Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV2944

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
10/02809 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV2944
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. HR: vermindering van de opgelegde geldboete i.v.m. overschrijding van de redelijke termijn. De overige middelen: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02809 E

Mr Jörg

Zitting 10 januari 2012

Conclusie inzake:

[Verzoekster = verdachte]

1. De economische kamer van het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 26 mei 2010 verzoekster wegens "opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van € 100.000,- waarvan € 50.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Bewezen verklaard is dat (de rechtsvoorganger van) verzoekster achtmaal vuurwerk (goederen van klasse 1) per spoor heeft getransporteerd en daarbij telkens opzettelijk een oponthoud van meer dan drie uur op een rangeerterrein niet aan de burgemeester van de desbetreffende gemeente (Zwijndrecht) heeft gemeld of doen melden.

2. Namens verzoekster heeft mr. C.N.G.M. Starmans, advocaat te Utrecht, bij schriftuur zeven middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het hof de beslissing tot afwijzing van getuigenverzoeken ontoereikend heeft gemotiveerd, alsmede de beslissing tot afwijzing van het verzoek om stukken aan het dossier toe te voegen. Het derde en het vierde middel borduren hierop voort en komen op tegen de begrijpelijkheid van een tweetal overwegingen van het hof. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

4. Het (veroordelend) vonnis van de rechtbank Dordrecht is op 17 november 2009 gewezen. Tegen dat vonnis is namens verzoekster op 1 december 2009 hoger beroep ingesteld. De namens verzoekster op 15 december 2009 ter griffie van de Rechtbank Dordrecht ingekomen appèlschriftuur houdt het volgende in:

"Verzocht wordt in het kader van het hoger beroep de navolgende onderzoekshandelingen te (laten) verrichten:

A. het horen de navolgende getuigen:

1. Leidinggevende van Prorail nv waar het betreft de locatie Kijfhoek, gemeente Zwijndrecht,

alsmede/althans degene die informatie kan verschaffen omtrent de aldaar gehanteerde veiligheidseisen en de communicatie met de - ter zake van veiligheidseisen en de communicatie met de - ter zake van veiligheid relevante - autoriteiten, waaronder de brandweercommandant en de burgemeester van Zwijndrecht, alsmede degene die informatie heeft verstrekt in het kader van onderhavig onderzoek aan - onder meer - de IVW;

2. De regionale brandweercommandant:

3. De burgemeester van Zwijndrecht: de heer A.S. Scholten, althans diens opvolger;

4. De aan cliënte verbonden, terzake veiligheid en procedures in het kader van de Wet VGS, betrokkenen, bijvoorbeeld in de persoon van [betrokkene 1], de transportcoördinator Kijfhoek en [betrokkene 2];

5. De aan de IVW verbonden opsporingsambtenaren die het onderzoek in de onderhavige zaak hebben verricht en tevens contact hebben gehad met cliënte naar aanleiding van eerdere overtredingen: [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

B. Voorts wordt verzocht tot het toevoegen van bescheiden aangaande de planning bij de burgemeester van Zwijndrecht en de regionale brandweer in het kader van de algemene veiligheid en bescherming van de samenleving in het algemeen en terzake van het beleid bij (dreigende) calamiteiten in het bijzonder.

Met betrekking tot de aan cliënte verweten feiten kan - naast een aantal van de in 1e aanleg gevoerde, doch verworpen verweren - de vraag worden gesteld of het betreffende strafbare feit cliënte als rechtspersoon wel strafrechtelijk kan worden toegerekend, meer in het bijzonder in het kader van de vraagstelling of de feitelijke gang van zaken (niet-melding waar wel een wettelijke plicht tot melding zou hebben bestaan), zoals achteraf eerst gebleken, door haar werd aanvaard dan wel placht te worden aanvaard.

Voorts kan terzake van het aspect van de genoegzame regelgeving, alsmede van de in dat verband gewaarborgde veiligheid, de vraag worden gesteld of daarin niet reeds genoegzaam (op andere wijze) wordt voorzien. Zulks mede in het kader van de vraag of "deze regelgeving uitermate belangrijk is in het kader van de algemene veiligheid en bescherming van de samenleving."

