Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV1433

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
11/02688
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2011:BQ5536
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV1433
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Belgische solidariteitsbijdrage. Artikel 4, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 2002. Titel II van de Verordening nr. 1408/71.

Geen premie voor de Nederlandse volksverzekeringen verschuldigd over Belgisch overlevingspensioen aangezien dit pensioen in België is onderworpen aan premieheffing. Dat geldt ook als in België vanwege de beperkte hoogte van het (pensioen)inkomen geen solidariteitsbijdrage op het pensioen is ingehouden.

Titel II van de Verordening nr. 1408/71 is niet van toepassing nu belanghebbende niet zelf als werknemer of zelfstandige werkzaam is of is geweest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2012, 1491 met annotatie van Fijen
V-N Vandaag 2012/199
V-N 2012/19.20 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2012/1390
V-N 2012/31.22
BNB 2012/215 met annotatie van P. Kavelaars
Belastingadvies 2012/17.11
FutD 2012-0177
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 11/02688

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. C.W.M. VAN BALLEGOOIJEN

ADVOCAAT-GENERAAL

Derde kamer B

Premie volksverzekeringen 2003 en 2004

Conclusie van 21 december 2011 inzake:

Staatssecretaris van Financiën

tegen

X

en vice versa

1. Feiten en loop van het geding

1.1. X (hierna: belanghebbende) is in 1941 geboren. Zij is weduwe, heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Nederland. Haar echtgenoot was grensarbeider en als vrachtwagenchauffeur werkzaam voor een in België gevestigde werkgever. In 2003 kwam hij door een verkeersongeval om het leven. Belanghebbende is zelf nimmer in België werkzaam geweest.

1.2 Belanghebbende heeft in de jaren 2003 en 2004 van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: SVB) een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (hierna: Anw) ontvangen van respectievelijk € 7.155 en € 7.481. Zij ontving in die jaren ook een overlevingspensioen voor nagelaten betrekkingen van de Belgische Rijksdienst voor Pensioenen (hierna: RVP) van respectievelijk € 9.353 en € 9.947. Wijlen haar echtgenoot had bij leven premies betaald voor dit recht op overlevingspensioen. De RVP houdt ten laste van de gerechtigden een solidariteitsbijdrage af op hun overlevingspensioen. In het jaar 2003 bedroeg het overlevingspensioen van belanghebbende echter minder dan de franchise voor afhouding van de solidariteitsbijdrage. In het jaar 2004 was op haar overlevingspensioen een solidariteitsbijdrage afgehouden van € 35,52. In 2003 waren de overige uitkeringen van belanghebbende een pensioen van het ABP van € 2.547 en een pensioen van PVF Achmea van € 530. In 2004 genoot zij nog een pensioen van AEGON van € 306. In 2003 had belanghebbende een aftrek in verband met een eigen woning van € 288 en een persoonsgebonden aftrek van € 2.277. In 2004 had zij een aftrek in verband met haar eigen woning van € 231.

1.3 Een medewerker van de Belgische Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid schreef in een e-mail van 23 november 2007 in antwoord op vragen van de Inspecteur(1) over de solidariteitsbijdrage:

De solidariteitsbijdrage wordt op alle Belgische pensioenen afgehouden ongeacht nationaliteit en verblijfplaats van de gerechtigde. Toch mag er sinds 1 augustus 2006 totaal geen rekening meer gehouden worden met de buitenlandse pensioenen om deze solidariteitsbijdrage te berekenen (voordien beïnvloedde het buitenlands pensioen het inhoudingspercentage).

(...) binnen de Europese Unie is de gerechtigde op verschillende pensioenen, waarvan er één uitgekeerd wordt door de Staat waar hij/zij verblijft, voor de geneeskundige verzorging door deze Staat verzekerd.

(...) de solidariteitsbijdrage werd ingevoerd voor meer solidariteit en evenwicht tussen de pensioenuitgaven, opdat de hoogste pensioenen zouden bijdragen tot de betaling van de laagste pensioenen. De inhouding wordt inderdaad slechts op de hoogste pensioenen geleidelijk uitgevoerd.

1.4 Belanghebbende heeft in haar aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2003 en 2004 om vrijstelling van premie volksverzekeringen verzocht. De Inspecteur heeft die vrijstelling niet verleend en voor het jaar 2003 een aanslag in de premie volksverzekeringen (hierna: aanslag 2003) opgelegd naar een premie-inkomen van € 17.020 en voor het jaar 2004 één naar een premie-inkomen van € 17.503 (hierna: aanslag 2004). Belanghebbende heeft tegen beide aanslagen bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de aanslagen gehandhaafd bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar.

1.5 Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar bij Rechtbank 's-Gravenhage(2) (hierna: de Rechtbank) beroep ingesteld. De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij Gerechtshof 's-Gravenhage(3) (hierna: het Hof). Het Hof heeft de hoger beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de Rechtbank alsmede de uitspraken op bezwaar vernietigd en de aanslagen 2003 en 2004 verminderd.

2. Geschil

Rechtbank

2.1 De Rechtbank omschrijft het geschil:

3.1 In geschil is of het wettelijk overlevingspensioen voor nagelaten betrekkingen (hierna: het Belgisch overlevingspensioen) waarop in België vanaf 2004 de wettelijke solidariteitsbijdrage is ingehouden terecht is betrokken in de grondslag voor de heffing van premie volksverzekeringen in Nederland.

2.2 Belanghebbende draagt primair aan dat het overlevingspensioen niet tot het premie-inkomen behoort waarover Nederland premie volksverzekeringen heft. De Rechtbank overweegt over deze primaire stelling:

4.2 De vraag die (...) moet worden beantwoord is of het Belgisch overlevingspensioen in België is onderworpen aan een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden. Vaststaat dat op het pensioen in België een solidariteitsbijdrage is ingehouden. De rechtbank is van oordeel dat deze solidariteitsbijdrage, die overigens pas vanaf het jaar 2004 is geheven, niet is aan te merken als een premieheffing krachtens een wettelijke regeling voor uitkeringen bij ouderdom en overlijden. De solidariteitsbijdrage is immers ingevoerd om meer solidariteit en evenwicht tussen de pensioenuitgaven te bewerkstelligen. Tegenover de heffing staat geen individuele tegenprestatie in de vorm van verzekering tegen ziektekosten, ouderdom of overlijden of iets degelijks. (...).

2.3 Belanghebbende draagt subsidiair aan dat het overlevingspensioen ingevolge Verordening (EEG) nr. 1408/71 van 14 juni 1971(4) (hierna: Vo 1408/71) niet tot de grondslag voor heffing van premie volksverzekeringen behoort, en dat de premieheffing in strijd is met artikel 39 EG-Verdrag. De Rechtbank overweegt:

4.4 (...). Anders dan (...) [belanghebbende] meent is artikel 17bis, evenals de andere bepalingen van titel II van de Verordening (...) slechts van toepassing op personen die grensoverschrijdende activiteiten hebben verricht. Nu (...) [belanghebbende] zelf nimmer grensoverschrijdende activiteiten heeft verricht, kan haar beroep op artikel 17bis, evenals een beroep op andere artikelen van titel II van de Verordening reeds hierom niet slagen.

4.5 Van strijdigheid met (...) artikel 39 van het EG-Verdrag (...) is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. Voor een geslaagd beroep op artikel 39 van het EG-Verdrag dient sprake te zijn van grensoverschrijdende activiteit. Reeds omdat (...) [belanghebbende] niet in België heeft gewerkt, is van een grensoverschrijdende activiteit geen sprake.

2.4 Belanghebbende draagt meer subsidiair aan dat heffing van premie volksverzekeringen in strijd is met de arresten Sehrer(5), Nikula(6) en Noij(7) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJ EG). De Rechtbank overweegt over het arrest Sehrer:

4.6 (...). In het Sehrer-arrest (...) is geoordeeld dat artikel 39 EG-Verdrag eraan in de weg staat dat een lidstaat de bijdragen of premies voor de ziektekostenverzekering van een onder zijn wetgeving vallende gepensioneerde werknemer berekent op de grondslag van het brutobedrag van het aanvullende pensioen dat die werknemer uit hoofde van een collectieve overeenkomst uit een andere lidstaat ontvangt, zonder er rekening mee te houden dat een deel van het brutobedrag van dat pensioen reeds in de andere staat is ingehouden als bijdrage aan de ziektekostenverzekering. Nu de door (...) [belanghebbende] betaalde solidariteitsbijdrage niet ziet op een bijdrage voor een ziektekostenverzekering, verwerpt de rechtbank (...) dit beroep.

De Rechtbank overweegt over het arrest Nikula:

4.7 De rechtbank verwerpt eveneens het beroep van (...) [belanghebbende] op het Nikula-arrest (...). Dit arrest ziet namelijk op de toepassing van artikel 33 van de Verordening. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om bijdragen of premies te heffen indien in een andere lidstaat reeds eerder bijdragen werden betaald om de kosten van verstrekkingen te dekken. Deze situatie is echter niet op (...) [belanghebbende] van toepassing. (...) [Belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat op het Belgische overlevingspensioen, naast de solidariteitsbijdrage, een inhouding voor ziektekosten heeft plaatsgevonden. Voorts is niet aannemelijk geworden dat van (...) [belanghebbende] in het verleden premies voor ziektekosten zijn geheven ter dekking van de ziektekosten die zich (mogelijk zullen) voordoen als men een pensioen geniet.

De Rechtbank overweegt over het arrest Noij:

4.8 De rechtbank verwerpt het beroep op het Noij-arrest (...) eveneens. Uit de zaak Noij blijkt dat het EG-recht eraan in de weg staat dat in de woonstaat wegens het enkele feit dat dit de woonstaat is, premies worden verlangd voor de verplichte verzekering ter dekking van de kosten van prestaties die ten laste van een orgaan van een andere lidstaat komen. Nu (...) [belanghebbende] verzekerd is ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen, komt de rechtbank aan toepassing van het Noij-arrest derhalve niet meer toe.

2.5 De Rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Hof

2.6 Het Hof omschrijft het geschil:

4.1. Tussen partijen is in geschil of over het door belanghebbende genoten Belgisch overlevingspensioen terecht Nederlandse premies voor de volksverzekeringen zijn geheven (...).

2.7 Het Hof onderzoekt eerst of belanghebbende verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen ingevolge artikel 6 Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) en artikel 6 Wet financiering volksverzekeringen (hierna: Wfv). Het gaat daarna in op artikel 4 Uitvoeringsregeling premieheffing volksverzekeringen 2002 (hierna: URPV 2002)(8). Het overweegt:

7.3. Belanghebbende is woonachtig in Nederland en is uit dien hoofde volgens artikel 6 van de AOW en dienovereenkomstige bepalingen in de volksverzekeringswetten verzekerd voor de volksverzekeringen in Nederland. Ingevolge artikel 6 van de Wet financieringvolksverzekeringen is zij voor de onderwerpelijke jaren premieplichtig in Nederland. Op die premieplicht is in artikel 4 van de UR PVV 2002 voor een drietal gevallen een bijzondere voorziening opgenomen. Blijkens de toelichting (Stcrt. 2002, 165) is dit geschied omdat de in de wet geregelde voorzieningen daartoe onvoldoende zijn.

