffen naar Ivoorkust in strijd met art. 18 Verordening (EEG) nr. 259/93, PbEG 1993, L30/1 inzake de overbrenging van afvalstoffen, alsmede aan het medeplegen van het afleveren van waren aan APS, wetende, dat zij voor het leven of de gezondheid schadelijk zijn en dat schadelijke karakter verzwijgende. De rechtbank heeft Trafigura veroordeeld tot een geldboete van € 1.000.000,-. Trafigura heeft tegen het (straf)vonnis hoger beroep ingesteld(4).

1.2. Stellend dat een orgaan van de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door de documenten uit het strafdossier aan Leigh Day te verstrekken, heeft Trafigura de Staat gedagvaard in kort geding. Zij heeft gevorderd, samengevat:

(a)dat aan de Staat wordt verboden documenten uit de strafzaak aan de wederpartij van Trafigura in de civiele procedure in het Verenigd Koninkrijk te verstrekken en/of toe te lichten;

(b)dat aan de Staat wordt bevolen Leigh Day te berichten dat de verstrekking van de documenten zonder rechtsbasis en daardoor onbevoegd en onrechtmatig is geschied en dat er geen toestemming van de Staat (meer) bestaat om deze documenten te gebruiken in enige procedure tegen Trafigura;

(c)dat aan de Staat wordt bevolen Leigh Day te verzoeken de reeds verstrekte documenten te vernietigen.

1.3. De Staat heeft verweer gevoerd. Bij vonnis van 4 september 2009 (LJN: BJ6977) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank te 's-Gravenhage de vorderingen grotendeels toegewezen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Staat onrechtmatig jegens Trafigura gehandeld door de documenten aan Leigh Day te verstrekken zonder dat daarvoor een wettelijke basis was.

1.4. De Staat heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 23 november 2010 (LJN: BO4912) heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en, opnieuw recht doende, de vordering van Trafigura afgewezen. Kort samengevat was het hof van oordeel dat de verstrekking van de gegevens uit het dossier van de strafzaak in overeenstemming was met art. 39f lid 1 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en met de desbetreffende Aanwijzing van het college van procureurs-generaal.

1.5. Namens Trafigura is - tijdig(5) - beroep in cassatie ingesteld.

2. Ter inleiding

2.1. Het Wetboek van Strafvordering regelt van oudsher de 'interne openbaarheid' van de processtukken voor de partijen die deelnemen aan het strafproces. Deze regeling hangt samen met het begrip 'eerlijk proces' in art. 6 EVRM en met de vereisten die art. 6 EVRM overigens aan een strafprocedure stelt. Zo bestaan er regels voor de inzage van de processtukken door de verdachte en het verkrijgen van afschriften(6). In 2007 was het inzagerecht van de benadeelde partij die zich in het strafproces had gevoegd nog geregeld in art. 51d (oud) Sv. Mede onder invloed van Europese regelgeving(7) is met ingang van 1 januari 2011 het inzagerecht uitgebreid tot alle slachtoffers in de zin van art. 51a Sv (ook als zij zich niet als benadeelde partij in het strafproces hebben gevoegd om schadevergoeding te vorderen) en vastgelegd in art. 51b Sv. De wettelijke regeling van de processtukken in strafzaken is onlangs geheel herzien(8). Het hof heeft in dit geval art. 51d (oud) Sv niet van toepassing geacht(9).

2.2. Buiten de gevallen waarop de regels over 'interne openbaarheid' van het strafdossier voor de procesdeelnemers betrekking hebben, kunnen ook anderen dan deelnemers aan het strafproces een verzoek om informatie uit het strafdossier richten aan het openbaar ministerie. De wijze waarop het openbaar ministerie met dergelijke verzoeken omgaat is geregeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze wet omschrijft strafvorderlijke gegevens in artikel 1 onder b als: "gegevens over een natuurlijke persoon of rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek en die het openbaar ministerie in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg verwerkt". De Wjsg kent een gesloten stelsel van verstrekkingen, d.w.z. dat strafvorderlijke gegevens niet mogen worden verstrekt zonder dat daarvoor een wettelijke basis aanwezig is (art. 52 Wjsg).