In het kader van het hoger beroep zal te zijner tijd kenbaar worden gemaakt of bij al deze verzoeken wordt gepersisteerd, dan wel van één of enkelen alsnog zal worden afgezien. Mogelijk dat na ontvangst en bestudering van de onder B genoemde bescheiden daaromtrent definitief standpunt kan worden ingenomen."

5. De aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotitie houdt een toelichting op de verzoeken in. Deze laat zich omwille van de leesbaarheid als volgt samenvatten:

- de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van Inspectie Verkeer en waterstaat (IVW) kunnen verklaren op welke (rechtmatige?) wijze de IVW de gegevens heeft verkregen en of er toen al sprake was van verdenking tegen verzoekster;

- met betrekking tot de vraag of verzoekster als functioneel dader kan worden aangemerkt dan wel of verzoekster geen blaam meer treft omdat zij in de ten laste gelegde maanden in 2008 heeft voldaan aan haar zorgplicht nadat in augustus 2007 bleek van enkele overtredingen van de meldplicht en zij sindsdien contact onderhield met de IVW ter verificatie dat voortaan geen meldingen meer achterwege zouden blijven:

- [betrokkene 1], veiligheidsadviseur, in dienst bij verzoekster,

- de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van IVW;

- sinds jaar en dag worden deze meldingen via het CMK aan de burgemeester gedaan en het OM dient te bewijzen dat die meldingen niet zijn gedaan, dus "teneinde omtrent dat aspect meer duidelijkheid te krijgen" wordt verzocht te horen:

- de brandweercommandant (regionale brandweer Zuid-Holland Zuid),

- de (toenmalige) burgemeester van Zwijndrecht,

- [betrokkene 1],

- de transportcoördinator Kijfhoek,

- [betrokkene 2], manager Transportmanagement Nederland (tevens over de opvatting dat geplande stilstand ("overstand") niet behoeft te worden gemeld), en voorts:

- [betrokkene 3], operationeel chef van de KLPD, dienst operationele ondersteuning en coördinatie ("maakt deel uit van de in de appèlschriftuur genoemde autoriteiten");

- en tenslotte, over "wat zijn de gevaren, wat zijn de procedures":

- de brandweercommandant,

- de burgemeester van Zwijndrecht.

6. [Betrokkene 1] is ter terechtzitting in hoger beroep als (meegebrachte) getuige gehoord. Voor het overige geldt dat het hof de verzoeken ter terechtzitting heeft afgewezen "nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van voornoemde getuigen en het niet toevoegen van genoemde bescheiden de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad." Toen vervolgens ter terechtzitting nogmaals werd verzocht de twee verbalisanten te horen, overwoog het hof het volgende:

"Het hof wijst wederom af het verzoek tot het horen van de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 2], nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het niet horen van voornoemde getuigen de veroordeelde niet in zijn verdediging wordt geschaad.

Feiten die de uitoefening van enige bevoegdheid door de IVW onrechtmatig zouden doen zijn, zijn niet of onvoldoende concreet gesteld. Ook al zou op enig moment een verdenking zijn gerezen, dan stond dat niet in de weg aan voortzetting van de uitoefening van controlebevoegdheden in het kader van de naleving van de onderhavige wet. Uit de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte blijkt dat de verdachte zich bewust was van een fout en niettemin vrijwillig de gevraagde informatie is blijven verstrekken. Van een toepassing van dwangmiddelen is niet gebleken."

7. Over toepassing van de - juiste - maatstaf bij de afwijzing van de getuigenverzoeken wordt niet geklaagd.

8. Met betrekking tot de aan te leggen maatstaf bij afwijzing van het verzoek om toevoeging van stukken het volgende. Dit betreft een verzoek om toepassing te geven aan art. 315 Sv, welk artikel ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is. Daarbij diende het hof als maatstaf te hanteren of hem de noodzaak tot toewijzing daarvan was gebleken (vgl. HR 25 januari 2000, LJN AA4575). Tegen de door het hof de facto aangelegde maatstaf wordt niet opgekomen; de steller van het middel verkeert immers in de veronderstelling dat de juiste maatstaf is toegepast. In het oordeel van het hof dat de verdediging met afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in enig belang wordt geschaad ligt besloten dat de noodzaak van het verzochte niet is gebleken dus de toepassing van de ruimere maatstaf behoeft hier nergens toe te leiden.