7.4. Artikel 4, onderdeel a, van de UR PVV 2002 voorziet erin dat uitkeringen die krachtens de sociale zekerheidswetgeving van een andere mogendheid zijn onderworpen aan een premieheffing uit hoofde van een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden, in mindering worden gebracht op het premie-inkomen. Blijkens de toelichting op dit artikelonderdeel dient het te gaan om premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse volksverzekeringen voor ouderdom en overlijden.

7.5. De in België op de uitkering ingehouden solidariteitsbijdrage heeft tot doel de Rijksdienst voor Pensioenen meer financiële armslag te geven voor de uitkering van kleine pensioenen. Aangezien de solidariteitsbijdrage wordt afgedragen om in de tekorten van de pensioenkassen voor de sociale zekerheid in België te voorzien, is deze te beschouwen als een vorm van premieheffing, namelijk een bijdrage voor de sociale zekerheid. Het vorenstaande heeft te gelden ook al komt de wijze waarop de premie wordt geïnd, bij wijze van afhouding dus inhouding achteraf, niet overeen met de wijze waarop de premies voor de in de Nederlandse volksverzekeringen geregelde AOW of ANW-verzekering worden geïnd. De bijdrage wordt in de fase van de uitkering afgehouden en niet als bijdrage of premie ingehouden vóórdat de verzekerde gebeurtenis heeft plaatsgevonden. Evenwel niet kan worden ontkend dat met de afhouding de dekking van (een deel van) de pensioenuitkeringen wordt verzorgd. Dit doel wordt eveneens verwezenlijkt wanneer bij de afhouding rekening wordt gehouden met een franchise.

7.6. Een en ander leidt tot de conclusie dat het premie-inkomen met de uitkering van het Belgisch overlevingspensioen dient te worden verminderd alvorens premieheffing in Nederland kan plaatsvinden. Voor de in artikel 4, onderdeel a, [URPV 2002] gegeven faciliteit is niet aanvullend de eis gesteld dat tevens in het buitenland premies zijn geheven voor een aan de AWBZ verwante verzekering, zodat ook voor de heffing van AWBZ-premies het Belgisch overlevingspensioen niet in aanmerking wordt genomen.

7.7. Voor zover belanghebbende op basis van de Vo. 1408/71 een verdergaand standpunt inneemt geldt het volgende. Belanghebbende valt als nagelaten betrekking van een werknemer onder de personele werkingssfeer van de Verordening op grond van artikel 2, lid 2, Vo. 1408/71. Titel II van de Vo. 1408/71 geeft voor haar geen aanwijsregels. Het Hof volgt de rechtbank in de onder 4.4 tot en met 4.7 gegeven oordelen en neemt die over.

2.8 Het Hof heeft de aanslag 2003 verminderd tot één berekend naar een premie-inkomen van € 9.944 en de aanslag 2004 tot één berekend naar een premie-inkomen van € 7.556. De premie-inkomens zijn verminderd met het genoten overlevingspensioen, na aftrek van de solidariteitsbijdrage. Het Hof heeft tevens de Inspecteur veroordeeld in de door belanghebbende gemaakte proceskosten.

3. Cassatie

3.1 De Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft tijdig en overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft gerepliceerd. Belanghebbende heeft gedupliceerd. Belanghebbende heeft bij verweerschrift incidenteel beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft in zijn conclusie van repliek verweer gevoerd tegen het incidenteel beroep in cassatie. Belanghebbende heeft van repliek afgezien.

3.2 De Staatssecretaris draagt in cassatie twee middelen voor. In het eerste middel stelt hij dat het recht is geschonden, in het bijzonder artikel 4, onderdeel a, URPV 2002, doordat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de heffing van premie volksverzekeringen de uitkering van het overlevingspensioen niet tot het premie-inkomen behoort. In het tweede middel stelt hij dat artikel 8:75 Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 3, tweede lid, Besluit proceskosten bestuursrecht is geschonden, doordat het Hof een te hoge proceskostenvergoeding heeft toegekend, omdat het heeft geoordeeld dat er sprake is van twee in plaats van drie samenhangende zaken. Ik behandel het tweede middel niet.

3.3 Belanghebbende draagt in haar incidenteel beroep in cassatie twee klachten aan. De eerste klacht houdt in dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de wegingsfactor in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht niet 'zeer zwaar' maar 'zwaar' is. De tweede klacht gaat er over dat het Hof de Inspecteur ten onrechte niet heeft veroordeeld tot vergoeding van de aan de zijde van belanghebbende gemaakte werkelijke proceskosten. Ik behandel het incidentele beroep in cassatie niet.

4. Europese regelgeving inzake sociale zekerheid

4.1 Vo 1408/71 voorziet in de coördinatie van de wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid in de EU. Artikel 1, aanhef en onderdeel g, definieert het begrip 'nagelaten betrekking' en luidt:

Voor de toepassing van deze verordening:

(...)

g)wordt onder "nagelaten betrekking" verstaan iedere persoon die in de wetgeving krachtens welke de prestaties worden verleend, als nagelaten betrekking wordt aangemerkt of erkend; indien deze wetgeving echter uitsluitend als nagelaten betrekking beschouwt degene die bij de overledene inwoonde, wordt aan deze voorwaarde geacht te zijn voldaan wanneer de betrokkene in hoofdzaak op kosten van de overledene werd onderhouden;

(...)

4.2 Artikel 2 bepaalt de personele werkingssfeer van Vo 1408/71. De Vo 1408/71 heeft betrekking op werknemers, zelfstandigen en studenten die de nationaliteit van een Lid-Staat hebben. Hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen vallen ook onder de reikwijdte van Vo 1408/71; of zij onderdaan zijn van een Lid-Staat is niet van belang. Dit is geregeld in het eerste lid van artikel 2. Heeft de werknemer, zelfstandige of student niet de nationaliteit van een Lid-Staat, dan vallen hun nagelaten betrekkingen onder Vo 1408/71 mits ze zelf onderdaan zijn van een Lid-Staat. Dit is geregeld in het tweede lid van artikel 2. Artikel 2 Vo 1408/71 luidt:

Personele werkingssfeer

1. Deze verordening is van toepassing op werknemers of zelfstandigen en op studenten op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is of geweest is, en die onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn, alsmede op hun gezinsleden en op hun nagelaten betrekkingen.

2. Deze verordening is van toepassing op de nagelaten betrekkingen van werknemers of zelfstandigen en van studenten, op wie de wetgeving van een of meer lidstaten van toepassing is geweest, ongeacht de nationaliteit van deze personen, wanneer hun nagelaten betrekkingen onderdanen van een der lidstaten, dan wel op het grondgebied van een der lidstaten wonende staatlozen of vluchtelingen zijn.

4.3 Artikel 4 bepaalt welke soorten wettelijke regelingen van de Lid-Staten onder de reikwijdte van Vo 1408/71 vallen. Artikel 4 luidde, voor zover van belang:

Materiële werkingssfeer

1. Deze verordening is van toepassing op alle wettelijke regelingen betreffende de volgende takken van sociale zekerheid:

(...)

c)uitkeringen bij ouderdom;

d)uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;

(...)

f)uitkeringen bij overlijden;

(...)

2. Deze verordening is van toepassing op de algemene en bijzondere stelsels van sociale zekerheid, welke al of niet op premie- of bijdragebetaling berusten, alsmede op de regelingen betreffende de verplichtingen van de werkgever of de reder met betrekking tot de in lid 1 bedoelde prestaties.

4.4 Titel II van Vo 1408/71 bestaat uit artikel 13 tot en met artikel 17 bis en bevat aanwijsregels die bepalen in welke Lid-Staat een rechthebbende verzekerd is. Artikel 13, eerste lid, verwoordt het exclusiviteitbeginsel: in beginsel is op de persoon op wie Vo 1408/71 van toepassing is, op enig moment slechts de wetgeving van één Lid-Staat van toepassing. Artikel 13, tweede lid, onderdeel a tot en met onderdeel e, bevat algemene aanwijsregels voor personen die werkzaamheden verrichten. Daarbij geldt als hoofdregel dat men verzekerd is waar men werkt (werkstaatbeginsel). Artikel 13, tweede lid, onderdeel f, bevat de aanwijsregel voor hen die geen werkzaamheden meer verrichten (aangeduid als de postactieven) en niet langer onder één van de andere aanwijsregels van Titel II vallen.(9) Voor postactieven geldt de regel dat, als ze niet langer verzekerd zijn in de vroegere werkstaat, de sociale wetgeving van de woonstaat is aangewezen. De regel heeft tot doel ervoor te zorgen dat een persoon die binnen de werkingssfeer van Vo 1408/71 valt, ononderbroken aan de socialezekerheidsregeling van een Lid-Staat onderworpen blijft. Artikel 13 Vo 1408/71 luidt:

1. Onder voorbehoud van de artikelen 14 quater en 14 septies zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele lidstaat onderworpen. De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld.

2. Onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17:

(...)

f)is op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regeling van een Lid-Staat zonder dat hij op grond van één van de in de voorgaande punten genoemde regels of van één van de in de artikelen 14 tot en met 17 bedoelde uitzonderingen of bijzondere regels aan de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van toepassing van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.

4.5 Voor toepassing van artikel 13, tweede lid, onderdeel f, gelden formaliteiten. Deze zijn opgenomen in artikel 10 ter Verordening (EEG) nr. 574/72 van 12 maart 1972(10) (hierna: Vo 574/72). Artikel 10 ter luidt:

Formaliteiten ter toepassing van artikel 13, lid 2, onder f), van de verordening

De datum en de voorwaarden waarop een persoon als bedoeld in artikel 13, lid 2, onder f), van de verordening ophoudt onderworpen te z?n aan de wettel?ke regeling van een Lid-Staat, worden overeenkomstig de bepalingen van deze wettel?ke regeling vastgesteld. Het orgaan dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waarvan de wettel?ke regeling op deze persoon van toepassing wordt, richt zich voor het vernemen van deze datum tot het door de bevoegde autoriteit van de eerste Lid-Staat aangewezen orgaan.

5. Nationale wet- en regelgeving

5.1 De Belgische Pensioenwet werknemers(11) voorziet onder meer in een overlevingspensioen voor weduwen en weduwnaren van werknemers die in België hebben gewerkt. Artikel 1, eerste paragraaf, onder 1º Pensioenwet werknemers luidt, voor zover van belang:

Dit besluit bedoelt een regeling te treffen:

1° voor rustpensioenen ten voordele van de werknemers die in België te werk gesteld zijn geweest ter uitvoering van enige arbeidsovereenkomst (...);

2° voor uitkeringen bij overlijden ten voordele van de weduwen der werknemers waarvan sprake in 1°.