2.3. Artikel 39a Wjsg bepaalt dat het College van procureurs-generaal de "verantwoordelijke" is voor het verwerken van strafvorderlijke gegevens. Art. 39b Wjsg schrijft voor dat het College van procureurs-generaal strafvorderlijke gegevens slechts verwerkt indien deze noodzakelijk zijn voor een goede vervulling van de taak van het openbaar ministerie of het nakomen van een wettelijke verplichting.

2.4. De verstrekking van strafvorderlijke gegevens aan anderen dan de verdachte of zijn raadsman is geregeld in de artikelen 39e - 39h Wjsg. Voor de onderhavige zaak is art. 39f Wjsg van belang. De eerste twee leden daarvan luiden, voor zover hier van belang:

1. Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, kan het College van procureurs-generaal, onverminderd artikel 39e, aan personen of instanties voor de volgende doeleinden strafvorderlijke gegevens verstrekken:

(...)

f. het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn.

2. Het College van procureurs-generaal kan slechts strafvorderlijke gegevens aan personen of instanties als bedoeld in het eerste lid verstrekken, voorzover die gegevens voor personen of instanties:

a. noodzakelijk zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang of de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte, en

b. in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot andere personen dan betrokkene, redelijkerwijs wordt voorkomen.

2.5. De in artikel 39f Wjsg omschreven doeleinden, op grond waarvan het openbaar ministerie strafvorderlijke gegevens aan derden kan verstrekken, vormen een concretisering van de vereiste "noodzaak met het oog op een zwaarwegend algemeen belang"(10). Voor het begrip "zwaarwegend algemeen belang" heeft art. 23, lid 1 onder e, Wet bescherming persoonsgegevens model gestaan. Deze bepaling houdt op haar beurt verband met de uitzonderingen in het tweede lid van artikel 8 EVRM. In verband met het zwaarwegend algemeen belang "bescherming van de rechten en vrijheden van anderen" kunnen strafvorderlijke gegevens van belang zijn voor doelen die los staan van de strafrechtspleging. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan het voeren van procedures bij de burgerlijke rechter(11). Artikel 39f Wjsg brengt mee dat het openbaar ministerie bij de beoordeling van een verzoek om informatie uit een strafdossier het zwaarwegend algemeen belang bij de verstrekking behoort af te wegen tegen het belang van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de strafvorderlijke gegevens betrekking hebben. Bij deze belangenafweging dient het openbaar ministerie, gelet op de noodzaak van de verstrekking die het moet kunnen aantonen, ook het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel te betrekken(12).

2.6. Het College van procureurs-generaal heeft het beleid van het openbaar ministerie dienaangaande neergelegd in de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens(13). De Aanwijzing noemt een aantal standaardgevallen, dat wil zeggen categorieën van personen en instanties aan wie verstrekking van de gegevens voor bepaalde doeleinden kan plaatsvinden door het desbetreffende parket, dat daartoe is gemandateerd door het College van procureurs-generaal. In andere, dus de niet standaard gevallen behoort de officier van justitie de voorgenomen verstrekking van strafvorderlijke gegevens ter toetsing voor te leggen aan (de helpdesk privacy van) het College van procureurs-generaal.

2.7. Voor de onderhavige zaak is van belang hoofdstuk IV, par. 4 onder f, van Aanwijzing 2004A009(14). Deze paragraaf houdt in, voor zover hier van belang:

(...)

4. De ontvangers

Op basis van art. 39f lid 1 Wjsg kunnen voor de aldaar genoemde doelen in ieder geval aan de volgende personen en instanties strafvorderlijke gegevens worden verstrekt.

Categorieën gemarkeerd met een [?], zijn standaardverstrekkingen (...).

f) het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn

(...)

f.2) Ten behoeve van de vergoeding aan het slachtoffer van de schade, die is ontstaan als gevolg van een strafbaar feit, kunnen de daarvoor benodigde strafvorderlijke gegevens worden verstrekt aan:

[?]I Degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit, voor zover geen sprake is van een geval waarop artikel 51d Sv betrekking heeft;

(...)

