Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV2912

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
30-03-2012
Zaaknummer
11/03059
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV2912
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 81 RO. Verzoek vaststelling Nederlanderschap minderjarige. Bewijs huwelijk ouders door huwelijksakte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/510
JWB 2012/180

Conclusie

11/03059

mr. Keus

Zitting 3 februari 2012

Conclusie inzake:

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

tegen

de Staat der Nederlanden,

Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst

(hierna: IND)

verweerder in cassatie

In deze zaak, waarin de wettelijk vertegenwoordiger van [verzoeker] vaststelling van het Nederlanderschap van [verzoeker] heeft verzocht, gaat het om het oordeel van de rechtbank dat het bestaan van een vóór de geboorte van [verzoeker] in Egypte gesloten huwelijk tussen zijn moeder en zijn ten tijde van die geboorte Nederlandse vader door overlegging van een huwelijksakte dient te worden aangetoond.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 [Verzoeker] is geboren op [geboortedatum] 1992. Volgens afschrift van de geboorteregistratie luidt zijn voornaam [voornaam] en is hij geboren in [geboorteplaats] als zoon van [de vader], van Egyptische nationaliteit, en [de moeder], eveneens van Egyptische nationaliteit. Bij koninklijk besluit van 11 september 1992, nummer 92.008445, is het Nederlanderschap verleend aan [de vader], met bepaling dat zijn geslachtsnaam wordt vastgesteld als "[de vader]" en dat zijn voornamen "[de vader]" zullen luiden. Bij akte van erkenning, opgemaakt door het plaatsvervangend hoofd van de consulaire post van de Nederlandse ambassade in Cairo op 14 juli 2003, is [verzoeker] erkend door [de vader] (hierna: [de vader]).

1.2 In zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de op dat moment nog minderjarige [verzoeker] heeft [de vader], wonende te Utrecht, op 9 december 2008 een verzoekschrift bij de rechtbank 's-Gravenhage(2) ingediend waarin hij de rechtbank verzoekt het Nederlanderschap van [verzoeker] vast te stellen. Aanvullingen op het verzoekschrift zijn ontvangen bij brieven van 17 december 2009 en 5 november 2010. IND heeft bij brief van 14 juli 2010 geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Bij eerdere brieven van 13 januari 2009 en 17 februari 2009 heeft IND de rechtbank verzocht bij verzoeker nadere stukken op te vragen.

1.3 Nadat de mondelinge behandeling van het verzoekschrift op 10 februari 2011 had plaatsgehad, heeft de rechtbank bij beschikking van 7 april 2011 het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de ouders van [verzoeker] ten tijde van zijn geboorte met elkaar waren gehuwd. Het overgelegde en in 2002 (van de bekrachtiging van het huwelijk) opgemaakte huwelijkscertificaat, dat vermeldt dat het echtpaar op 31 januari 1992 officieel in de huwelijkse staat is verbonden door een ma'zoun (ambtenaar), maar dat niet aangeeft hoe de opsteller van het certificaat de voltrekking van dat huwelijk heeft vastgesteld, en het feit dat de gemeente Utrecht het huwelijk als gesloten op 31 januari 1992 in de registers van de burgerlijke stand heeft opgenomen, heeft de rechtbank onvoldoende bewijs geacht (rov. 3.2-3.3). Ook de erkenning van [verzoeker] door [de vader] op 14 juli 2003 kan volgens de rechtbank niet tot verkrijging van het Nederlanderschap door [verzoeker] leiden, aangezien niet is gesteld of gebleken dat is voldaan aan de sinds 1 april 2003 geldende aanvullende eis dat het erkende kind gedurende een onafgebroken periode van drie jaar na de erkenning door de vader is verzorgd en opgevoed (rov. 3.4).

1.4 Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] tijdig en regelmatig beroep in cassatie ingesteld(3). IND heeft een verweerschrift ingediend en daarin tot verwerping van het cassatieberoep geconcludeerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 [Verzoeker] heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel klaagt over schending van art. 5 lid 1 Wet conflictenrecht huwelijk(4) en art. 121 Grondwet. Daartoe roept het middel in de herinnering dat de rechtbank in rov. 3.3 heeft overwogen dat het bestaan van een huwelijk door overlegging van een huwelijksakte dient te worden aangetoond en dat, aangezien een akte ontbreekt, niet is komen vast te staan dat de ouders van [verzoeker] ten tijde van zijn geboorte waren gehuwd. Het middel memoreert het internationale karakter van de zaak: het gestelde huwelijk werd op 31 januari 1992 in Egypte voltrokken tussen een man van Egyptische nationaliteit en een vreemdelinge (een Palestijnse, niet als zodanig erkend), wonende in Egypte, waarna de echtgenoot (de vader van [verzoeker]) de Nederlandse nationaliteit verkreeg. Volgens het middel heeft de rechtbank zich van het internationale karakter geen rekenschap gegeven, nu zij voor het aannemen van de rechtsgeldigheid van het huwelijk het bestaan van een akte zonder meer als conditio sine qua non heeft gesteld. Het middel betoogt dat ingevolge art. 5 lid 1 Wet conflictenrecht huwelijk de rechtsgeldigheid van een buiten Nederland gesloten huwelijk dient te worden beoordeeld naar het recht van de staat waar de huwelijksvoltrekking plaatsvond. Een huwelijk dat rechtsgeldig is naar het recht van het land van huwelijksvoltrekking, wordt in Nederland erkend. De rechtbank heeft, nog steeds volgens het middel, nagelaten tot uitdrukking te brengen welke de inhoud is van het Egyptische recht dat haar tot het gegeven oordeel heeft gebracht. Het middel concludeert dat de rechtbank, door te beslissen dat voor het bestaan van een huwelijk een akte nodig is, zonder daarbij aan te geven op grond van welke wetsbepaling zij tot haar oordeel is gekomen, haar beschikking niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.