Het overlevingspensioen wordt mede door middel van inhouding ten laste van het loon van de werknemer gefinancierd. De werkgever past deze inhouding toe en draagt de ingehouden bedragen per kwartaal af aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna: RSZ). De RSZ sluist de ter financiering van de uitgaven voor het overlevingspensioen ontvangen gelden door naar de RVP die op zijn beurt het overlevingspensioen uitbetaalt. De website van de RVP vermeldt over de gerechtigden tot het overlevingspensioen:(12)

De overlevende echtgenoot, zowel de man als de vrouw, kan onder bepaalde voorwaarden een overlevingspensioen verkrijgen uit hoofde van de activiteit van de overleden echtgenoot. (...). Al wie als werknemer in België of in het buitenland voor een in België gevestigde werkgever in de privesector heeft gewerkt of in die hoedanigheid wordt gelijkgesteld, kan in aanmerking komen voor een rustpensioen. Indien deze persoon overlijdt, kan de overlevende echtgenoot een overlevingspensioen in de regeling voor werknemers bekomen. Vanzelfsprekend moeten tijdens de tewerkstelling de wettelijke bijdragen zijn ingehouden.

Het overlevingspensioen wordt voorts gefinancierd door middel van de solidariteitsbijdrage. De solidariteitsbijdrage komt door middel van afhouding van ten laste van de begunstigde. De RVP past deze afhouding toe. De website van de RVP vermeldt over de solidariteitsbijdrage:(13)

De maandelijkse solidariteitsbijdrage is een progressieve sociale zekerheidsbijdrage, van maximum 2 %, op het totale brutobedrag van het geheel van uw pensioenen, renten en sommige aanvullende voordelen. Deze afhouding varieert naargelang de grootte van deze voordelen en naargelang u al dan niet gezinslast heeft. (...). Als u een pensioen van een buitenlandse instelling ontvangt en woont in een land van de EU (met uitzondering van België), Zwitserland, Noorwegen, Liechtenstein of IJsland wordt er geen rekening gehouden met uw buitenlands pensioen voor de berekening van de solidariteitsbijdrage.

5.2 Ingevolge artikel 14, eerste lid, onderdeel c, Anw heeft de nabestaande die geboren is vóór 1 januari 1950 recht op een nabestaandenuitkering. Op voet van artikel 20 Anw kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld voor de samenloop van uitkeringen krachtens de Anw en uitkeringen aan nagelaten betrekkingen ingevolge de wetgeving van een andere Mogendheid. De Kroon heeft met het Inkomens- en samenloopbesluit Anw(14) (hierna: het Samenloopbesluit) van deze mogelijkheid gebruikt gemaakt. Artikel 11, eerste lid, Samenloopbesluit luidde:

1. Een op grond van de wetgeving van (...) een andere Mogendheid toegekende uitkering, waaronder mede begrepen een verhoging van een uitkering, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering als bedoeld in artikel 14 (...) wordt op de uitkering, bedoeld in artikel 14 (...) in mindering gebracht.

Artikel 13 Samenloopbesluit luidde:

Indien de toepassing van (...) artikel 11 van dit besluit tot een kennelijk onredelijk resultaat leidt, bepaalt de Sociale Verzekeringsbank (...) de wijze waarop een uitkering als bedoeld in artikel 11 op een uitkering als bedoeld in artikel 14 (...) in mindering wordt gebracht, op andere wijze.

5.3 Artikel 4, aanhef en onderdeel a, URPV 2002 bevatte een voorziening om dubbele premieheffing volksverzekeringen te voorkomen. De voorkoming vond plaats door de aftrek van een buitenlandse inkomensbestanddeel op het premie-inkomen. De bepaling luidde:

Voor de premieheffing behoren niet tot het premie-inkomen:

a. uitkeringen op grond van de socialezekerheidswetgeving van een andere mogendheid die zijn onderworpen aan premieheffing krachtens een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden van die andere mogendheid;

De artikelsgewijze toelichting bij artikel 4 URPV 2002 vermeldt:

Gedurende eenzelfde tijdvak kan men (...) in principe niet aan meer dan één stelsel onderworpen zijn. De bedoelde regels zijn opgenomen in Titel II van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, en in bi- of multilaterale verdragen inzake sociale zekerheid tussen Nederland en andere mogendheden. Aan de hand van de daarin opgenomen aanwijsregels dient men vast te stellen of en zo ja gedurende welk tijdvak de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing is. Desondanks komen er situaties voor waarbij gelijktijdig de Nederlandse wetgeving en een buitenlandse wetgeving van toepassing zijn.

De bepaling, in artikel 4, onderdeel a, voorziet erin dat uitkeringen die krachtens de sociale zekerheidswetgeving van een andere mogendheid zijn onderworpen aan een premieheffing uit hoofde van een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden, in mindering kunnen worden gebracht op het premie-inkomen.

De toelichting bevat een voorbeeld van de werking van artikel 4, onderdeel a, URPV 2002:

Voorbeeld 3 (Artikel 4, onderdeel a)

Een inwoner van Nederland is het gehele jaar belastingplichtig alsmede verzekerd en premieplichtig in Nederland. Hij ontvangt krachtens een buitenlandse (volksverzekerings)wetgeving een ouderdomsuitkering of een nabestaandenuitkering van € 10 000, waarvoor premies worden betaald. Voorts heeft hij een Nederlandse uitkering van € 25 000. De buitenlandse uitkering van € 10 000 behoort niet tot het premie-inkomen, zodat alleen premie volksverzekeringen verschuldigd is over € 25 000.

6. Jurisprudentie

6.1 Het arrest van het HvJ EG in de zaak Noij van 21 februari 1991(15) betrof een Nederlands onderdaan die na 25 jaar als mijnwerker in België werkzaam te zijn geweest, in Nederland ging wonen. Ingevolge het Belgische stelsel van sociale zekerheid had hij recht op een rustpensioen, hetgeen met zich brengt het recht op kinderbijslag en medische verstrekkingen. Hij werd als postactieve en Nederlands ingezetene onderworpen aan het Nederlandse stelsel van volksverzekeringen en was daardoor premieplichtig. De medische verstrekkingen die hij ontving kwamen ten laste van de Belgische instantie die belast was met de uitvoering van het rustpensioen. De inspecteur begreep het rustpensioen in het inkomen waarover premie volksverzekeringen werd geheven. De Hoge Raad stelde de prejudiciële vraag of het aldus meetellen van een Belgisch rustpensioen niet in strijd was met gemeenschapsrecht.(16) Het HvJ EG overwoog:

15 Mitsdien moet (...) worden geantwoord, dat de regels van het gemeenschapsrecht, in het bijzonder die vervat in de titels II en III van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 (...) niet eraan in de weg staan, dat iemand die, na als werknemer te hebben gewerkt op het grondgebied van een Lid-Staat, uit dien hoofde een rustpensioen geniet en die zich in een andere Lid-Staat vestigt alwaar hij geen werkzaamheden verricht, aan de wetgeving van laatstgenoemde staat wordt onderworpen. Die regels staan er echter wel aan in de weg, dat van de belanghebbende in die staat wegens het enkele feit dat hij aldaar woonachtig is, premies worden verlangd voor de verplichte verzekering ter dekking van de kosten van prestaties die ten laste van een orgaan van een andere Lid-Staat komen.

De Hoge Raad besliste daarna in zijn arrest van 25 september 1991(17) dat Nederland van Noij geen premies ter zake van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten mag heffen omdat de medische verstrekkingen die hij krachtens deze wet ontvangt ten laste komen van een orgaan van België. Nederland mag echter wel de premie voor de AOW en de toenmalige Algemene Weduwen- en Wezenwet heffen omdat de prestaties uit hoofde van de in die wetten geregelde verzekeringen niet ten laste komen van een Belgisch orgaan.

De Hoge Raad paste de rechtsregel uit r.o. 15 van het arrest Noij ook toe in zijn arrest van 25 januari 1995(18) bij een uitkeringsgerechtigde, die in Nederland woonde en naast haar uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (hierna: AAW) een Duitse rente genoot ter zake van arbeidsongeschiktheid. Om samenloop te voorkomen was haar AAW-uitkering gekort. De Hoge Raad oordeelde dat zij voor alle verzekeringen als verzekerde gold en dat de rente in het premie-inkomen diende te worden begrepen. De AAW-premie kon echter niet volledig worden geheven. De AAW-uitkering werd slechts uitgekeerd voor zover deze het bedrag van de rente overtrof. Aangezien aldus een deel van de uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid in feite ten laste van een orgaan van de Bondsrepubliek Duitsland kwam, kon van belanghebbende in zoverre geen premie ingevolge de AAW worden geheven. Het bedrag van deze premie werd verminderd met een deel, overeenkomstig de verhouding tussen het bedrag van de rente en het gezamenlijke bedrag van de rente en de resterende uitkering ingevolge de AAW.

6.2 Het arrest Hughes van het HvJ EG van 16 juli 1992(19) ging over het begrip socialezekerheidsuitkering en daarmee over de materiële werkingssfeer van Vo 1408/71. Mevrouw Hughes woonde in Ierland, maar haar echtgenoot werkte in Noord-Ierland. Zij vroeg bij de bevoegde Noord-Ierse instantie een uitkering aan voor minderbedeelde gezinnen, waar geen premie- of bijdrageplicht tegenover staat, die wekelijks in contanten wordt uitbetaald. De vraag was onder meer wat de reikwijdte is van de materiële werkingssfeer van Vo 1408/71. Het HvJ EG overwoog:

14 Het Hof heeft herhaaldelijk geoordeeld, dat het onderscheid tussen prestaties die van de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 zijn uitgesloten, en die welke daar wel onder vallen, in de eerste plaats berust op de constitutieve elementen van elke prestatie, met name het doel waarop zij is gericht en de voorwaarden waaronder zij wordt toegekend, en niet op het feit of een prestatie door een nationale wetgeving al dan niet als een sociale-zekerheidsuitkering wordt aangemerkt.

15 Voorts is het vaste rechtspraak van het Hof, dat een uitkering als een sociale-zekerheidsuitkering kan worden beschouwd, wanneer zij, zonder individuele en discretionaire beoordeling van de persoonlijke behoeften, aan de rechthebbenden wordt toegekend op grond van een wettelijk omschreven positie en verband houdt met één van de in artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 uitdrukkelijk genoemde eventualiteiten (...).

Het HvJ EG overwoog dat de financieringswijze niet relevant is voor de vraag of een uitkering als socialezekerheidsuitkering in de zin van Vo 1408/71 kan worden aangemerkt:

21 Anders dan de regering van Duitsland en van het Verenigd Koninkrijk menen, doet de omstandigheid dat de toekenning van de uitkering niet afhankelijk is van premie- of bijdragebetaling, niet af aan de kwalificatie ervan als sociale-zekerheidsuitkering. De wijze van financiering van een uitkering is immers irrelevant voor de kwalificatie ervan als sociale-zekerheidsuitkering, zoals blijkt uit het feit dat uitkeringen die niet op premie- of bijdragebetaling berusten, ingevolge artikel 4, lid 2, van verordening nr. 1408/71 niet uit de werkingssfeer van de verordening zijn uitgesloten.