3. Bespreking van het cassatiemiddel

Onderdeel 1: de wettelijke grondslag van de verstrekking

3.1. Onderdeel 1 heeft betrekking op de vraag op welke wettelijke grondslag de verstrekking van de gegevens aan Leigh Day is geschied. Zoals gezegd, is verstrekking van strafvorderlijke gegevens niet toegestaan zonder wettelijke grondslag. In rov. 4.3 - 4.9 heeft het hof geoordeeld dat de verstrekking van de gegevens uit het strafdossier aan Leigh Day voldeed aan alle voorwaarden die art. 39f Wjsg en de genoemde Aanwijzing van het College van procureurs-generaal aan zulk een verstrekking stellen.

3.2. De motiveringsklacht onder 1.1 houdt in dat dit oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat de verstrekking in casu niet heeft plaatsgevonden op grond van art. 39f Wjsg en de genoemde Aanwijzing, maar op grond van art. 21 lid 6 Wet op de Economische Delicten (WED). Laatstgenoemd artikellid bood volgens het middel - en volgens de voorzieningenrechter - geen basis voor de verstrekking van deze strafvorderlijke gegevens aan Leigh Day. In hoger beroep heeft Trafigura aangevoerd dat een op art. 21 lid 6 WED gebaseerde verstrekking van gegevens niet achteraf kan worden gerechtvaardigd door alsnog een andere grondslag, namelijk art. 39f Wjsg, daarvoor aan te voeren. Volgens het middelonderdeel heeft het hof deze essentiële stelling ten onrechte onbesproken gelaten.

3.3. De rechtsklacht onder 1.2 sluit hierbij aan: indien in de bestreden overwegingen het oordeel wordt gelezen dat de onderhavige verstrekking wel kan worden gerechtvaardigd door achteraf art. 39f Wjsg aan die verstrekking ten grondslag te leggen, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens het middelonderdeel is niet relevant op welke wettelijke grondslag de verstrekking had kunnen plaatsvinden, maar op welke grondslag zij heeft plaatsgevonden. Onder 1.3 benadrukt het middelonderdeel dat art. 39f Wjsg waarborgen omvat voor een zorgvuldige omgang met strafvorderlijke gegevens en voorziet in een procedure, waarbij het belang van de verdachte bij bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer door het openbaar ministerie wordt afgewogen tegen het belang van de derde-verzoeker bij ontvangst van die strafvorderlijke gegevens. Daarbij komt, aldus het middelonderdeel, dat de officier van justitie in dit geval heeft gekozen voor een verstrekking op basis van art. 21 lid 6 WED en dat Trafigura een zwaarwegend en voor de Staat kenbaar belang bij het niet verstrekken van deze gegevens had. De klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.4. De gegevens zijn in 2007 respectievelijk in 2008 door de officier van justitie aan Leigh Day verstrekt, op diens verzoek, als vertegenwoordiger van de ruim 30.000 slachtoffers in Ivoorkust. Eerst geruime tijd later, bij schrijven van 16 maart 2009, heeft de advocaat van Trafigura aan de officier van justitie de vraag voorgelegd, welke documenten aan Leigh Day zijn verstrekt en wat de wettelijke basis van die verstrekking is geweest. Daarop heeft de officier van justitie in een e-mail van 20 maart 2009 geantwoord dat de verstrekking is geschied op basis van art. 21 lid 6 WED(15). Dat standpunt is door de Staat in eerste aanleg verdedigd bij wijze van primair verweer, maar is door de voorzieningenrechter niet houdbaar bevonden: volgens de voorzieningenrechter regelt art. 21 lid 6 WED niet de verstrekking van gegevens aan een derde als Leigh Day(16). In hoger beroep heeft de Staat dit standpunt niet langer gehandhaafd en uitsluitend nog het (in eerste aanleg subsidiair ingenomen) standpunt verdedigd dat de wettelijke basis voor de verstrekking van de documenten aan Leigh Day is te vinden in art. 39f Wjsg, in verbinding met de meergenoemde Aanwijzing.

3.5. Anders dan in de rechtsklacht tot uitgangspunt is genomen, verzet geen bepaling in de Wjsg zich ertegen dat de grondslag van de verstrekking achteraf door de rechter wordt vastgesteld. De opsteller van het cassatiemiddel heeft mogelijk de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht voor ogen gehad. Indien een daartoe bevoegd bestuursorgaan een beschikking geeft waarop de artikelen 4:7 - 4:12 Awb van toepassing zijn, moet de voorbereiding van dat besluit aan die eisen voldoen. Ook aan de motivering van een besluit van het bestuursorgaan worden bepaalde eisen gesteld (zie art. 3:46 - 3:50 Awb). Een besluit van een bestuursorgaan dat niet overeenkomstig de wet is voorbereid of waarvan de motivering niet deugdelijk is, bijvoorbeeld omdat deze voor de wettelijke grondslag waarop het besluit berust verwijst naar een bepaling die niet van toepassing is of waaruit die grondslag niet kan blijken, kan - in beginsel - in beroep worden vernietigd(17).