2.2 In rov. 3.3 heeft de rechtbank als volgt overwogen:

"3.3 De rechtbank overweegt dat het bestaan van een huwelijk aangetoond dient te worden door overlegging van een huwelijksakte. Ter zitting heeft [de vader] verklaard dat hij op 31 januari 1992 in Cairo bij een notaris is geweest en dat hij aldaar een document heeft ondertekend. Het ligt op de weg van [verzoeker] om het bestaan van het huwelijk aan te tonen. [verzoeker] heeft echter geen afschrift overgelegd van het document dat door [de vader] bij de huwelijksvoltrekking is ondertekend. Het door hem overgelegde huwelijkscertificaat uit 2002 is onvoldoende om te kunnen concluderen dat op 31 januari 1992 tussen zijn ouders een rechtsgeldig huwelijk is gesloten. In dat certificaat wordt weliswaar gemeld dat het echtpaar officieel in de huwelijkse staat is verbonden op 31 januari 1992 door een ma'zoun, maar wordt niet aangegeven hoe de opsteller van het certificaat de voltrekking van dat huwelijk heeft vastgesteld. Het feit dat de gemeente Utrecht het huwelijk als zijnde gesloten op 31 januari 1992 in de registers van de burgerlijke stand heeft opgenomen vormt evenmin bewijs van het bestaan van dat huwelijk. Ter zitting heeft de advocaat van [verzoeker] verklaard niet over verdere bewijsmiddelen te beschikken. De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat niet vast is komen te staan dat de ouders van [verzoeker] ten tijde van zijn geboorte met elkaar waren gehuwd."

2.3 Het middel mist feitelijke grondslag voor zover het klaagt dat de rechtbank "voor het aannemen van de rechtsgeldigheid van het huwelijk, het bestaan van een akte zonder meer als conditio sine qua non heeft gesteld". In de bestreden rechtsoverweging heeft de rechtbank niet zozeer de rechtsgeldigheid van het gestelde huwelijk, als wel het bestaan daarvan in twijfel getrokken. Na te hebben overwogen dat het bestaan van een huwelijk dient te worden aangetoond door overlegging van een huwelijksakte en dat (naar in cassatie overigens niet is bestreden) het op de weg van [verzoeker] ligt om het bestaan van het huwelijk aan te tonen, heeft de rechtbank immers geoordeeld dat het overgelegde huwelijkscertificaat uit 2002 daartoe onvoldoende is nu uit dat certificaat niet blijkt hoe de opsteller daarvan de voltrekking van dat eerdere huwelijk heeft vastgesteld, dat de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand evenmin bewijs van het bestaan van dat huwelijk vormt en dat, nu de advocaat van [verzoeker] heeft verklaard niet over verdere bewijsmiddelen te beschikken(5), derhalve niet is komen vast te staan dat de ouders van [verzoeker] ten tijde van zijn geboorte met elkaar waren gehuwd. In zoverre kan het middel niet slagen.

2.4 Aan het bestreden oordeel (en in het bijzonder aan de overweging "dat het bestaan van een huwelijk aangetoond dient te worden door overlegging van een huwelijksakte") ligt kennelijk de veronderstelling ten grondslag dat (ook) ingevolge het recht van Egypte van de huwelijksvoltrekking een akte wordt opgemaakt. Ook voor zover het middel (mede) tegen die veronderstelling is gericht, kan het niet tot cassatie leiden.