6.3 Het arrest Aldewereld van het HvJ EG van 29 juni 1994(20) betrof een werknemer, X, met de Nederlandse nationaliteit die in Nederland woonde toen hij in dienst trad bij een in Duitsland gevestigde werkgever. De werkgever zond hem uit naar Thailand. Uit hoofde van die werkzaamheden was de werknemer socialezekerheidspremies in Duitsland verschuldigd. Zijn werkgever hield deze premies in op zijn salaris. Nederland hief evenwel ook socialezekerheidspremies, omdat de werknemer ingezetene was van Nederland. De Hoge Raad stelde de prejudiciële vraag of deze dubbele premieplicht in strijd was met gemeenschapsrecht.(21) Het HvJ EG overwoog:

10. Aangezien vaststaat, dat een persoon in de situatie van X binnen de personele werkingssfeer van de verordening, zoals omschreven in artikel 2 ervan, valt, is de in artikel 13, lid 1, genoemde regel van één enkele wetgeving in beginsel van toepassing en wordt de toepasselijke nationale wetgeving vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van titel II van die verordening.

11. Geen enkele bepaling van die titel ziet echter rechtstreeks op de situatie van een werknemer die, zoals X, in dienst is van een communautaire onderneming, doch geen werkzaamheden verricht op het grondgebied van de Gemeenschap.

(...)

15. (...) de toepasselijke wetgeving [moet] worden vastgesteld aan de hand van de bepalingen van titel II van de verordening en van het met die bepalingen beoogde doel.

(...)

21. In een situatie als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, zijn de enige factoren van aanknoping met de wetgeving van een Lid-Staat enerzijds de woonplaats van de werknemer en anderzijds de plaats waar de werkgever is gevestigd. Uit die aanknopingsfactoren moet dus het criterium voor de vaststelling van de op de betrokken situatie toepasselijke wetgeving worden gekozen.

22. Gelijk de Italiaanse regering terecht heeft opgemerkt, lijkt de toepassing van de wetgeving van de woonstaat van de werknemer in het stelsel van de verordening een ongeschikte regel, die slechts wordt toegepast wanneer die wetgeving een aanknoping heeft met de arbeidsverhouding. Wanneer de werknemer dus niet woont op het grondgebied van één van de Lid-Staten waar hij zijn werkzaamheden verricht, wordt gewoonlijk de wetgeving van de staat van de zetel of het domicilie van de werkgever toegepast.

(...)

24. In een geval als in het hoofdgeding aan de orde is, kan de wetgeving van de woonstaat van de werknemer niet worden toegepast, aangezien die wetgeving geen enkele aanknoping heeft met de arbeidsverhouding, zulks in tegenstelling tot de wetgeving van de staat waar de werkgever is gevestigd, die derhalve moet worden toegepast.

25. Uit het voorgaande volgt, dat bij gebreke van een bepaling die uitdrukkelijk ziet op het geval van een persoon in de situatie van X, een dergelijke persoon volgens het stelsel van de verordening valt onder de wetgeving van de Lid-Staat waar de werkgever is gevestigd.

De Hoge Raad kon daarna in zijn arrest van 5 oktober 1994(22) de zaak afdoen.

6.4 Het arrest van het HvJ EG in de zaak Commissie vs. Frankrijk van 15 februari 2000(23) betrof een Franse regeling, de contribution pour le remboursement de la dette sociale (hierna: CRDS), die als doel had een schuld inzake socialezekerheidslasten te delgen. De schuld bestond uit geaccumuleerde en geraamde tekorten van het algemeen socialezekerheidsstelsel. De CRDS was van toepassing op alle natuurlijke personen die voor de inkomstenbelasting hun fiscale woonplaats in Frankrijk hebben. De heffingsgrondslag van de CRDS bestond onder meer uit inkomsten uit arbeid of vervangende inkomsten van die personen. Onder voorbehoud van internationale overeenkomsten ter voorkoming van dubbele belasting werd eveneens CRDS geheven over in het buitenland verkregen inkomsten uit arbeid en vervangende inkomsten waarvoor in Frankrijk inkomstenbelasting is verschuldigd. De CRDS werd bij wege van aanslag geheven. De Europese Commissie was van mening dat de heffing van de CRDS op inkomsten waarvoor reeds alle sociale bijdragen zijn voldaan in de Lid-Staat van arbeid - die op grond van artikel Vo 1408/71 de ter zake van de sociale zekerheid bevoegde Lid-Staat is - de regel dat slechts de wetgeving van één Lid-Staat toepasselijk is, doorbreekt. De Franse regering was evenwel van mening dat het standpunt van de Europese Commissie voorbijgaat aan de kenmerken en het doel van de CRDS. In haar visie genoten degenen die de CRDS betaalden in ruil daarvoor geen enkele socialezekerheidsuitkering zodat de CRDS als een belasting moet worden aangemerkt. Het HvJ EG overwoog over de aard en het doel van de CRDS, en over de vraag of zij verenigbaar was met het gemeenschapsrecht:

34 De omstandigheid dat een heffing in een nationale wetgeving als belasting wordt gekwalificeerd, betekent (...) niet, dat die heffing, wat verordening nr. 1408/71 betreft, niet kan worden geacht binnen de werkingssfeer van die verordening te vallen en dat derhalve de regel van non-cumulatie van de toepasselijke wetgevingen niet op die heffing van toepassing is.

35 Zoals het Hof onder meer in zijn arrest van 18 mei 1995 (Rheinhold & Mahla, C-327/92, Jurispr. blz. I-1223, punt 15) heeft overwogen, legt artikel 4 van verordening nr. 1408/71 de werkingssfeer van de bepalingen van die verordening vast in bewoordingen waaruit blijkt dat de nationale stelsels van sociale zekerheid in hun geheel aan de toepassing van de regels van het gemeenschapsrecht zijn onderworpen. In punt 23 van dit arrest heeft het Hof verduidelijkt, dat het doorslaggevende element voor de toepassing van verordening nr. 1408/71 de - rechtstreekse en voldoende relevante - samenhang is die de betrokken bepaling moet vertonen met de wetten die de in artikel 4 van die verordening genoemde takken van sociale zekerheid regelen.

36 De CRDS evenwel vertoont, zoals de Commissie terecht stelt, een zodanig rechtstreekse en voldoende relevante samenhang met de Franse algemene socialezekerheidsregeling, dat zij is te beschouwen als een heffing die onder het verbod van dubbele bijdrageheffing valt.

37 [De] (...) CRDS [heeft] immers, in tegenstelling tot de heffingen ter voorziening in de algemene behoeften van de overheid, specifiek en rechtstreeks tot doel, de tekorten van het Franse algemene socialezekerheidsstelsel aan te zuiveren, en maakt zij deel uit van de algemene hervorming van het stelsel van de sociale bescherming in Frankrijk die het toekomstige financiële evenwicht ervan moet veiligstellen. Niet is betwist, dat de verschillende takken van dit stelsel behoren tot die waarop artikel 4, lid 1, van verordening nr. 1408/71 betrekking heeft.

38 Die samenhang kan niet worden verbroken door de keuze van de concrete modaliteiten volgens welke de betrokken gelden worden aangewend voor de financiering van het Franse socialezekerheidsstelsel, omdat anders het verbod van cumulatie van de toepasselijke wetgevingen elke nuttige werking zou verliezen. Derhalve kan noch de omstandigheid dat de opbrengst van de CRDS naar de Cades en niet rechtstreeks naar de socialezekerheidsorganen vloeit, noch het feit dat de CRDS (...) bij wege van aanslag wordt geheven, zoals de inkomstenbelasting, en niet rechtstreeks door de organen die zijn belast met de inning van de bijdragen voor het algemene socialezekerheidsstelsel, afdoen aan de in deze beslissende vaststelling, dat de CRDS specifiek en rechtstreeks is bestemd voor de financiering van het Franse socialezekerheidsstelsel en derhalve binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt.

39 Aan die vaststelling kan evenmin worden getornd door de omstandigheid, dat de betaling van de CRDS geen recht geeft op een rechtstreekse en identificeerbare tegenprestatie in de vorm van uitkeringen, noch door het feit dat de CRDS gedeeltelijk dient ter aanzuivering van een schuld van het socialezekerheidsstelsel die is ontstaan door de financiering van in het verleden verstrekte uitkeringen.

40 Het beslissende criterium voor de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 1408/71 is, of een bijdrage specifiek is bestemd voor de financiering van het socialezekerheidsstelsel van een lidstaat. Het al dan niet bestaan van tegenprestaties in de vorm van uitkeringen is hierbij dus zonder belang.

6.5 Het arrest Jauch van het HvJ EG van 8 maart 2001(24) betrof een Oostenrijkse verzorgingsuitkering (Pflegegeld). Het Pflegegeld was bedoeld om zorgbehoevende personen door middel van een forfaitaire bijdrage te verzekeren van hulp en bijstand. Voor het Pflegegeld kwamen in aanmerking personen die hun gewone verblijfplaats in Oostenrijk hadden. De financiering van het Pflegegeld vond niet plaats door een directe bijdrage van de gerechtigden, maar indirect door een verhoging van hun bijdrage aan de ziektekostenverzekering. De vraag rees of het Pflegegeld was aan te merken als een bijzondere, niet op premiebetaling berustende prestatie in de zin van artikel 10 bis Vo 1408/71, zodat de export van het Pflegegeld niet zou worden beperkt. Het HvJ EG overwoog:

33 Wat daarentegen de verhoging van de bijdragen aan de ziekteverzekering betreft, erkent de Oostenrijkse regering zelf, dat daartoe werd besloten om de vermindering van de financiële bijdragen van de pensioenverzekering aan de instellingen voor de ziekteverzekering te compenseren. Door deze vermindering kon zij zelf haar federale bijdrage aan de pensioenverzekering verminderen en aldus de nodige fondsen vrijmaken voor de financiering van de nieuwe verzorgingsuitkering. Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de financiering van deze prestatie mogelijk werd, met behoud van dezelfde prestaties bij ziekte, ouderdom en ongeval, dankzij de verhoging van de bijdragen aan de ziekteverzekering. Het verband met de bijdragen aan de ziekteverzekering is weliswaar slechts indirect, doch blijkt hieruit, dat de middelen die de ziekteverzekering is kwijtgeraakt, afkomstig waren van de verzekeringsbijdragen. Daaruit volgt, dat de verzorgingsuitkering op premie- of bijdragebetaling berust.

6.6 In het arrest van het HvJ EG in de zaak Commissie vs. België van 3 mei 2001(25) was aan de orde de vraag of België, waar een in Frankrijk wonende uitkeringsgerechtigde het laatst had gewerkt, bevoegd is premies voor de sociale zekerheid te heffen over een beroepsziektepensioen. De Europese Commissie meende van niet en had daarom een infractieprocedure tegen België aangespannen. Het HvJ EG overwoog:

28. (...) art. 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 [heeft] juist tot doel, ervoor te zorgen dat een persoon die binnen de werkingssfeer van deze verordening valt, ononderbroken aan de socialezekerheidsregeling van een lidstaat onderworpen blijft.