3.6. Het gaat in dit geding niet om een beroep tegen een besluit van de officier van justitie. In verband met hetgeen gevorderd was moest de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel geven over de rechtmatigheid van een feitelijke gedraging van de officier van justitie, te weten de verstrekking van de gegevens aan Leigh Day. Dit stemt overeen met de systematiek van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. In die wet zijn bepaalde beslissingen gelijkgesteld met een Awb-besluit(18), maar daartoe behoort niet de (beslissing tot) verstrekking van strafvorderlijke gegevens aan een ander dan de verdachte of diens raadsman. De rechtmatigheid van de feitelijke gedraging van het openbaar ministerie (het verstrekken) is niet afhankelijk van de motivering die degene die de gedraging heeft verricht op dat tijdstip of, zoals in dit geval, enige tijd later in een e-mail heeft gegeven. De beoordeling van de rechtmatigheid van een feitelijke gedraging kan achteraf en zelfstandig door de rechter geschieden. De omstandigheid dat de Staat in eerste aanleg primair het standpunt heeft verdedigd dat de verstrekking is geschied op basis van art. 21 lid 6 WED, maakt dit niet anders: de Staat heeft subsidiair een tweede basis aangereikt en mocht het hoger beroep benutten om een in eerste aanleg begane misslag te herstellen.

3.7. Aan Trafigura kan worden toegegeven dat art. 39f Wjsg een afweging van de betrokken belangen veronderstelt: zie de alinea's 2.3 en 2.4 hiervoor. Ook Aanwijzing 2004A009 veronderstelt dat een belangenafweging door het openbaar ministerie plaatsvindt(19). Het hof is aan dit vereiste niet voorbijgegaan. Het hof heeft onderzocht of aan alle voorwaarden welke de Aanwijzing aan een verstrekking stelt is voldaan; die vraag heeft het hof bevestigend beantwoord.

3.8. Het oordeel van het hof impliceert de verwerping van de stelling van Trafigura dat de verstrekking niet achteraf kon worden gerechtvaardigd met een beroep op art. 39f Wjsg(20). Het hof heeft beslissend geacht of er een rechtsgrond voor de verstrekking was; niet of de beslissing tot verstrekking berustte op een deugdelijke, aan Trafigura kenbaar gemaakte motivering(21). Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De redengeving is niet onbegrijpelijk, mede in het licht van de omstandigheid dat Trafigura haar vordering in kort geding had gegrond op de stelling dat de verstrekking van de documenten zonder een wettelijke grondslag en daarom onrechtmatig is geschied(22). Daarover ging dan ook het debat tussen partijen. De kwaliteit van de belangenafweging door het openbaar ministerie is in het debat in eerste aanleg en in hoger beroep door Trafigura nauwelijks ter sprake gebracht. De slotsom is dat onderdeel 1 faalt.

Onderdeel 2: op welke strafbare feiten had het strafdossier betrekking?

3.9. Onderdeel 2 heeft een subsidiair karakter: voor zover het al mogelijk is de verstrekking van de gegevens achteraf op art. 39f, lid 1 onder f, Wjsg te baseren, is die bepaling volgens Trafigura in dit geval niet van toepassing. Het hof heeft in rov. 4.5 hieromtrent overwogen:

"In het onderhavige geval liggen in het strafdossier mede besloten - zo heeft de Staat gesteld en heeft Trafigura erkend althans niet (voldoende) weersproken - de strafbare feiten die op Ivoriaanse bodem (zouden) zijn gepleegd, waaronder het illegaal (doen) dumpen van afvalstoffen, ten gevolge waarvan de slachtoffers de door hen gestelde schade rechtstreeks hebben geleden. Dat het openbaar ministerie deze strafbare feiten uiteindelijk niet ten laste heeft gelegd - volgens de Staat omdat de Ivoriaanse autoriteiten geen medewerking wensten te verlenen - is, gelet op het bovenstaande, niet van belang. In aanmerking genomen dat geen sprake is van een geval waarop art. 51d Sv betrekking heeft, vallen de slachtoffers dus wel onder hoofdstuk IV, par. 4, onder f.2 sub I van de Aanwijzingen. De primaire klacht in grief 1 treft derhalve doel."