9. Het eerste middel komt op tegen de begrijpelijkheid van de afwijzing van de verzoeken.

10. Het hof heeft de afwijzing van de verzoeken weliswaar summier gemotiveerd en grotendeels volstaan met het noemen van de maatstaf voor afwijzing (geen verdedigingsbelang), maar indien uit de overwegingen van het hof blijkt dat de aan de verzoeken ten grondslag gelegde redenen in redelijkheid niet van belang zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing, kan dat de begrijpelijkheid van de afwijzing in samenhang gelezen met die desbetreffende overweging ten goede komen (vgl. HR 6 juli 2010, LJN BM4938 (HR 81 RO)).

11. De vier opgegeven redenen tot het horen van getuigen, zoals hiervoor onder 5 samengevat weergegeven, zal ik puntsgewijs en in omgekeerde volgorde bespreken.

12. Voor zover verzocht is de brandweercommandant en de burgemeester te horen over "wat zijn de gevaren, wat zijn de procedures", volstond de afwijzing van het hof aan de hand van het verdedigingsbelang. Ook zonder nadere motivering van de kant van het hof is immers aanstonds duidelijk dat het hier niet iets betreft dat voor enige in de strafzaak te nemen beslissing redelijkerwijs van belang kan zijn, te meer nu de verdediging dit verzoek verder niet heeft onderbouwd. Ditzelfde geldt voor het ter terechtzitting niet nader toegelichte en evenmin onderbouwde verzoek tot toevoeging van stukken "aangaande de planning bij de burgemeester van Zwijndrecht en de regionale brandweer in het kader van de algemene veiligheid en bescherming van de samenleving in het algemeen en terzake van het beleid bij (dreigende) calamiteiten in het bijzonder." Deze verzoeken komen er in feite op neer dat de strafrechter het hele bestuurlijke traject van het goederenvervoerknooppunt "Kijfhoek" naloopt, hetgeen hier niet de taak van strafrechter is.

13. Voor zover de getuigenverzoeken gestoeld zijn op de stelling dat aan de Centrale Meldkamer van de divisie spoorwegpolitie van de KLPD ("CMK") telkens het oponthoud bij vuurwerktransporten is gemeld, dat aldus verzoekster (gedacht) heeft (te hebben) voldaan aan de wettelijke meldingsplicht aan de burgemeester en dat eventueel nalaten van de CMK in de richting van de burgemeester niet aan verzoekster kan worden toegerekend, geldt ten aanzien van de begrijpelijkheid van 's hofs afwijzing (middel I) en de nadere overweging van het hof (middel III) het volgende.

14. De bestreden uitspraak behelst dienaangaande de volgende overwegingen van het hof:

"4. Gelet op het verhandelde ter terechtzitting en de stukken in het dossier, waaronder met name de verklaring in eerste aanleg van de vertegenwoordiger van de verdachte dat de regels door verdachte zo werden geïnterpreteerd dat niet in alle gevallen melding hoefde te worden gedaan, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat de verdachte de stilstand van de treinen telkens bij de CMK van het KLPD heeft gemeld. Ook overigens zijn er geen aanwijzingen dat dergelijke meldingen zijn gedaan. Reeds daarom wordt het verweer verworpen."