29. Volgens deze bepaling is de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan de betrokken persoon woont, evenwel alleen van toepassing indien de betrokkene niet aan de wettelijke regeling van een andere lidstaat is onderworpen en, in het bijzonder, indien de wettelijke regeling waaraan hij eerder was onderworpen, ophoudt op hem van toepassing te zijn.

30. De Commissie heeft evenwel niet aangetoond, dat dit noodzakelijkerwijs het geval is voor de wettelijke regeling die van toepassing is op de rechthebbenden op een in België uitgekeerd beroepsziektepensioen, wanneer de betrokkenen in een andere lidstaat dan het Koninkrijk België wonen.

31. De loutere verwijzing naar art. 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 kan hiertoe niet volstaan, aangezien voor de toepassing van deze bepaling is vereist, dat de wettelijke regeling van een lidstaat ophoudt van toepassing te zijn, en de voorwaarden daarvoor niet in deze bepaling zelf zijn vastgelegd.

6.7 Het arrest Hervein/Lorthiois van het HvJ EG van 19 maart 2002(26) betrof twee Fransen die in Frankrijk woonden en gelijktijdig bestuurder waren van in Frankrijk en in België gevestigde vennootschappen. Zij waren in België verzekerd als zelfstandige en in Frankrijk als werknemer. De aanwijsregel van artikel 14 quater, onderdeel b, Vo 1408/71, dat gaat over het gelijktijdig uitoefenen van werkzaamheden in loondienst en van werkzaamheden anders dan in loondienst, was op hen van toepassing. Daaruit volgde dat de Belgische en de Franse wetgeving gelijktijdig van toepassing waren. De twee Fransen konden geen beroep op het exclusiviteitsbeginsel doen, omdat toepassing daarvan in artikel 13, eerste lid, Vo 1408/71 was uitgezonderd voor situaties waarop de aanwijsregel van artikel 14 quater, Vo 1408/71 van toepassing is. De vraag rees of artikel 14 quater, onderdeel b, Vo 1408/71 in strijd was met de artikelen 48 en 52 van het (toenmalige) EG-Verdrag(27) inzake het vrije verkeer van werknemers respectievelijk de vrijheid van vestiging. Het HvJ EG overwoog:

61(...). Door (...) verschillende bepalingen op te nemen die de samenloop van uitkeringen uit hoofde van twee toepasselijke wetgevingen dienen te vergemakkelijken, heeft de Raad de lid-staten herinnerd aan hun verplichting om te verzekeren dat geen enkele socialezekerheidsbijdrage wordt betaald zonder dat er een prestatie tegenover staat.

62 Bijgevolg is art. 14quater sub b niet onverenigbaar met de art. 48, 51 en 52 van het Verdrag.

63 In de situaties waarop art. 14quater sub b van toepassing is, moeten de lid-staten waarvan de wetgevingen gelijktijdig van toepassing zijn, er echter voor zorgen dat zij de vereisten uit hoofde van de art. 48, 51 en 52 van het Verdrag naleven.

64 In een situatie zoals die van Lorthiois, waarin de bijdragen die van hem worden gevorderd, wegens het niveau van zijn werkzaamheden in België niet resulteren in een extra sociale bescherming, staat art. 52 van het Verdrag er dus rechtstreeks aan in de weg dat dergelijke bijdragen van hem worden gevorderd (...).

65 Wanneer daarentegen de bijdragen die worden gevorderd uit hoofde van de twee wetgevingen die krachtens art. 14quater sub b gelijktijdig van toepassing zijn, beide resulteren in een sociale bescherming, verzetten de art. 48, 51 en 52 van het Verdrag zich in beginsel niet tegen de inning van dergelijke bijdragen en moeten de verschillende prestaties uit hoofde van de twee wetgevingen worden verstrekt met inachtneming van de relevante coördinatiebepalingen in verordening nr. 1408/71 en de toepassingsverordening (...).

7. Vragen over de solidariteitsbijdragen

7.1 In het Europese Parlement heeft het lid Sophia in 't Veld op 15 februari 2005 aan de Europese Commissie een schriftelijke vraag gesteld:(28)

Bruggepensioneerde werknemers zijn overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 sociaal verzekerd op het grondgebied waar ze hoofdverblijfplaats houden, bijv. Nederland. Tevens betalen deze mensen belastingen in Nederland, dit op grond van artikel 18, lid 6 van het belastingverdrag Nederland-België.

De Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (RSZ) int in samenwerking met de RVP (Rijksdienst voor Pensioenen) een zogenaamde solidariteitsbijdrage voor de Belgische pensioenen. Deze bijdrage wordt daarmee geïnd van Nederlanders die geen rechten opbouwen in België, maar in Nederland AOW opbouwen en bovendien in Nederland sociaal verzekerd zijn.

Is de Commissie op de hoogte van de bovenstaande situatie?

Is de Commissie van mening dat een dergelijke solidariteitsbijdrage toelaatbaar is?

De Europese Commissie gaf op 14 maart 2005 antwoord:

(...)

De solidariteitsbijdrage wordt op Belgische pensioenen ingehouden om de Rijksdienst voor Pensioenen meer financiële armslag voor kleine pensioenen te geven. Aangezien de solidariteitsbijdrage wordt afgedragen om in de tekorten van de kassen voor de sociale zekerheid te voorzien, is de solidariteitsbijdrage als bijdrage voor de sociale zekerheid te beschouwen. Dit houdt in dat Verordening (EEG) nr. 1408/71 van toepassing is.

Uit het beginsel dat slechts de wetgeving van één enkele lidstaat van toepassing is, volgt dat geen enkele andere lidstaat dan de lidstaat wier wetgeving van toepassing is het recht heeft om bijdragen voor de sociale zekerheid te innen.

Om alle juridische aspecten van de vraag van het geachte Parlementslid te kunnen bekijken heeft de Commissie contact opgenomen met de Belgische autoriteiten en om meer informatie over deze gang van zaken en het standpunt van de Belgische regering verzocht.

De Commissie zal het geachte Parlementslid op de hoogte stellen van haar bevindingen ten aanzien van deze kwestie.

7.2Europarlementariër Frieda Brepoels stelde op 26 oktober 2010(29) ongeveer dezelfde vraag, maar dan in de context van Verordening (EG) nr. 883/2004 van 29 april 2004(30), de opvolger van Vo 1408/71:

(...)

Verordening (EG) nr. 883/2004 stelt dat voor dubbelgepensioneerden de regelgeving van de woonstaat van toepassing is. Grensarbeiders die in Nederlands wonen en in aanvulling op hun AOW een Belgisch pensioen ontvangen moeten echter een solidariteitsbijdrage betalen aan de Belgische pensioendienst.

(...)

Hoe kwalificeert de Commissie deze solidariteitsbijdrage? Als heffing of als belasting?

Is deze bijdrage conform de verordening (EG) nr. 883/2004?

De Europese Commissie antwoordde op 29 november 2010 dat zij België om informatie had gevraagd. Zij kwam op 21 december 2010 met een aanvullend antwoord:

(...)

Voor zover de Commissie bekend is, wordt de Belgische solidariteitsbijdrage (cotisation de solidarité), die bedoeld is ter financiering van het socialezekerheidsstelsel, geheven op het pensioen als zodanig. Als de betrokkene een Belgisch pensioen ontvangt, maar in een andere lidstaat woont, wordt de solidariteitsbijdrage alleen op het Belgische pensioen geheven. Bij de bepaling van het te betalen percentage wordt echter wel rekening gehouden met eventuele ontvangen pensioenen van andere lidstaten.

Een heffing valt binnen de werkingssfeer van Verordening (EG) nr. 883/2004 als die specifiek en rechtstreeks bestemd is voor de financiering van het socialezekerheidsstelsel van de betreffende lidstaat en als de samenhang tussen deze twee punten rechtstreeks en voldoende relevant is.

De solidariteitsbijdrage is kennelijk een socialezekerheidsbijdrage aangezien die bijdrage geheven wordt ter financiering van het socialezekerheidsstelsel. Uit het beginsel van de eenheid van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving vloeit voort dat in principe slechts één lidstaat het recht heeft socialezekerheidsbijdragen te heffen.

De Commissie heeft de Belgische autoriteiten gecontacteerd om meer informatie over de solidariteitsbijdrage te verkrijgen, maar beschikt nog niet over voldoende details om de vraag te kunnen beantwoorden. Teneinde alle juridische aspecten van de kwestie waarop het geachte parlementslid doelt, nader te onderzoeken, heeft de Commissie opnieuw contact opgenomen met de Belgische autoriteiten om meer gedetailleerde informatie te verkrijgen over deze praktijk en het standpunt van de Belgische regering met betrekking tot dit punt. De Commissie zal het geachte parlementslid rechtstreeks op de hoogte stellen van haar bevindingen.

Tot op heden heeft de Europese Commissie nog geen publiek toegankelijk oordeel geveld over de gemeenschapsrechtelijke houdbaarheid van de solidariteitsbijdrage.

8. Literatuur

8.1 Feenstra schrijft in zijn noot bij het arrest Aldewereld (zie 6.3) in RSV 1995/68:

Het Hof van Justitie stelt in zijn arrest voorop dat, nu betrokkene onder de personele werkingssfeer van de EG-Verordening nr. 1408/71 valt, het in art. 13, lid 1 neergelegde beginsel van eenheid van de toe te passen wetgeving heeft te gelden. (...). Alhoewel het Hof van Justitie in de rechtsoverwegingen herhaalde malen het gestelde toespitst op de situatie van het onderhavige geval, kan naar mijn mening niet of moeilijk worden ontkend dat het arrest een ruimere strekking heeft c.q. toekomt dan enkel de zaak Aldewereld. (...) men [kan] de rechtsoverwegingen van het arrest lezend bijna niet anders dan niet aan de indruk ontkomen dat het Hof van Justitie hier bijna als rechter-regelgever een uitspraak in een concreet geschil heeft gegeven. Immers, alhoewel het Hof van Justitie vooropstelt dat geen van de bepalingen van Titel II uitdrukkelijk op een situatie als die van Aldewereld ziet, leidt het hieruit conform het systeem van de verordening wel af dat een dergelijke werknemer bij gebreke van uitdrukkelijke bepaling niet onder de wetgeving van het woonland valt maar onder de wetgeving van de Lid-Staat waar de zetel van de onderneming gevestigd is. Moeilijk kan worden ontkend dat dit laatste veel gelijkenis vertoont met het onderkennen van een algemeen beginsel dat aan de in Titel II van de Verordening neergelegde bepalingen inzake de vaststelling van de toe te passen wetgeving ten grondslag zou liggen.