3.10. Volgens het middelonderdeel is het hof hiermee buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep getreden, althans is dit oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd: (a) omdat de Staat niet heeft gesteld dat de strafbare feiten die op het grondgebied van Ivoorkust zouden zijn gepleegd, waaronder het illegaal dumpen van afvalstoffen, in het strafdossier besloten liggen en (b) omdat Trafigura wel degelijk heeft weersproken, in elk geval niet heeft erkend, dat de strafbare feiten op het grondgebied van Ivoorkust in het strafdossier besloten liggen.

3.11. Art. 24 Rv bepaalt dat de rechter de zaak onderzoekt en beslist op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit. Het staat de burgerlijke rechter niet vrij zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer zijn ten grondslag gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekort gedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te verdedigen(23).

3.12. Het door het hof gebruikte begrip 'in het strafdossier besloten liggen' is niet een wettelijke term. Een dossier is een verzameling documenten of, tegenwoordig, een verzameling computerbestanden. Een strafdossier in de zin van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens wordt aangelegd op het moment waarop het openbaar ministerie bij de zaak betrokken raakt(24); dat moment valt doorgaans samen met de inschrijving ten parkette van het door een opsporingsambtenaar opgemaakte en aan de officier van justitie toegezonden proces-verbaal(25). De verantwoordelijkheid voor het samenstellen van een strafdossier berust in deze fase bij de officier van justitie. Voordat de vervolging is aangevangen, wordt als verdachte aangemerkt: degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit voortvloeit. Daarna wordt als verdachte aangemerkt: degene tegen wie de vervolging is gericht (art. 27 lid 1 en lid 2 Sv). Een strafdossier kan dus al bestaan voordat de officier van justitie een vervolgingsbeslissing heeft genomen. Na de vervolgingsbeslissing kan het strafdossier zowel betrekking hebben op strafbare feiten die door de officier van justitie ten laste zijn gelegd als op feiten ten aanzien waarvan wel een verdenking bestaat of heeft bestaan, maar die niet in de vervolging zijn betrokken.

3.13. De voorzieningenrechter heeft in zijn vonnis van belang geacht dat de slachtoffers voor wie Leigh Day optrad niet zijn aan te merken als personen die rechtstreeks schade hebben gelegen door de feiten die in de Amsterdamse strafzaak aan Trafigura ten laste waren gelegd: zij zijn volgens de voorzieningenrechter niet getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepalingen wordt beschermd(26). Hieruit leidde de voorzieningenrechter af dat de slachtoffers voor wie Leigh Day optrad niet zijn aan te merken als "degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit" als bedoeld in hoofdstuk IV, par. 4 onder f.2.1 van de Aanwijzing (rov. 3.7 Rb).

3.14. In hoger beroep heeft de Staat dit oordeel van de voorzieningenrechter bestreden met in hoofdzaak twee argumenten, te weten(27):

(i)de voorzieningenrechter gaat uit van een te beperkte interpretatie van het begrip 'degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit' als bedoeld in hoofdstuk IV par. 4 onder f.2.1 van de Aanwijzing. De Staat is van mening dat dit niet kan worden beperkt tot het strafbare feit dat door de officier van justitie ten laste is gelegd. De slachtoffers stellen dat Trafigura ook in Ivoorkust strafbare feiten heeft gepleegd, waaronder het illegaal (doen) dumpen van afvalstoffen. Ten gevolge daarvan hebben de slachtoffers - naar hun stelling - schade geleden(28).

(ii)ook als de voorzieningenrechter wordt gevolgd in zijn beperkte interpretatie van dat begrip, zijn de ruim 30.000 slachtoffers voor wie Leigh Day optrad aan te merken als degenen die rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van de strafbare feiten waarvoor Trafigura in Nederland werd vervolgd.