15. De door het hof gebezigde bewijsmiddelen houden voorts in dat de burgemeester van Zwijndrecht "geen enkele telefonische, schriftelijke of mondelinge" melding heeft ontvangen omtrent het oponthoud van de treinen met vuurwerk (bewijsmiddel 4), welk gegeven wordt bevestigd door de namens verzoekster afgelegde verklaring in eerste aanleg die als bewijsmiddel 1 tot het bewijs is gebruikt en die inhoudt:

"Het klopt dat onder verantwoordelijkheid van [A] N.V. als spoorwegvervoerder de in de tenlastelegging genoemde acht transporten zijn uitgevoerd in de periode van 29 januari 2008 tot en met 19 augustus 2008. Alle in de tenlastelegging genoemde treinnummers, containernummers en tijdstippen zijn juist. Het betrof telkens transport over de spoorweg met treinen waarvan de treinwagens telkens waren beladen met vuurwerk van klasse 1. De treinen met de treinwagens hebben gedurende de tenlastegelegde tijdsduur telkens stilgestaan op het rangeeremplacement Kijfhoek, in de gemeente Zwijndrecht.

[A] N.V. heeft telkens niet aan de burgemeester van de gemeente Zwijndrecht kennis gegeven of laten geven van die stilstand. [Verdachte] is de rechtsopvolger van [A] N.V."

16. Ook namens verzoekster is derhalve verklaard dat er van het oponthoud van die transporten geen kennis is gegeven aan de burgemeester en dat er ook geen kennis is "laten geven" daarvan; dus ook niet via CMK. Dat ligt ook in de lijn van (een van de) standpunten die verzoekster bij deze strafzaak heeft ingenomen, te weten dat de meldplicht niet geldt indien overeenkomstig de planning gebruik wordt gemaakt van het spoor en daarbij wordt stilgestaan op een voor goederen van klasse 1 geschikt en veilig rangeerterrein en dat bovendien, zodra haar bekend werd dat dit niet klopte, de werkwijze intern is aangepast. Enige nadere onderbouwing waarom de transporten (toch wel) bij het CMK zouden zijn gemeld en dat het horen van de getuigen dus van belang is, had bij deze stand van zaken op de weg van de verdediging gelegen. Met name had moeten worden onderbouwd waarom de andersluidende verklaring van de vertegenwoordiger van verzoekster, [betrokkene 4], manager QSH&Assetmanagement, afgelegd in eerste aanleg (: geen meldingen gedaan), onjuist was. De beslissing van het hof tot afwijzing van het getuigenverzoek bij gebrek aan verdedigingsbelang acht ik dan ook in zoverre, in aanmerking genomen de onderbouwing van de verzoeken, niet onbegrijpelijk, zodat het eerste middel in zoverre faalt. Ook 's hofs nadere overweging dat niet aannemelijk is geworden dat het oponthoud van de transporten telkens is gemeld bij het CMK acht ik in het licht van het voorgaande en de door het hof gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk, zodat het derde middel faalt.

17. Voor zover geklaagd wordt over de begrijpelijkheid van de afwijzing getuigen te horen omtrent het daderschap en de schuldeloosheid van verzoekster, nu zij heeft voldaan aan haar zorgplicht nadat in augustus 2007 bleek van enkele overtredingen van de meldplicht en zij sindsdien contact onderhield met de IVW zodat voortaan geen meldingen meer achterwege zouden blijven (middel I), alsmede voor zover geklaagd wordt over de begrijpelijkheid van 's hofs nadere overweging dienaangaande (middel IV), geldt het volgende.

18. De bestreden uitspraak behelst voor zover hier van belang in de aanvulling met bewijsmiddelen de volgende overweging:

"De raadsman heeft gesteld dat de verdachte uit haar contacten met de IVW erop mocht vertrouwen dat alles in orde was en dat zij alles voldoende had geregeld. Het hof overweegt te dien aanzien dat deze stelling van de raadsman geen steun vindt in het dossier, zodat dit verweer geen doel treft."

19. De stelling is in wezen dat als de getuigen wel hadden kunnen worden ondervraagd, deze stellingen van de verdediging wel aannemelijk zouden worden, zodat de afwijzing van het getuigenverzoek en het oordeel van het hof dat niet aannemelijk is dat verzoekster (erop mocht vertrouwen dat zij) aan haar zorgplicht heeft voldaan niet begrijpelijk is.