8.2 Keunen schrijft in zijn noot bij het arrest Commissie vs. België (zie 6.6) in RSV 2002/302 over de onderworpenheid in de zin van artikel 13, eerste lid, Vo 1408/71:

In de tekst van art. 13, lid 1 en in de jurisprudentie van het Hof wordt hiermee steeds gedoeld op onderworpen zijn ingevolge het communautaire recht, namelijk als gevolg van de toepassing van de conflictregels. (...). De aanwijzing van de wetgeving van een bepaalde lidstaat brengt dus niet automatisch verzekering mee; alleen territoriale eisen zoals het wonen en werken in een bepaalde lidstaat worden overruled; andere verzekeringsvoorwaarden blijven overeind (...). Onderworpen zijn moet dus onderscheiden worden van verzekerd zijn. Of iemand onderworpen is aan de wetgeving van een bepaalde lidstaat moet volgens uniforme communautaire criteria worden vastgesteld. De uniforme toepassing van de conflictregels is dus het vertrekpunt; de beoordeling van de verzekeringsplicht is de tweede stap.

Keunen meent dat onderworpenheid in de zin van artikel 13, tweede lid, onderdeel f, Vo 1408/71 moet worden gelezen in het licht van artikel 10 ter Vo 574/72 (zie 4.5) en gelijk staat met verzekerd zijn ingevolge de wetgeving van de Lid-Staat waar laatstelijk is gewerkt.(31)

8.3 Hendrickx schrijft over de gemeenschapsrechtelijke houdbaarheid van enige bijdragen ter financiering van de Belgische sociale zekerheid, waaronder de solidariteitsbijdrage:(32)

Ook voor de solidariteitsbijdrage kan geargumenteerd worden dat die niet van toepassing is als de betrokkene niet onderworpen is geweest aan de Belgische sociale zekerheid. Het kan immers niet dat de wetgever de situatie voor ogen had van een aanvullend pensioenkapitaal uitgekeerd door een Belgische verzekeraar aan een persoon die nooit in België tewerkgesteld is geweest. De werknemer bouwt dan immers in België ook geen wettelijke pensioenrechten op. Dit betekent dat de Rijksdienst voor Pensioenen ook niet de mogelijkheid heeft tot regularisatie, zoals voorzien in artikel 68, § 5, vijfde lid van de Wet van 30 maart 1994. Ook hier dringt zich dus een wettelijke verduidelijking op.

8.4 Van Schendel schrijft in zijn commentaar bij de uitspraak van het Hof in NTFR 2011/1421:

Rechtbank en hof zijn eenvormig in hun oordeel dat Verordening 1408/71 niet op de weduwe van toepassing was, omdat zij geen grensoverschrijdende arbeid verrichtte.

Met dit gelijkluidende oordeel gaan beide rechters naar mijn mening goed in de fout. Als nagelaten betrekking van een werknemer valt zij onder de personele werkingssfeer van Titel I (art. 2, lid 2, Verordening 1408/71). In Titel II is in art. 13, lid 1, eerste volzin, Verordening 1408/71 bepaald - behoudens niet relevante uitzonderingen - dat degenen op wie de verordening van toepassing is, slechts zijn onderworpen aan de wetgeving van één enkele lidstaat. Het oordeel van Hof Den Haag impliceert dat in twee EU-lidstaten premies zijn verschuldigd; in de bronstaat België over het Belgische overlevingspensioen en in de woonstaat Nederland over het overige premie-inkomen. Dit is in strijd met de EU-verordening 1408/71 en haar opvolger 883/04, waarin is bepaald - bijzondere uitzonderingen daargelaten - dat slechts onderworpenheid kan bestaan aan de wetgeving van één lidstaat.

Als de Belgische solidariteitsbijdrage een premie is ter financiering van het Belgische sociale zekerheidsstelsel, mag België deze premie op grond van de EG-Verordening niet heffen van de in Nederland sociaal verzekerde weduwe. Is de solidariteitsbijdrage geen premie maar een korting op de bruto-uitkering, dan is België daartoe uiteraard wel bevoegd. Maar steeds kan Nederland haar premies heffen. Rechtbank Den Haag - afgezien van de motivering - heeft met volledige premieplicht in Nederland een materieel juist oordeel geveld. Hof Den Haag niet.

Met het voorbehoud dat ik de Belgische parlementaire stukken inzake de solidariteitsbijdrage niet heb geraadpleegd, zie ik die bijdrage als een waarmee de hogere pensioenuitkeringen worden gekort. De solidariteitsbijdrage is alleen verschuldigd door pensioengerechtigden over hun pensioenuitkering, als deze een bepaald drempelbedrag overschrijdt. De bijdrage wordt niet geheven van alle in België sociaal verzekerden. Daarmee is de solidariteitsbijdrage naar mijn mening geen (algemene) premie ingevolge een wettelijk sociaalzekerheidssteldsel. België had de solidariteit onder hun pensioengerechtigden ook vorm kunnen geven - in plaats van een solidariteitsbijdrage - door, bijvoorbeeld, lage pensioenen wel te indexeren of anderszins te verhogen en hogere pensioenen niet of minder. Het resultaat zou hetzelfde zijn als bij de onderhavige (geringe) solidariteitsbijdrage.

Nederland kan premies volksverzekeringen heffen over het Belgische pensioen van de in Nederland sociaal verzekerde weduwe. Wie de solidariteitsbijdrage als een premie ingevolge het Belgische wettelijke sociaalzekerheidsstelsel ziet, moet concluderen dat België daarmee het gemeenschapsrecht schendt.

9. Beschouwing

9.1 Indien sprake is van een zuiver interne situatie, is een beroep op de verbodsbepalingen van het gemeenschapsrecht niet mogelijk. Volgens r.o. 10 van het arrest Petit van het HvJ EG van 22 september 1991 bestaat een zuiver interne situatie wanneer de situatie in alle opzichten beperkt is tot één Lid-Staat.(33) Wordt een socialeverzekeringsuitkering betaald door het bevoegd orgaan van Lid-Staat A aan een gerechtigde die in Lid-Staat B woont, dan is geen sprake van een situatie die in alle opzichten beperkt is tot één Lid-Staat, zodat het gemeenschapsrecht van toepassing is. Het andersluidende standpunt van de Staatssecretaris in zijn conclusie van repliek (bladzijde 4) volg ik dus niet.

9.2 De regeling van het overlevingspensioen valt onder de materiële werkingssfeer van Vo 1408/71 op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel d (zie 4.3). De wijze van financiering van het overlevingspensioen is vanwege de woorden "al of niet op premie- of bijdragebetaling" in artikel 4, tweede lid niet relevant, zo oordeelde het HvJ EG in r.o.21 van het arrest Hughes (zie 6.2). Het is te begrijpen dat de financieringswijze van een sociale zekerheidsregeling niet van invloed is op de reikwijdte van materiële werkingssfeer van Vo 1408/71, omdat het de Lid-Staten anders eenvoudig wordt gemaakt de werking van Vo 1408/71 te frustreren. Het HvJ EG heeft in zijn arresten Commissie vs. Frankrijk, r.o. 38 tot en met 40 (zie 6.4) en Jauch, r.o. 33 (zie 6.5) dan ook een ruime uitlegging gegeven aan het premie- en bijdragebegrip van artikel 4, tweede lid. De wetgeving in België rept van "afhouding" in plaats van inhouding ten laste van de begunstigde. Taalkundig lijkt tussen de woorden 'inhouding' en 'afhouding' geen verschil te bestaan: de meest recente uitgave van Van Dale (de veertiende uitgave, 2005) geeft als betekenis van het woord 'afhouding': korting, inhouding. Blijkens de website van de Nederlandse Taalunie zijn beide woorden in de betekenis 'het aftrekken van een bedrag van het totaal' correct. Er lijkt alleen verschil te zijn in geografie: 'inhouding' is standaardtaal in het hele Nederlandse taalgebied terwijl 'afhouding' slechts standaardtaal is in België.(34) Economisch gezien is er echter wel een verschil als "afhouding" moet worden begrepen als een korting waar geen latere uitkering tegenover staat. Een inhouding op een pensioen geeft - anders dan een korting op een bruto pensioen - namelijk doorgaans wel recht op een verzekerde uitkering (al dan niet ten gunste van de verzekerde zelf). De gemeenschapswetgever lijkt met het begrip 'premie' op inhouding te doelen, dit ter onderscheid van het begrip 'bijdrage' dat dan als synoniem voor afhouding moet worden gezien. Wat daarvan zij, op grond van de ruime uitlegging die het HvJ EG aan het premie- en bijdragebegrip geeft, wordt ook een korting als de solidariteitsbijdrage door het bijdrage- en premiebegrip van artikel 4, tweede lid, Vo 1408/71 bestreken.

9.3 Na de beantwoording van de vraag of de regeling van het overlevingspensioen onder de materiële werkingssfeer van Vo 1408/71 valt, rijst de vraag of de gerechtigde van het overlevingspensioen, belanghebbende dus, onder de personele werkingssfeer valt. Belanghebbende valt niet onder het tweede lid van artikel 2 Vo 1408/71 - zoals het Hof in r.o. 7.7 overweegt - maar onder het eerste lid. Wijlen de echtgenoot van belanghebbende had vermoedelijk de Belgische nationaliteit(35), en anders wel de Nederlandse. Zij valt als nagelaten betrekking van haar overleden echtgenoot dan onder de reikwijdte van het eerste lid van artikel 2; dat belanghebbende zelf nooit in twee of meer Lid-Staten heeft gewerkt en altijd in Nederland heeft gewoond doet daar niet aan af. Belanghebbende kan niet als nagelaten betrekking in de zin van het tweede lid van artikel 2 worden aangemerkt omdat die bepaling eerst aan de orde komt als de overleden werknemer niet de nationaliteit van één van de Lid-Staten had (zie 4.2). De gezinsleden en nagelaten betrekkingen van werknemers kunnen een beroep doen op Vo 1408/71, minst genomen voor hun afgeleide rechten, dat wil zeggen voor rechten die zij ontleenden aan iemand die werknemer is (geweest), zoals een nabestaandenuitkering. Het HvJ EG heeft in zijn arresten Cabanis-Issarte van 30 april 1996(36) en Hoever en Zachow van 10 oktober 1996(37) voor hen de toegang echter opengesteld voor alle bepalingen van Vo 1408/71, met uitzondering van bepalingen die uitsluitend openstaan voor werknemers, zoals de bepalingen inzake uitkeringen bij werkloosheid (artikelen 67 tot en met 71 Vo 1408/71). Dat brengt mee dat het exclusiviteitsbeginsel van artikel 13, eerste lid, Vo 1408/71 ook voor belanghebbende gelding heeft.

9.4 Uit de arresten Aldewereld (zie 6.3), Cabanis-Issarte en Hoever en Zachow (zie 9.3) volgt dat het gebrek aan een (rechtstreeks) toepasselijke aanwijsregel in de artikelen 13, tweede lid tot en met artikel 17 bis Vo 1048/71 niet in de weg staat aan gelding van het exclusiviteitsbeginsel. De omstandigheid dat de aanwijsregels het exclusiviteitsbeginsel tot uitdrukking brengen voor werknemers en zelfstandigen, en niet ook voor hun gezinsleden en nagelaten betrekkingen, betekent voor laatstgenoemden niet dat zij geen beroep op het exclusiviteitsbeginsel kunnen doen. De gemeenschapswetgever beoogt met het exclusiviteitsbeginsel te voorkomen dat ieder die onder de werkingssfeer van Vo 1408/71 valt, dubbele bijdragen verschuldigd is. In de regel valt het voorkomen van dubbele bijdrageplicht samen met het voorkomen van dubbele verzekeringsplicht, maar dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Daarvoor zijn twee overwegingen aan te dragen.