3.15. Het hof heeft beide argumenten samengevat in rov. 4.2. In de daarop volgende rov. 4.3 - 4.9 heeft het hof de argumentatie van de Staat onder (i) gevolgd. In de redenering van het hof gaat het niet om de vraag of de slachtoffers voor wie Leigh Day optrad zijn aan te merken als rechtstreeks benadeelden van de strafbare feiten waarvoor Trafigura voor de Amsterdamse rechtbank werd vervolgd. Aan argument (ii) kwam het hof niet toe; zie het slot van rov. 4.9. In de redenering van het hof gaat het om - een voorlopig oordeel in kort geding over - de vraag of de slachtoffers voor wie Leigh Day optrad zijn aan te merken als rechtstreeks benadeelden van enig strafbaar feit waarop het strafdossier betrekking heeft.

3.16. De tekst van art. 39f Wjsg verzet zich niet tegen die redenering. Lid 1 onder 1 spreekt van een verstrekking van gegevens ten behoeve van: "het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn". Dit wettelijk voorschrift stelt niet de eis dat ter zake van dat strafbare feit een vervolging is ingesteld. Ter zijde merk ik op dat er talrijke gevallen denkbaar zijn waarin de officier van justitie de zaak niet vervolgt en tóch sprake kan zijn van een bij het feit betrokken slachtoffer: men denke bijvoorbeeld aan feiten waarbij de verdachte niet wordt vervolgd omdat hij inmiddels is overleden of te zwaar verwond is om te worden vervolgd; aan strafbare feiten die verjaard zijn etc. In zulke gevallen kan een slachtoffer met het oog op vergoeding van zijn schade belang hebben bij kennisneming van gegevens uit het strafdossier, ook al vindt er geen vervolging plaats.

3.17. De Aanwijzing 2004A009 is op dit punt iets zuiniger dan de wettekst. Paragraaf 2 van hoofdstuk IV ("Beginselen bij informatieverstrekking") stelt dat uitgangspunt is dat in beginsel alleen strafvorderlijke gegevens worden verstrekt indien er een vonnis van de strafrechter is. Verstrekking in een eerder stadium is alleen mogelijk als het openbaar ministerie is gebleken van spoedeisend belang om eerder te verstrekken en de strafzaak (strafvorderlijk) is beoordeeld door het openbaar ministerie. Een sepot of de omstandigheid dat de zaak nog niet strafvorderlijk is beoordeeld levert volgens de Aanwijzing een contra-indicatie voor verstrekking op; dit houdt in dat de officier van justitie contact opneemt met de helpdesk privacy van het parket-generaal, waarmee de beslissing in feite weer in handen is van het College van procureurs-generaal.

3.18. Naast de door het hof vastgestelde feiten (zie rubriek 1 hiervoor), heeft de Staat in hoger beroep ter toelichting op het onder (i) genoemde standpunt aangevoerd dat de vraag of de in Ivoorkust gepleegde strafbare feiten onderdeel zouden moeten zijn van de vervolging in Nederland, door het openbaar ministerie onder ogen is gezien en ontkennend is beantwoord bij gebrek aan medewerking van de autoriteiten van Ivoorkust. Gecombineerd met het in alinea 3.14 onder (i) weergegeven standpunt, heeft het hof in de grief de stelling gelezen - en m.i. kunnen lezen - dat het strafdossier betrekking had op een feitencomplex dat meer feiten omvatte dan alleen die welke in de Amsterdamse strafzaak aan Trafigura ten laste zijn gelegd en mede betrekking had op strafbare feiten (dumping van afvalstoffen) die in Ivoorkust zouden hebben plaatsgevonden. Bovendien heeft de Staat bij pleidooi in hoger beroep nog geconcretiseerd dat het gaat om de "verstrekking van onderzoeksresultaten aangaande de samenstelling van een lading afvalstoffen die door Trafigura illegaal naar Ivoorkust is uitgevoerd en daar ernstige schade heeft veroorzaakt" en dat de claim van de slachtoffers verband hield met "schade die zij menen te hebben geleden als gevolg van blootstelling aan afvalstoffen die in augustus 2006 op last van Trafigura per schip naar Ivoorkust waren vervoerd"(29). Door dit samen te vatten als het standpunt van de Staat dat de strafbare feiten die (beweerdelijk) in Ivoorkust zouden zijn gepleegd, waaronder het illegaal dumpen van afvalstoffen, in het strafdossier "besloten lagen", heeft het hof de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep niet overschreden. De klacht onder (a) faalt.