20. Ook deze vlieger gaat niet op. Een getuigenverzoek dat op geen enkele wijze wordt gesteund door de stukken in het dossier, dient meer handen en voeten te worden gegeven en derhalve van een nadere en concretere onderbouwing te worden voorzien, alvorens van het hof kan worden gevergd enig belang van het verzoek in te zien. Dat het hof in toewijzing van dit verzoek en in honorering van het gevoerde verweer niet is meegegaan acht ik vanwege het speculatieve karakter van het in zoverre aangevoerde niet onbegrijpelijk. In wezen houdt de klacht niet meer in dan wat in het algemeen tegen ieder afgewezen getuigenverzoek kan worden aangevoerd. De opvatting van de verdediging volgend staat voortaan een onafzienbare rij getuigen op de stoep van het Paleis van Justitie. Ook in zoverre is het eerste middel tevergeefs voorgesteld en datzelfde lot deelt het vierde middel.

21. Voor zover voorts is verzocht om twee verbalisanten, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], als getuigen te horen vanwege de vraag wanneer jegens verzoekster reeds een verdenking was gerezen en of er toen ten onrechte nog gebruik is gemaakt van controle- in plaats van opsporingsbevoegdheden, geldt het volgende.

22. Het hof heeft bij de afwijzing van dit verzoek onder meer overwogen:

"Feiten die de uitoefening van enige bevoegdheid door de IVW onrechtmatig zouden doen zijn, zijn niet of onvoldoende concreet gesteld. Ook al zou op enig moment een verdenking zijn gerezen dan stond dat niet in de weg aan voortzetting van de uitoefening van controlebevoegdheden in het kader van de naleving van de onderhavige wet."

23. Daarmee heeft het hof toereikend gemotiveerd waarom de verdediging redelijkerwijs niet in zijn belangen is geschaad bij afwijzing van het verzoek. De vraag wanneer de verdenking is gerezen is in de onderhavige zaak immers irrelevant voor de uitgeoefende controlebevoegdheden; deze mogen immers ook bij een reeds bestaande verdenking worden uitgeoefend. Wel dienen de rechten die een verdachte bij een strafrechtelijke verdenking toekomen te worden gerespecteerd. Dat deze in casu zijn geschonden wordt niet betoogd, en zo'n betoog zou ook falen, aangezien van verzoekster de uitlevering van verzendlijsten werd gevraagd die onafhankelijk van de wil van verzoekster bestonden, en waarvan het bestaan zeker was.(1)

Ook in zoverre faalt het eerste middel.

24. Het tweede middel klaagt over de motivering van het telkens bewezen verklaarde "oponthoud".

25. Voor zover het middel de klacht behelst dat niet bewezen is dat de treinen langer dan drie uur stil stonden, omdat gedurende die tijd ook nog werd gerangeerd, wordt dit in toereikende mate weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Bewijsmiddel 2 houdt als relaas van een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar in dat [A] NV (van welk bedrijf verzoekster de rechtsopvolgster is) in de bewezenverklaarde periode 84 vuurwerktransporten per spoor heeft uitgevoerd, "waarbij na analyse van de ritgegevens is gebleken dat 49 van deze transporten langer dan drie uur op het rangeeremplacement "Kijfhoek" te Zwijndrecht hadden gestaan." En de tot bewijs gebezigde verklaring van de vertegenwoordiger van verzoekster houdt onder meer in: "De treinen met de treinwagens hebben gedurende de tenlastegelegde tijdsduur telkens stilgestaan op het rangeeremplacement Kijfhoek, in de gemeente Zwijndrecht" (bewijsmiddel 1; mijn cursiveringen, NJ). In zoverre faalt het middel dus.

26. Voorts berust het middel op de opvatting dat het hof gehouden was nader te motiveren waarom het van oordeel was dat hier sprake was van een te melden oponthoud, in het bijzonder waar het een relatief geringe overschrijding van de voorgeschreven drie uur betrof.

27. Deze opvatting vindt geen steun in het recht, zodat het middel ook in zoverre faalt.

28. Het middel komt voorts op tegen het oordeel van het hof dat bij deze transporten sprake was van een oponthoud in de zin der wet.