Ten eerste is de onderworpenheid in de zin van artikel 13, eerste lid, Vo 1408/71 een begrip dat niet synoniem is met verzekerd zijn ingevolge nationaal recht.(38) Artikel 1, onderdeel j, Vo 1408/71 kent namelijk een ruime definitie van de begrippen "wetgeving" en "wettelijke regeling", en beperkt dit niet tot die wetgeving of wettelijke regels op grond waarvan een persoon is verzekerd. De woorden "onderworpen" en "wetgeving" impliceren in samenhang dat het eerste lid betrekking heeft op wetgeving op grond waarvan een persoon een bijdrage of premie is verschuldigd ter financiering van een stelsel van sociale zekerheid.

Ten tweede gaat artikel 4, tweede lid, Vo 1408/71 over zowel een bijdrage als een premie. Verschuldigdheid van een premie volgt uit de verzekering. Door premiebetaling verzekert de verzekerde zich van een latere uitkering; de premieplicht is accessoir aan de verzekering. Dat ligt anders bij een bijdrage omdat verschuldigdheid van een bijdrage los kan staan van een verzekeringsrecht. Door betaling van een bijdrage verzekert de betaler zich nog niet van het recht op een latere uitkering (zie ook 9.2); zij is niet accessoir aan de verzekering. De onderworpenheid in de zin van artikel 13, eerste lid, Vo 1408/71 bestaat dan ook niet slechts uit het premieplichtig zijn maar kan ook bestaan uit de verschuldigdheid van een bijdrage, gegrond op wetgeving of een wettelijke regel in de zin van artikel 1, onderdeel j, Vo 1408/71.

9.5 Het exclusiviteitsbeginsel van Vo 1408/71 verzet zich er tegen dat twee of meer Lid-Staten gelijktijdig bijdragen heffen voor de sociale verzekeringen. Ingeval Vo 1408/71 niet van toepassing is, en dus geen beroep op het exclusiviteitsbeginsel kan worden gedaan, biedt het primaire gemeenschapsrecht mogelijk nog bescherming. Lid-Staten mogen in het uitoefenen van hun heffingsrechten namelijk geen belemmering van de Verdragsvrijheden opwerpen. De bescherming tegen dubbele bijdrageheffing die een justitiabele aan het primaire gemeenschapsrecht ontleent, gaat evenwel minder ver dan de bescherming die hij aan het exclusiviteitsbeginsel ontleent. Het exclusiviteitsbeginsel verbiedt namelijk elke dubbele bijdrageheffing, terwijl het primaire gemeenschapsrecht dubbele bijdrageheffing niet verbiedt als daar een recht op extra prestaties tegenover staat, zo volgt uit r.o. 61, 64 en 65 van het arrest Hervein/Lorthiois (zie 6.7). Deze 'voor wat, hoort wat'-redenering van het HvJ EG lijkt ook reeds besloten te liggen in r.o. 15 van het arrest Noij (zie 6.1). Immers, voor premieheffing is geen plaats als daar geen prestaties tegenover staan omdat die prestaties voor rekening komen van een andere Lid-Staat.

9.6 De regeling van het overlevingspensioen komt op een aantal punten overeen met de Anw. Ten eerste komen doelgroep en doelstelling van de twee regelingen overeen, omdat zij beide beogen te voorzien in het levensonderhoud van weduwen en weduwnaars. Ten tweede behelzen beide regelingen een risicoverzekering: er bestaat een recht op uitkering indien de verzekerde op het moment van zijn overlijden gehuwd is. Daaraan doet niet af dat de regeling van het overlevingspensioen geen expliciet begrip 'verzekerde' kent, want in feite wijst zij de werknemer die in België werkt of heeft gewerkt als verzekerde aan. Ten derde kunnen in beide regelingen verzekerde en begunstigde als gevolg van de omstandigheid dat de uitkering afhankelijk is van het overlijden van verzekerde, niet samenvallen. Ten vierde dragen zowel de verzekerde als de begunstigde bij aan de financiering van de regeling. Beide regelingen kennen evenwel ook een belangrijk verschil. De regeling van het overlevingspensioen wijst in feite als verzekerde aan de werknemer die in België heeft gewerkt. Zij is een werknemersverzekering. De Anw daarentegen wijst als verzekerde in de eerste plaats de inwoner van Nederland aan, en daarnaast degene die aan de Nederlandse loonbelasting is onderworpen. De Anw is een volksverzekering. Dit verschil betreft de reikwijdte van de regelingen, maar raakt echter niet de aard en strekking van de uitkeringen. Dit laatste is beslissend voor de toepassing van het Samenloopbesluit.

9.7 De vorenstaande overwegingen brengen mij tot het oordeel dat het overlevingspensioen een buitenlandse uitkering is die, in de zin van artikel 11, eerste lid, Samenloopbesluit, naar aard en strekking overeenkomt met een Anw-uitkering, en die daarom in mindering komt op de Anw-uitkering. Ik kan echter niet nagaan of een dergelijke korting is toegepast door de SVB. Laat ik een poging tot een berekening van een korting maken. In 2004 bedroegen de maandelijkse Anw-uitkeringen € 984,99 en het bijbehorende vakantiegeld € 55,55.(39) Op jaarbasis had belanghebbende zonder toepassing van enige korting recht op een Anw-uitkering van 12 x (€ 984,99 + € 55,55) = € 12.486,48. Het overlevingspensioen komt daarop in mindering zodat de Anw-uitkering van belanghebbende in 2004 zou hebben moeten bedragen: € 12.486,48 -/- € 9.947 = € 2.539,48.(40) Haar Anw-uitkering bedroeg in 2004 feitelijk echter € 7.481.(41) Belanghebbende heeft nooit in België gewoond of gewerkt, maar uitsluitend in Nederland. Ingevolge de arresten HR BNB 1992/41 en HR BNB 1995/206 (zie 6.1) mag Nederland het overlevingspensioen in de premiegrondslag begrijpen, maar omdat het overlevingspensioen ten laste is gekomen van de RVP moet Nederland de Anw-premie evenredig verminderen als het overlevingspensioen in mindering zou zijn gebracht op de Anw-uitkering. Belanghebbende heeft evenwel niet geklaagd over een korting op haar Anw-uitkering en de korting is ook niet door een feitenrechter vastgesteld. Daarom kan de Hoge Raad aan de vraag of de Anw-premie evenredig moet worden verminderd naar mijn mening voorbij gaan.

9.8 De grondslagvrijstelling van artikel 4, aanhef en onderdeel a, URPV 2002 (hierna: de vrijstelling) is blijkens de toelichting daarop geschreven voor de situatie waarin een premieplichtige gelijktijdig aan de Nederlandse en een buitenlandse wetgeving is onderworpen en waarin hij geen beroep op het exclusiviteitsbeginsel kan doen (zie 5.3). Artikel 4, onderdeel a, URPV 2002 mist daarom toepassing als de premieplichtige onder de werkingssfeer van Vo 1408/71 valt en het exclusiviteitsbeginsel gelding heeft. De reikwijdte van artikel 4, onderdeel a, URPV 2002 is daardoor beperkt.

De vrijstelling is vrijwel uitsluitend van toepassing in situaties die noch door Vo 1408/71 noch door het EG-Verdrag of sociale verdragen worden bestreken. In die gevallen kan het gemeenschapsrecht Nederland niet beletten om de in artikel 4, onderdeel a, URPV 2002 gebezigde begrippen uitsluitend naar intern recht uit te leggen. Nederland kan een buitenlandse bijdrageheffing negeren - en de vrijstelling weigeren - als deze bijdrage in de Nederlandse visie geen premie is. Een bijdrage ten behoeve van de financiering van de sociale verzekeringen, waartegenover geen recht op uitkeringen staat en die betaald moet worden nadat het verzekerde risico is ingetreden, zoals de solidariteitsbijdrage, kwalificeert niet als een premie (zie 9.2). Toepasselijkheid van de vrijstelling blijft naar mijn mening voorts beperkt tot een buitenlandse wettelijke regeling die zowel voorziet in een recht op uitkeringen bij ouderdom als in een recht op uitkeringen bij overlijden. Het woord "en" in de tekst van artikel 4, onderdeel a, URPV 2002 duidt op een cumulatieve voorwaarde. Bovendien is de grondslagvrijstelling zo ruim dat de regelgever als voorwaarde zal hebben gesteld dat elders in de wereld niet enkel premies worden betaald voor een ouderdoms- of overlijdensverzekering.

10. Beoordeling van het eerste middel van de Staatssecretaris

10.1 Anders dan de Staatssecretaris volg ik het oordeel van het Hof in r.o. 7.7 dat op belanghebbende geen aanwijsregel in artikel 13, tweede lid, Vo 1408/71 e.v. van toepassing is.(42) Dat neemt echter niet weg dat voor haar het exclusiviteitsbeginsel van artikel 13, eerste lid, geldt. Zij valt namelijk wel onder de werkingssfeer van Vo 1408/71 (zie 9.3). De Staatssecretaris is van oordeel dat toepassing van het exclusiviteitsbeginsel zoals vervat in artikel 13, eerste lid, met zich brengt dat de wetgeving van Nederland is aangewezen omdat belanghebbende in Nederland ingevolge nationaal recht is verzekerd.(43) Dit oordeel deel ik niet. Van onderworpenheid in de zin van artikel 13, eerste lid, kan immers ook sprake zijn op andere gronden dan verzekering ingevolge nationaal recht (zie 9.4). Naar mijn mening betekent de heffing van de solidariteitsbijdrage een onderworpenheid in de zin van artikel 13, eerste lid, aan de Belgische wetgeving. De wettelijke regeling die voorziet in heffing van de solidariteitsbijdrage voldoet namelijk aan de definitie vervat in artikel 1, onderdeel j, Vo 1408/71. Belanghebbende is als ingezetene verzekerd ingevolge de Nederlandse wetgeving, en daarmee eveneens aan de Nederlandse wetgeving onderworpen. Nu is geconstateerd dat belanghebbende onder de werkingssfeer van Vo 1408/71 valt en er sprake is van dubbele onderworpenheid, moet toepassing van het exclusiviteitsbeginsel er toe leiden dat óf België afziet van het heffen van de solidariteitsbijdrage, óf Nederland het overlevingspensioen niet in zijn premiegrondslag betrekt: tertium non datur. Beantwoording van de vraag welke Lid-Staat exclusief bevoegd is bijdragen te heffen, maakt de vraag of de vrijstelling al dan niet van toepassing mijns inziens overbodig (zie 9.8).