3.19. Ter toelichting op de klacht onder (b) noemt de cassatiedagvaarding(30) verscheidene plaatsen in de gedingstukken waar Trafigura zou hebben weersproken dat de (beweerdelijk) in Ivoorkust gepleegde feiten in het strafdossier besloten lagen. De klacht berust in belangrijke mate op het argument dat Trafigura in eerste aanleg had gesteld en in hoger beroep heeft gehandhaafd dat de slachtoffers voor wie Leigh Day optrad geen rechtstreekse schade hebben geleden als gevolg van de strafbare feiten die in het Nederlandse strafdossier besloten liggen(31).

3.20. Wat Trafigura volgens het rov. 4.5 heeft erkend, althans onvoldoende heeft weersproken, betreft niet de vraag of de slachtoffers rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van de feiten, maar uitsluitend de vraag of de (beweerdelijk) in Ivoorkust gepleegde strafbare feiten (waaronder dumping van afvalstoffen) in het strafdossier "besloten lagen".

3.21. Documenten in een strafdossier kunnen betrekking hebben op uiteenlopende feiten of op een complex van feiten. Deze feiten worden later door de officier van justitie en, in geval een vervolging plaatsvindt, door de rechter gekwalificeerd. Anders dan in de toelichting op dit middelonderdeel wordt aangevoerd, heeft het hof in (par. 34 en 37 van) de memorie van antwoord geen betwisting door Trafigura behoeven te lezen van het standpunt van de Staat dat het dossier mede de (beweerdelijk) in Ivoorkust gepleegde feiten omvatte. Met name uit het betoog van Trafigura dat uit het proces-verbaal blijkt dat het openbaar ministerie al in het najaar van 2006 had besloten de feiten in Ivoorkust niet langer te betrekken in het strafrechtelijk onderzoek in Nederland, behoefde het hof niet op te maken dat Trafigura ook betwistte dat de in Ivoorkust gepleegde feiten in het strafdossier besloten lagen. De aangehaalde passage in de memorie van antwoord steunt veeleer de lezing die het hof hieraan heeft gegeven, namelijk dat Trafigura erkende dat de feiten die in Ivoorkust zouden zijn gepleegd in het strafdossier besloten lagen, ook al heeft het openbaar ministerie ter zake van die feiten in Nederland geen vervolging ingesteld. De slotsom is dat de klacht onder (b) faalt.

3.22. Gezien het voorgaande mist de voorwaardelijk ingediende klacht in onderdeel 2.2 feitelijke grondslag. Het hof is niet uitgegaan van de veronderstelling dat Trafigura in dit geding niet zou hebben betwist dat zij afvalstoffen heeft uitgevoerd naar Ivoorkust en heeft aangeboden aan een lokaal afvalverwerkingsbedrijf, dat deze stoffen vervolgens heeft gedumpt.

3.23. De rechtsklacht van onderdeel 2.3 faalt, gelet op het voorgaande. Het is rechtens mogelijk dat een strafdossier (met daarin een aangifte, proces-verbaal van een opsporingsambtenaar, verslagen over monsterneming en onderzoeksresultaat etc.) betrekking heeft op meer feiten dan alleen dat waarvoor de officier van justitie een vervolging instelt. Art. 39f Wjsg heeft niet uitsluitend betrekking op strafvorderlijke gegevens omtrent feiten waarvoor een vervolging is ingesteld.

3.24. Middelonderdeel 3 mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft daarom geen bespreking.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

a. - g.

1 Zie rov. 2 van het bestreden arrest.

2 Een gedetailleerde weergave van de telastelegging is te vinden in het hierna te noemen strafvonnis van 23 juli 2010.

3 LJN: BN2149.

4 Inmiddels is op dit hoger beroep een beslissing genomen: zie hof Amsterdam 23 december 2011, LJN: BU9237.

5 Binnen acht weken; zie art. 339 lid 2 in verbinding met art. 402 lid 2 Rv.

6 Zie onder meer art. 30 - 34 Sv. Een wettelijke definitie van het begrip 'processtukken' ontbreekt; zie hierover: Tekst & Commentaar Strafvordering, 2011, aant. 2 op art. 30 (T. Spronken).