29. Ten laste van verzoekster is kort gezegd bewezen verklaard dat zij in de periode van 29 januari 2008 tot en met 19 augustus 2008 te Kijfhoek, gemeente Zwijndrecht, meermalen opzettelijk vuurwerk in (open) treinwagens op een rangeeremplacement met een oponthoud van meer dan drie uur heeft laten staan, zonder daarvan kennis te (doen) geven aan de burgemeester van de gemeente Zwijndrecht en aldus in strijd met de bij en krachtens de Wet vervoer gevaarlijke stoffen gegeven voorschriften. Het ging om de volgende acht transporten:

- op 29 januari 2008 met een oponthoud van 3.25 uur;

- op 20 februari 2008 met een oponthoud van 4.12 uur;

- op 28 februari 2008 met een oponthoud van 4.31 uur;

- op 14 april 2008 met een oponthoud van 6.33 uur;

- op 29 en 30 mei 2008 met een oponthoud van 14.07 uur;

- op 25 en 26 juli 2008 met een oponthoud van 14.45 uur;

- op 31 juli 2008 met een oponthoud van 5.26 uur;

- op 19 augustus 2008 met een oponthoud van 5.44 uur.

30. Art. 5 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen luidt als volgt:

"Het is verboden de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, te verrichten ten aanzien van gevaarlijke stoffen en met vervoermiddelen die zijn aangewezen ingevolge artikel 3, onderdeel b, anders dan met inachtneming van de in dat onderdeel bedoelde regels."

31. Ingevolge art. 2, eerste lid onder a is deze wet onder meer van toepassing op vervoer van gevaarlijke stoffen per spoor; art. 3 van deze wet schrijft, voor zover hier van belang, voor:

"Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden gevaarlijke stoffen of categorieën van gevaarlijke stoffen aangewezen, ten aanzien waarvan het verrichten van de handelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid, en het verrichten van deze handelingen met bij of krachtens die maatregel aangewezen vervoermiddelen:

(...)

b. is toegestaan mits de bij of krachtens die maatregel terzake gestelde regels in acht zijn genomen."

32. Ingevolge art. 2 van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen geldt dat deze voorschriften bij ministeriële regeling worden gegeven.

33. De Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen schrijft in art. 1.9.5.2 NE onder 4b (en dus niet 1.9.5.1 waarop een ter terechtzitting in hoger beroep gevoerd verweer zag(2)) het volgende voor:

"Indien enig oponthoud van een wagen, beladen met stoffen of voorwerpen van klasse 1, langer dan drie uur duurt, geeft de vervoerder hiervan kennis aan de burgemeester van de gemeente, waarin het oponthoud plaats heeft, opdat deze de naar zijn oordeel voor de openbare veiligheid nodig geachte maatregelen kan treffen."(3)

34. Uit niets blijkt dat een nadere beperking is gesteld aan het begrip "oponthoud" zoals vervat in dit voorschrift en evenmin dat een beperkte uitleg van dit begrip is beoogd (oponthoud al dan niet volgens de dienstregeling).(4) In het oordeel van het hof ligt besloten dat het is uitgegaan van het gewone spraakgebruik en onder "oponthoud" derhalve heeft verstaan "het ergens verblijven en/of vertraging" (vgl. Van Dale, 14e). Het oordeel van het hof dat daaronder dus tevens de duur is begrepen van het al dan niet geplande verblijf van de treinstellen op een rangeerterrein, getuigt derhalve niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat een beperktere uitleg van "oponthoud" in strijd is met het doel van de regelgeving(5), in het bijzonder met Richtlijn 96/49/EG van 23 juli 1996 die ten grondslag ligt aan deze regelgeving. Met deze EG-richtlijn is beoogd dat er door de lidstaten maatregelen worden getroffen om ervoor te zorgen dat het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor plaatsvindt onder "optimale veiligheidsvoorwaarden" (art. 1 in de Richtlijn). Mede gezien die doelstelling dient de beperkte uitleg van het begrip oponthoud die de steller van het middel voorstaat geen navolging te krijgen, dus het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak telkens sprake was van oponthoud in de zin der wet doorstaat de cassatietoets.