Tegen een uitleg van buitenlands recht zoals kennelijk aan het bestreden oordeel ten grondslag ligt, kan weliswaar met motiveringsklachten worden opgekomen, maar daarbij geldt als ijkpunt dat de door de feitenrechter aan het vreemde recht gegeven uitleg diens beslissing moet kunnen verklaren en dat de feitenrechter bij de vaststelling en de uitleg van het buitenlandse recht niet zonder meer aan de standpunten van partijen mag voorbijgaan(6). De kennelijke opvatting dat (ook) ingevolge het recht van Egypte van de huwelijksvoltrekking een akte wordt opgemaakt, kan het oordeel dat [verzoeker] het bestaan van het gestelde huwelijk (in beginsel(7)) door overlegging van een huwelijksakte dient aan te tonen, verklaren. Voorts was in het licht van het partijdebat ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk dat het hof de bedoelde opvatting was toegedaan. Terwijl IND ten overstaan van de rechtbank heeft aangevoerd dat "(i)n Egypte (...) van elk huwelijk drie akten (worden) verstrekt: een voor de instantie, een voor de bruidegom en een voor de bruid"(8), heeft [verzoeker] zich niet op het standpunt gesteld dat ingevolge het recht van Egypte géén akte van de voltrekking van het gestelde huwelijk is en behoefde te worden opgemaakt. Veeleer het tegendeel is het geval: zoals de rechtbank in rov. 3.3 (in cassatie onbestreden) heeft gereleveerd, "heeft [de vader] (ter zitting) verklaard dat hij op 31 januari 1992 in Cairo bij een notaris is geweest en dat hij aldaar een document heeft ondertekend." Het is dat document waarvan [verzoeker] volgens de rechtbank een afschrift had moeten overleggen om het bestaan van het gestelde huwelijk aan te tonen: "[verzoeker] heeft echter geen afschrift overgelegd van het document dat door [de vader] bij de huwelijksvoltrekking is ondertekend."

2.5 Bij dit alles zou nog de vraag kunnen rijzen welke de betekenis is van het overgelegde huwelijkscertificaat van 25 juli 2002 en de daarin (volgens de vertaling) voorkomende vermeldingen:

"Beide partijen drukken hun wens uit, dat zij hun huwelijk bekrachtigen.

(...)

Het echtpaar is officieel in de huwelijkse staat verbonden op 31 januari 1992 door een ma'zoun (ambtenaar).

(...)

Dit huwelijk wordt bekrachtigd door de aanwezigheid van het echtpaar nadat het duidelijk is dat zij noch legale noch religieuze obstakels hebben die het huwelijk zouden kunnen verhinderen. En nadat zij een identiteits bewijs hebben overhandigd waardoor aangetoond wordt dat zij de legale leeftijd voor het huwelijk hebben bereikt.

(...)"

De klacht van het middel betreft echter het oordeel dat het gestelde huwelijk met een huwelijksakte moet worden aangetoond. Zij strekt niet ten betoge dat het overgelegde huwelijkscertificaat van 25 juli 2002 (ook) met betrekking tot de gestelde huwelijksvoltrekking op 31 januari 1992 als zodanige, door de rechtbank bedoelde huwelijksakte heeft te gelden, en/of dat met de uit dat certificaat blijkende bekrachtiging van het op 31 januari 1992 voltrokken huwelijk (ook) het bestaan van dat eerdere huwelijk genoegzaam is aangetoond(9).

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Rov. 3.1 van de bestreden beschikking.

2 Vgl. art. 17 (oud) Rijkswet op het Nederlanderschap.

3 Op grond van art. 18 lid 2 Rijkswet op het Nederlanderschap staat van de beschikking uitsluitend beroep in cassatie open. De bestreden beschikking dateert van 7 april 2011; het verzoekschrift is op 7 juli 2011 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

4 Per 1 januari 2012 is de betrokken bepaling nagenoeg ongewijzigd als art. 10:31 in het BW opgenomen. Zie voor een overzicht van deze (her)codificatie M.V. Polak, Though this be madness, yet there is method in 't, Ars Aequi 2011, p. 274-282.

5 Uit de relevantie die de rechtbank heeft toegekend aan de omstandigheid dat [verzoeker] niet over "verdere bewijsmiddelen" beschikt, kan intussen worden afgeleid, dat, anders dan de bewoordingen van de eerste volzin van rov. 3.3 zouden kunnen doen vermoeden, de rechtbank andere bewijsmiddelen dan een huwelijksakte niet heeft uitgesloten.

6 Zie onder meer conclusie A-G Vlas voor HR 24 december 2010, LJN: BO3528, NJ 2011, 18, onder 2.6.

7 De rechtbank heeft andere bewijsmiddelen niet uitgesloten; zie voetnoot 5.

8 Zie onder meer de brief van IND aan de rechtbank van 14 juli 2010, p. 5 onder 1 (tweede voorkomen).

9 Zie over de erkenning van huwelijken die met terugwerkende kracht geldig zijn verklaard T&C Personen- en familierecht (2010), art. 5 Wet conflictenrecht huwelijk, aant. 2 (A.P.J.M. Vonken); S.W.E. Rutten, Huwelijk en burgerlijke stand (2011), p. 86-88; hof 's-Gravenhage 1 april 2009, LJN: BI3841, JPF 2009, 129.