7 Art. 4 Kaderbesluit 2001/220/JBZ inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure, PbEG L 82.

8 Wet van 1 december 2011, Stb. 601 (herziening regels betreffende de processtukken in strafzaken) en het daarop gebaseerde Besluit processtukken in strafzaken (KB van 15 december 2011, Stb. 602).

9 Zie rov. 4.5.

10 MvT, Kamerstukken II, 2002/03, 28 886, nr. 3, blz. 7.

11 MvT, Kamerstukken II, 2002/03, 28 886, nr. 3, blz. 5.

12 MvT, Kamerstukken II, 2002/03, 28 886, nr. 3, blz. 7; Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II, 2003/04, 28 886, nr. 5, blz. 7.

13 Ten tijde van de onderhavige verstrekking in 2007 gold de Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden, nr. 2004A009, d.d. 12 oktober 2004, Stcrt. 2004, 223. Deze aanwijzing is met ingang van 1 februari 2008 vervangen door de gelijknamige aanwijzing nr. 2007A018, Stcrt. 2008, 19. Deze laatste is ingaande 1 augustus 2010 weer vervangen door de gelijknamige aanwijzing nr. 2010A016, Stcrt. 2010, 11804.

14 Aanwijzing 2007A018, van belang voor zover in 2008 aanvullend gegevens zijn verstrekt, wijkt inhoudelijk hiervan niet af. Vgl. rov. 4.3 van het bestreden arrest.

15 Zie het vonnis in eerste aanleg onder 1.8 - 1.10.

16 Art. 21 WED regelt de monsterneming. Het zesde lid bepaalt: "De belanghebbende wordt op zijn verzoek zo spoedig mogelijk in kennis gesteld van de resultaten van het onderzoek, de opneming of de monsterneming".

17 De vraag of een gebrekkige motivering in een besluit na de bekendmaking daarvan kan worden gerepareerd (in een bezwaarschriftprocedure), dan wel of aanleiding bestaat om na vernietiging van het besluit de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten (art. 8:72 lid 3 Awb), blijft hier onbesproken.

18 Zie art. 29 en 47 Wjsg; MvT, Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, blz. 13; Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken 2003/04, 28 886, nr. 5, blz. 14 - 17.

19 Zie hoofdstuk IV, par. 2: "(...) Er zal altijd een afweging dienen plaats te vinden"; par. 3, toelichting ad 4: "De vraag of met verstrekking een zwaarwegend algemeen belang wordt gediend, heeft ten doel een afweging te bewerkstelligen tussen de privacybelangen die worden geschaad bij verstrekking van informatie en het doel waarvoor die privacyinbreuk plaatsvindt".

20 MvA onder 17.

21 Vgl. de schriftelijke toelichting zijdens de Staat onder 4.1.

22 Aldus ook het petitum onder b2 ("zonder rechtsbasis en daardoor onbevoegd en onrechtmatig"); MvA punt 28.23 Vaste rechtspraak; zie onder meer HR 17 februari 2006 (LJN: AU5663), NJ 2006/158.

24 Zie art. 1 Wjsg; in de daaraan voorafgaande fase is de Wet politiegegevens van toepassing.

25 Art. 152 - 159 Sv. Andere mogelijkheden om de officier van justitie bij een zaak te betrekken zijn, onder meer, de rechtstreekse aangifte en de klacht bij de officier van justitie.

26 Deze laatste maatstaf (die de lezer doet denken aan het relativiteitsvereiste in art. 6:163 BW) heeft de voorzieningenrechter vermoedelijk ontleend aan de strafrechtspraak; zie rov. 3.2.6 van HR 15 februari 2011, LJN: BP0095. Over de vraag of deze op het nationale recht georiënteerde maatstaf in overeenstemming is met het begrip 'slachtoffer' in art. 1 (onder a) van het in noot 7 genoemde Kaderbesluit is bij mijn weten nog geen prejudiciële vraag aan het HvJ EU voorgelegd.

27 MvG blz. 4-5 resp. blz. 4 en 6-10.

28 MvG blz. 5.

29 Pleitnota namens de Staat in appel, blz. 1 en 7.

30 Cassatiedagvaarding blz. 7 - 8.

31 MvA onder 34.