35. Het vijfde middel klaagt dat het hof bewijsmiddel 3 met onvoldoende precisie heeft aangeduid, nu niet blijkt welke van de acht bijlagen het betreft en evenmin de 'status' van dat geschrift.

36. Het desbetreffende bewijsmiddel luidt als volgt:

"Een geschrift, zijnde de bijlage behorend bij het onder 2 genoemde proces-verbaal.(6) Dit houdt in een containeroverzicht van 49 treinen met vuurwerk in de Kijfhoek te Zwijndrecht en bevat onder meer de in de bewezenverklaring genoemde data en containernummers."

37. Anders dan de steller van het middel betoogt, is er maar één bijlage bij het desbetreffende proces-verbaal gevoegd en dat betreft het door het hof in bewijsmiddel 3 aangeduide containeroverzicht.(7) Het hof heeft voorts voldoende specifiek omschreven dat het een geschrift in de zin van art. 344, eerste lid onder 5°, Sv betreft, zodat ook dit middel faalt.

38. Het zesde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is overschreden.

39. Het cassatieberoep is ingesteld op 8 juni 2010. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 18 maart 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden met bijna anderhalve maand is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.

40. Het zevende middel klaagt dat de appèlschriftuur en een schrijven van de raadsman met bijlagen zich niet bevinden bij de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken en dat dit mede gelet op de andere middelen tot cassatie moet leiden.

41. Deze stukken bevinden zich wel in het dossier en het gaat hier om stukken waarvan de griffie ingevolge art. IV, eerste lid, van het Procesreglement(8) mijns inziens niet tot toezending uit eigen beweging aan de raadsman gehouden is. Nu niet is gebleken dat de raadsman ingevolge art. IV, derde lid, van het Procesreglement binnen de in art. 437, tweede lid, Sv genoemde termijn alsnog schriftelijk een verzoek om aanvulling van de stukken heeft ingediend bij de rolraadsheer, kan het middel reeds daarom niet tot cassatie leiden.(9)

42. De voorgestelde middelen, uitgezonderd het zesde middel, lenen zich voor afdoening met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

43. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.

44. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het cassatieberoep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 EHRM 29 juni 2007, O'Holloran & Francis v. U.K., LJN BB3173, NJ 2008, 25 m.nt. Alkema, AB 2008, 234 m.nt. Barkhuijsen en Van Emmerik.

2 Over de verwerping van dat verweer wordt niet geklaagd.

3 Aldus ontleend aan Bijlage 2 bij de Wijziging Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen en Regeling vervoer over de spoorweg van gevaarlijke stoffen, Stcrt. 2008, nr. 130, p. 15, zoals gepubliceerd op www.overheid.nl. De wijziging van deze regeling is weliswaar na de tenlastegelegde en bewezenverklaarde data in werking getreden, maar het gaat om de ten behoeve van de duidelijkheid alsnog integraal opgenomen voorschriften zoals deze in 2007 al golden. Alleen bij andere bepalingen hebben enkele redactionele aanpassingen en kleine correcties in de vertaling plaats gevonden.

4 Ik ben een logistieke leek, maar het lijkt me toch dat de burgemeester niet - en de transporteur wel -de eerst aangewezene is om gevaarlijke transporten op te sporen en met de dienstregeling te vergelijken op geplande "overstand."

5 Vgl. HR 21 september 2004, LJN AP8079, NJ 2004, 641.

6 Dat is: "Het proces-verbaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat met nummer 406/10122008/0930/6065/VSG, d.d. 10 december 2008 opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2]."

7 De steller van het middel lijkt een ander proces-verbaal van de IVW voor ogen te hebben, welk proces-verbaal op 17 november 2008 is opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] en welk proces-verbaal wel acht bijlagen kent.

8 Het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad 2008, Stcrt.147.

9 Vgl. HR 28 juni 2011, LJN BO6704, NJ 2011, 495 m.nt. Borgers.