Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV2942

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
20-03-2012
Zaaknummer
10/02352
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN2160
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV2942
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Klacht over verzuim te beslissen op voorwaardelijk gedaan getuigenverzoek. Het Hof heeft, tegen de achtergrond van hetgeen aan het verzoek tot het (doen) horen van de getuigen ten grondslag is gelegd, kennelijk en niet onbegrijpelijk de voorwaarde waaronder het verzoek is gedaan aldus uitgelegd, dat de raadsman de getuigen wil doen horen indien de verdachte niet zou worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde en de inhoud van de verklaring van X door het Hof redengevend zou worden geacht voor de bewezenverklaring. Nu de verklaring van X door het Hof niet voor het bewijs is gebezigd en blijkens de bewijsvoering de inhoud van die verklaring ook overigens niet redengevend is geacht voor de bewijsvoering, is het oordeel van het Hof dat de aan het getuigenverzoek verbonden voorwaarde niet is vervuld, niet onbegrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/02352

Mr. Vegter

Zitting: 10 januari 2012

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft bij arrest van 26 mei 2010 verdachte wegens "belaging" veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven.

2. Namens verdachte heeft mr. J. van der Stel, advocaat te Dordrecht, beroep in cassatie ingesteld en bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging.

4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij op meerdere tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 02 april 2007 tot en met 10 januari 2008 te Dordrecht wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] met het oogmerk [betrokkene 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft/is hij, verdachte

- [betrokkene 1] veelvuldig (dwingende en/of bedreigende) SMS-berichten gezonden en

- veelvuldig telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 1] en

- zich in de onmiddellijke nabijheid van de woning van [betrokkene 1] opgehouden en

- [betrokkene 1] meermalen hinderlijk gevolgd."

5. Uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat het Hof het volgende heeft vastgesteld. De verdachte is vijf jaren getrouwd geweest met - de eveneens in Dordrecht woonachtige - [betrokkene 1] en is in 2001 van haar gescheiden, terwijl zij samen een dochter ([betrokkene 5]) hebben. Vanaf de datum van die scheiding tot (in ieder geval) eind november 2007 heeft de verdachte haar op de volgende manieren belaagd: hij heeft haar telefonisch lastig gevallen, hij heeft haar veel sms-berichten (in een mix van Turks en Nederlands) en brieven gestuurd, hij is vaak aanwezig geweest in de straat waar [betrokkene 1] woont, hij heeft aangebeld bij haar huis, hij heeft haar (in haar auto) gevolgd, hij is bij de woning van de broer van [betrokkene 1] en bij de woning van haar ouders aan de deur geweest en hij heeft aan hun dochter gevraagd met wie (welke mannen) [betrokkene 1] omgaat. Voorts heeft de verdachte verschillende keren sms-berichten gestuurd aan [betrokkene 1], waaruit volgt dat hij heel vaak wist waar zij was en met wie zij ergens was, waardoor [betrokkene 1] zich continu in de gaten gehouden voelde. Bovendien heeft [betrokkene 1] meermalen duidelijk aangegeven aan de verdachte dat zij geen contact met hem wil en dat zij het niet prettig vindt als hij haar belt of sms't, terwijl de verdachte wist dat zij geen contact met hem wil (bewijsmiddel 1, 2 en 3). Daarnaast heeft [betrokkene 1] verklaard dat zij altijd bang is dat de verdachte haar komt lastigvallen en dat zij zich ernstig belemmerd voelt in het verdergaan met haar leven (bewijsmiddel 3). Tenslotte heeft de verdachte verklaard dat hij een gesprek met haar wil voeren, dat hij boos is omdat [betrokkene 1] niet met hem wil praten en dat zij de voogdij (over hun dochter) aan hem moet geven als zij het niet prettig vindt dat hij haar belt of sms't (bewijsmiddelen 1 en 2).

6. Zoals blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aldaar het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig zijn overgelegde pleitnotitie. De raadsman heeft bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van wederrechtelijkheid, nu de verdachte een eigen - door het recht erkend - belang had bij het contact, te weten het gezags- en omgangsrecht met zijn dochter. Het bestanddeel "stelselmatig" is niet aanwezig, nu er gedurende een korte periode over en weer een twintigtal sms-berichten zijn verzonden, de verdachte niet veelvuldig met [betrokkene 1] telefonisch contact heeft opgenomen, de verdachte zich niet meermalen in de onmiddellijke nabijheid van de woning van [betrokkene 1] heeft opgehouden en hij haar niet meermalen hinderlijk heeft achtervolgd. Voorts heeft de verdachte geen opzet (ook niet in voorwaardelijke zin) gehad op het inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1]. Tenslotte heeft de verdachte niet het vereiste oogmerk gehad om [betrokkene 1] te dwingen iets te doen, iets niet te doen of te dulden dan wel haar vrees aan te jagen.(1)

7. Het Hof heeft in reactie op dit verweer onder het hoofd "gevoerd verweer" geoordeeld dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging van [betrokkene 1] zoals bedoeld in art. 285b Sr, nu de gedragingen van de verdachte - gezien de aard, duur, frequentie en de omstandigheden waaronder deze plaatsvonden - zodanig stelselmatig zijn dat er sprake is van een wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1].

Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen. Op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is genoegzaam komen vast te staan dat de verdachte gedurende een periode van ongeveer negen maanden veelvuldig heeft getracht om met [betrokkene 1] in contact te komen door haar te bellen, (dwingende, bedreigende en/of beledigende) sms-berichten te sturen, zich in de buurt van haar woning te begeven en haar te volgen, in die zin dat hij regelmatig op de hoogte was van het doen en laten van [betrokkene 1]. Bovendien heeft de omstandigheid dat de verdachte wist dat [betrokkene 1] geen contact met hem wilde en hij inmiddels veroordeeld was voor belaging, hem er niet van weerhouden om contact met haar te blijven zoeken.

8. Gelet op de hiervoor onder 5 weergegeven vaststellingen heeft het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte in de periode van 2 april 2007 tot en met 10 januari 2008 te Dordrecht wederrechtelijk, stelselmatig en opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [betrokkene 1] met het oogmerk [betrokkene 1] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen. De in de toelichting op het middel aangevoerde omstandigheden behelzen louter een herhaling van de stellingen die in hoger beroep ter onderbouwing van het tot vrijspraak strekkende verweer naar voren zijn gebracht, terwijl het Hof dit verweer terecht en toereikend gemotiveerd heeft verworpen. Het gestelde in de schriftuur wijst niet aan waarom de door het Hof gegeven beslissing op dit verweer onjuist is of in welk opzicht de motivering van die beslissing onvoldoende zou zijn, doch houdt enkel in dat het Hof deze gegevens "niet althans in onvoldoende mate onderkend (heeft) zodat het recht is geschonden". Aldus wentelt de toelichting zich in het eigen gelijk in plaats van het vermeende ongelijk van het Hof nader te onderbouwen. Derhalve kunnen deze stellingen in cassatie onbesproken blijven.(2)

9. Voor zover aan het slot van de toelichting op het middel nog wordt aangevoerd dat door het Hof geen althans onvoldoende acht is geslagen op voor de verdachte "ontlastende verklaringen van buren van aangeefster", miskent de steller van het middel dat het het Hof gelet op de aan de feitenrechter voorbehouden vrije selectie en waardering van het bewijsmateriaal vrijstond deze verklaringen terzijde te schuiven en de verklaring van [betrokkene 1] betrouwbaar te achten en voor het bewijs te gebruiken.

10. Terzijde kan nog het volgende opgemerkt. De verdachte is reeds eerder bij arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 februari 2008 ter zake van onder meer belaging van zijn ex-vrouw [betrokkene 1] (gepleegd in de periode 1 januari 2003 tot en met 27 februari 2007) veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen dit arrest bij arrest van 16 februari 2010, nr. 08/03151 (niet gepubliceerd, art. 81 RO) verworpen. Het in die zaak - eveneens door mr. J. van der Stel - ingediende eerste middel komt in grote lijnen overeen met het onderhavige middel.

11. Het middel faalt.

12. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen omtrent het door de raadsman van de verdachte gedane (voorwaardelijke) getuigenverzoek.

13. De door de raadsman van de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotitie houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

"Voor zover en indien uw Hof het beroep op vrijspraak niet zou honoreren, wenst cliënt in het belang van zijn verdediging dat aangeefster, getuige [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen worden gehoord over het verloop van het gesprek in mei 2007 en de aanwezigheid van [betrokkene 2] bij het gesprek."(3)

14. Dit op de terechtzitting in hoger beroep voorwaardelijk gedane verzoek van de raadsman om [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] (de broer van de verdachte) en [betrokkene 4] (de vrouw van de broer van de verdachte) als getuigen te horen, is een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv in verbinding met art. 331, eerste lid, Sv en art. 415, eerste lid, Sv, terwijl de aan dat verzoek verbonden voorwaarde is het vervuld (het Hof heeft het tot vrijspraak strekkende verweer verworpen en het tenlastegelegde feit bewezen verklaard). In aanmerking genomen dat in eerste aanleg na 1 januari 2005(4), te weten op 6 mei 2008, uitspraak is gedaan terwijl namens de verdachte hoger beroep is ingesteld en gelet op de omstandigheid dat voornoemde getuigen niet bij appelschriftuur door de verdachte zijn opgegeven, is de maatstaf voor de beoordeling van dit verzoek ingevolge art. 418, derde lid, Sv of de noodzaak daarvan is gebleken.(5)

15. Het hiervoor bedoelde verzoek is een verzoek waaromtrent de rechter ingevolge art. 330 Sv op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing moet geven. Noch het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep noch het bestreden arrest houden een zodanige beslissing in. Het middel klaagt daarover terecht(6)

16. Op grond van het navolgende behoeft dit evenwel niet tot cassatie te leiden. De raadsman heeft ter onderbouwing van het verzoek enkel aangevoerd dat hij [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen wenst te horen over het verloop van het gesprek in mei 2007 en de aanwezigheid van [betrokkene 2] bij dat gesprek. Dit verzoek is kennelijk gedaan in het verlengde van hetgeen de raadsman van de verdachte in zijn pleitnotitie onder het hoofd "feiten" heeft aangevoerd. Daarin wordt betoogd dat [betrokkene 2] niet bij het gesprek tussen de verdachte en [betrokkene 1] aanwezig is geweest, dat de verklaring van [betrokkene 2] is te bestempelen als vaag, dat de verdachte de juistheid van de verklaring van [betrokkene 2] in twijfel trekt, dat bij het gesprek enkel de verdachte, [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 4] aanwezig zijn geweest, dat het gesprek (anders dan [betrokkene 2] heeft verklaard) niet ging over de omgang (tussen de verdachte en zijn dochter) maar over de vraag of de verdachte zich weer met [betrokkene 1] wilde verzoenen en dat [betrokkene 1] de afspraken over de omgangsregeling zonder overleg eenzijdig heeft gewijzigd.(7) Ter onderbouwing van deze stellingen heeft de raadsman op de terechtzitting in hoger beroep een schriftelijke verklaring van [betrokkene 3] en [betrokkene 4] overgelegd.

17. Het Hof heeft de op 4 december 2007 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 2](8) evenwel niet voor het bewijs gebezigd. Voorts volgt uit de hiervoor onder 5 weergegeven vaststellingen van het Hof dat het in mei 2007 gehouden gesprek tussen (in ieder geval) de verdachte en [betrokkene 1] geen enkele rol heeft gespeeld in de bewijsconstructie. In de voor het bewijs gebezigde - op 12 november 2007 bij de politie afgelegde - verklaring van [betrokkene 1] (bewijsmiddel 3) wordt weliswaar kort gerefereerd aan dit gesprek maar in dat onderdeel van de verklaring wordt niet ingegaan op de aanwezigheid van [betrokkene 2] bij het gesprek noch op de bedoeling van het gesprek.(9) Het onderdeel van haar verklaring waarin zij daar wel iets over zegt, heeft het Hof niet voor het bewijs gebruikt.(10) Bovendien is voornoemd gesprek evenmin van belang geweest voor enige andere door het Hof genomen beslissing. Gelet hierop heeft de verdachte geen in rechte te respecteren belang bij de klacht dat het Hof niet uitdrukkelijk heeft beslist omtrent het getuigenverzoek van de raadsman.(11)

18. Het tweede middel is weliswaar terecht voorgesteld maar behoeft niet tot cassatie te leiden. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

19. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Pleitnotitie in hoger beroep, p. 4 (nummer 2.1).

2 Vgl. Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e, p. 172, HR 2 maart 1999, NJ 1999/739, m.nt. JdH, rov. 5 en HR 16 april 1996, DD 96.266.

3 Pleitnotitie in hoger beroep, p. 4 (nummer 2.2).

4 Art. V, tweede lid, (overgangsbepaling) van de wet van 10 november 2004 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, het Wetboek van Strafrecht en de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 579), in verbinding met het besluit van 9 december 2004 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van voornoemde wet (Stb. 640).

5 Vgl. HR 19 juni 2007, LJN AZ1702, NJ 2007/626, m.nt. Pme, rov. 3.2.5.

6 Vgl. HR 28 juni 2011, LJN BQ3742, HR 13 april 2010, LJN BL4055, HR 30 juni 2009, LJN BI4073, HR 9 juni 2009, LJN BI0505, HR 24 juni 2008, LJN BD0429, HR 16 oktober 2007, LJN BB2968, NJ 2007/570, HR 17 april 2007, LJN AZ7120, NJ 2007/251 en HR 31 januari 2006, LJN AU5632.

7 Pleitnotitie in hoger beroep, p. 2-3 (nummer 1.8).

8 Proces-verbaal van verhoor van politie van 13 december 2007, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. [Betrokkene 2] heeft onder meer verklaard dat de insteek van het gesprek was dat de verdachte zijn dochter wilde zien.

9 Het desbetreffende onderdeel van bewijsmiddel 3 luidt als volgt: "Op 2 mei 2007 had ik een gesprek met [verdachte], in aanwezigheid van een aantal familieleden, waarin hij meteen begon met beschuldigingen aan mijn adres. Hij vertelde mij dat ik mannen ontmoet in mijn huis. Hij vertelde mij ook dat hij 's ochtends vroeg om 06:00 uur een man uit mijn portiek heeft zien komen. Hij wil weten van iedereen met wie ik omga".

10 De onderliggende verklaring van [betrokkene 1] (proces-verbaal van aangifte van politie van 13 november 2007, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 3]) houdt dienaangaande onder meer het volgende in: "Sinds mei 2007 heb ik toch weer toegestaan dat hij [betrokkene 5] weer om het weekend ziet. Na een gesprek met de buurtagent [verbalisant 4] en kort daarop een gesprek met enkele leden van zowel zijn als mijn familie heb ik dat besloten. Ook speelde het een grote rol dat ik bang was dat hij anders [betrokkene 5] zou ontvoeren of continu lastig zou vallen op het schoolplein of tijdens het buiten spelen. Ik vond dit ook een rot situatie voor mijn dochter. [Verdachte] is toch haar vader. Het gesprek met aanwezigheid van een aantal familieleden was op 2 mei 2007. Ik wilde graag de familie erbij, omdat ik me niet veilig voelde als ik alleen met hem zou praten. We hebben gesproken met zijn broer, zijn schoonzus en mijn nichtje erbij. Zij is getuige in deze zaak. Haar naam is [betrokkene 2]. In het gesprek begon hij meteen met beschuldigingen aan mijn adres en vertelde me dat hij eindelijk rust in zijn leven wilde, alsof ik degene ben die hem lastig heeft gevallen. Toen ik aangaf dat ik mee wil werken in de omgang van hem en zijn kind op voorwaarde dat hij niets meer zal zeggen over mij tegen [betrokkene 5]; dat [verdachte] haar niet meer zal ondervragen of ik omgang heb met mannen; dat [verdachte] geen gemene dingen tegen haar zegt over mij, bijvoorbeeld dat ik haar alleen laat als ze in bed ligt; en dat hij zich niet meer met [mijn] leven zal bemoeien. Kortom dat hij mijn dochter niet zou belasten met zijn frustraties en obsessie voor mij. Ik vroeg hem of hij niet kon inzien dat dit zijn kind psychische problemen zou kunnen veroorzaken en dat dit zijn kind verdriet zou doen. Hij begon hierop weer zijn afkeer over mij te uiten. Hij vertelde mij dat ik mannen ontmoet in mijn huis als [betrokkene 5] slaapt. Hij vertelde mij ook dat hij 's ochtends vroeg om 6.00 uur een man uit mijn portiek heeft zien komen. Hij wil weten van iedereen met wie ik omga."

11 Zie HR 17 februari 2009, LJN BG6557 (art. 81 RO, conclusie onder 6 t/m 17; niet beslist op het verzoek om een deskundige op te roepen teneinde deze te horen omtrent de uitgevoerde enkelvoudige spiegelconfrontaties, terwijl de resultaten van deze spiegelconfrontaties door het Hof niet voor het bewijs zijn gebezigd) en HR 7 oktober 2008, LJN BD7257, NJ 2008/542, rov. 4.3.2 (niet beslist op het verzoek om getuigen te horen over de werking van een radarontvangstapparaat, terwijl voor de strafrechtelijke betekenis van de overtreding van het Voertuigreglement niet van belang is of dit apparaat ten tijde van het constateren van de overtreding daadwerkelijk functioneerde). Vgl. andere gevallen waarin de verdachte geen in rechte te respecteren belang heeft bij de klacht dat het Hof niet uitdrukkelijk heeft beslist omtrent een gedaan verzoek: HR 16 november 2010, LJN BN0008, NJ 2011/355, m.nt. YB, HR 13 januari 2009, LJN BG4829, NJ 2009/60, rov. 2.5, HR 11 maart 2008, LJN BC4460, NJ 2008/174, HR 5 juli 2005, LJN AT5727, NJ 2005/366, HR 9 september 2003, LJN AF8779, NJ 2003/726, rov. 3.7, HR 12 maart 2002, LJN AD8903, NJ 2002/448, rov. 5.4 en HR 3 juli 2001, LJN ZD2788, NJ 2001/535.