10.2 Het exclusiviteitsbeginsel brengt naar mijn mening mee dat belanghebbende, die sociaal verzekerd is in Nederland, niet tevens in België, waar ze niet verzekerd is, wordt onderworpen aan de verplichting om bijdrage te leveren aan de sociale zekerheid. Er zijn ook meer factoren van aanknoping met de wetgeving van Nederland dan met die van België. Belanghebbende woont niet in België en heeft daar nooit gewerkt; zij heeft daarentegen in Nederland gewerkt en woont hier (vgl. de r.o. 22, 24 en 25 van het arrest Aldewereld, zie 6.3). Nederland is daarom exclusief bevoegd, en de Staatssecretaris betoogt terecht dat België ten onrechte de solidariteitsbijdrage van haar heft.(44) En zelfs als belanghebbende geen beroep op het exclusiviteitsbeginsel van Vo 1408/71 kan doen, dan geldt dat het primaire gemeenschapsrecht aan de heffing van de solidariteitsbijdrage in de weg staat. Een rechthebbende op overlevingspensioen verwerft in ruil voor de afgehouden solidariteitsbijdrage geen recht op prestaties van sociale zekerheid. De heffing van de solidariteitsbijdrage is dan in strijd met het vrije verkeer van werknemers als bedoeld in artikel 39 EG-Verdrag (vgl. r.o. 61, 64 en 65 van het arrest Hervein/Lorthiois (zie 6.7)). Dat België zowel ten laste van een ingezetene als een niet-ingezetene de solidariteitsbijdrage afhoudt, doet aan schending van dat verbod niet af. Het zijn immers vooral niet-ingezetenen van België van wie een dubbele heffing over hun overlevingspensioen zal worden gevorderd, namelijk zowel in hun eigen woonstaat als in België. Deze schending door België kan niet unilateraal door Nederland worden gesauveerd. Elke Lid-Staat heeft immers de plicht zijn nationaal recht in overeenstemming met gemeenschapsrecht te brengen, zo oordeelde het HvJ EG in r.o. 78 van zijn arrest Amurta.(45) Mijn conclusie luidt dat de RVP de afgehouden solidariteitsbijdrage aan belanghebbende dient te retourneren, en Nederland in jaar 2004 het bruto overlevingspensioen van: € 9.947 + € 35,52 = (afgerond) € 9.982 in het premie-inkomen zou hebben mogen begrijpen. Het bedrag van de afgehouden solidariteitsbijdrage heeft de Inspecteur echter niet meegenomen in zijn berekening van het premie-inkomen over 2004 en hij heeft nadien in geding ook niet de stelling betrokken dat dit alsnog moet gebeuren. Het premie-inkomen over 2004 dient daarom te worden vastgesteld op € 7.556 plus het netto overlevingspensioen van € 9.947 is € 17.503. Wat het premie-inkomen over 2003 betreft was de vaststelling van het premie-inkomen op € 9.944 door het Hof reeds niet juist omdat het Hof geen rekening heeft gehouden met een aftrek voor buitengewone uitgaven van € 2.277. Ingevolge artikel 8 Wfv in verbinding met artikel 3.1, eerste lid, onderdeel j, Wet IB 2001 wordt immers ook de persoonsgebonden aftrek in het premie-inkomen begrepen. Het premie-inkomen over 2003 dient te worden vastgesteld op € 9.944 minus de buitengewone uitgaven van € 2.277 (de persoonsgebonden aftrek, zie 1.2) plus het overlevingspensioen van € 9.353 is € 17.020. De andersluidende uitspraken van het Hof dienen te worden vernietigd.

10.3 De Staatssecretaris heeft voorts gesteld dat de vrijstelling van artikel 4, aanhef en onderdeel a, URPV 2002 geen toepassing kan vinden omdat belanghebbende in België geen premie betaalt voor een wettelijke regeling inzake uitkeringen bij ouderdom en overlijden. Ook naar mijn mening betaalt belanghebbende daar geen premie voor een dergelijke verzekering (zie 9.8), maar die omstandigheid is niet relevant. Artikel 4, aanhef en onderdeel a, URPV 2002 is reeds niet aan de orde, omdat op belanghebbende niet gelijktijdig de Nederlandse en Belgische wetgeving inzake sociale verzekeringen toepassing vinden door toedoen van het exclusiviteitsbeginsel van Vo 1408/71.

11. Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging het beroep in cassatie van de Staatssecretaris gegrond te verklaren en de uitspraken van het Hof te vernietigen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Belastingdienst P.

2 Rechtbank 's-Gravenhage 18 december 2009, nrs. AWB 08/4770 en 08/4775 IB/PVV, niet gepubliceerd.

3 Gerechtshof 's-Gravenhage 4 mei 2011, nrs. 10/00057 en 10/00058, LJN: BQ5536, NTFR 2011/1421.

4 Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen.

5 HvJ EG 15 juni 2000 (Sehrer), C-302/98, Jur. 2000, p. I-4585, LJN: AL1261.

6 HvJ EG 18 juli 2006 (Nikula), C-50/05, Jur. 2006, p. I-7029, LJN: AZ0894, USZ 2007/20.

7 HvJ EG 21 februari 1991 (Noij), C-140/88, Jur. 1991, p. I-387, LJN: AL8059, BNB 1992/40, FED 1991/614, RSV 1991/201.

8 Regeling van 22 augustus 2002, nr. SV/F&W/2002/57694, Stcrt. 2002, 165, p. 17. De URPV 2002 is ingetrokken bij de Regeling van 2 december 2005, nr. SV/F&W/05/96420 (Regeling Wfsv), Stcrt. 2005, 242, p. 14, en materieel voortgezet in Hoofdstuk 2 van de Regeling Wfsv.

9 Ingevoerd bij Verordening (EEG) nr. 2195/91 van de Raad van 25 juni 1991 tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen en van Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71

10 Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen.

11 Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers (Belgisch Staatsblad van 27 oktober 1967).

12 http://www.rvponp.fgov.be/onprvp2004/NL/I/IA/IA_a/IA_a_b/IA_a_b_01.asp

13 http://www.onprvp.fgov.be/NL/futur/calculate/net/solidarity/Pages/default.aspx

14 Besluit van 10 juni 1996 tot vaststelling van regels met betrekking tot het inkomen van de nabestaande (Inkomens- en samenloopbesluit Anw), Stb. 1996, 306. Het Besluit is met ingang van 1 januari 2011 ingetrokken bij en vervangen door het Inkomensbesluit volksverzekeringen en sociale voorzieningen (Besluit van 23 december 2010, Stb. 2010, 869).

15 HvJ EG 21 februari 1991 (Noij), C-140/88, Jur. 1991, p. I-387, LJN: AL8059, FED 1991/614, RSV 1991/201.

16 Hoge Raad 11 mei 1988, nr. 23 893, LJN: ZC3829, VN 1988/1386, punt 32, FED 1998/576.

17 Hoge Raad 25 september 1991, nr. 23 893, LJN: ZC4712, BNB 1992/41, VN 1992/79, punt 32, FED 1991/914.

18 Hoge Raad 25 januari 1995, nr. 29 536, LJN: AA3094, BNB 1995/206, VN 1995/659, punt 23, FED 1995/209, RSV 1995/290.

19 HvJ EG 16 juli 1992 (Hughes), C-78/91, Jur. 1992, p. I-4839, LJN: AK9699.

20 HvJ EG 29 juni 1994 (Aldewereld), C-60/93, Jur. 1994, p. I-2991, LJN: ZB5307, BNB 1995/44, FED 1994/724, RSV 1995/68.

21 Hoge Raad 3 maart 1993 nr. 28 205, LJN: ZC5265, BNB 1993/140, VN 1993/1661, punt 6.

22 Hoge Raad 5 oktober 1994, nr. 28 205, LJN: ZC5755, BNB 1995/45, VN 1994/3345, punt 22, FED 1994/725.

23 HvJ EG 15 februari 2000 (Commissie vs. Frankrijk), C-34/98, Jur. 2000, p. I-995, LJN: AL1173. Van dezelfde datum is het arrest HvJ EG 15 februari 2000 (Commissie vs. Frankrijk), C-169/98, Jur. 2000, p. I-1049, LJN: AV7221, VN 2000/36.18. In die zaak ging het om een vergelijkbare Franse regeling, de Contribution Sociale Généralisée (hierna: CSG), en oordeelde het HvJ EG in nagenoeg identieke bewoordingen dat de regeling niet verenigbaar was met het gemeenschapsrecht.

24 HvJ EG 8 maart 2001 (Jauch) C-215/99, Jur. 2001, p. I-1901, LJN: AD8617, RSV 2001/169, USZ 2001/143.

25 HvJ EG 3 mei 2001 (Commissie vs. België), C-347/98, Jur. 2001, p. I-3327, LJN: AG0087, RSV 2002/302.

26 HvJ EG 19 maart 2002 (Hervein en Lorthiois), gevoegde zaken C-393/99 en C-394/99, Jur. 2002, p. I-2829, LJN: AL3705, AB 2002/362, VN 2002/20.12. Dit arrest staat ook bekend onder de naam Hervein II.

27 Bij het Verdrag van Amsterdam zijn de artikelen van het EG-Verdrag vernummerd. De artikelen 48 en 52 komen overeen met de vernummerde artikelen 39 en 43 EG-Verdrag.

28 Vraag met kenmerk E-0470/2005, oproepbaar via: http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+WQ+E-2005-0470+0+DOC+XML+V0//NL

29 Vraag met kenmerk E-8689/2010, oproepbaar via: http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?pubRef=-//EP//TEXT+WQ+E-2010-8689+0+DOC+XML+V0//NL

30 Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels.

31 In gelijke zin F.M. Noordam en S. Klosse, Socialezekerheidsrecht, Deventer: Kluwer 2008 (negende druk), p. 577-578, en de redactie van de Vakstudie Nieuws in haar aantekening bij VN 2011/63.15.

32 C. Hendrickx, Geen Riziv-bijdrage voor grensoverschrijdende aanvullende pensioenen?, Internationale Fiscale Actualiteit 2009, nr. 09/11-02.

33 HvJ EG 22 september 1992 (Petit), C-153/91, Jur. 1991, p. I-4973, LJN: AW3648.

34 http://taaladvies.net/taal/advies/vraag/1016/

35 De Staatssecretaris noemt wijlen de echtgenoot van belanghebbende op p. 2 van zijn beroepschrift in cassatie een "voormalig Belgische grensarbeider".

36 HvJ EG 30 april 1996 (Cabanis-Issarte), C-308/93, Jur. 1996, p. I-2097, LJN: AN5318, AB 1997/180.

37 HvJ EG 10 oktober 1996 (Hoever en Zachow), C-245/94 en 312/94, Jur. 1996, p. I-4895, LJN: AL0824.

38 Zoals de onderworpenheid in de zin van artikel 13, tweede lid, onderdeel f, Vo 1408/71, die in samenhang met artikel 10 ter Vo 574/72 wordt uitgelegd, zie 8.2.

39 Bedragen ontleend aan A.W. Borghoff e.a., Pensioengids 2004, Deventer: Kluwer 2004, p. 50. Een berekening van de korting in 2003 laat ik achterwege.

40 Haar pensioen van AEGON van € 306 was te gering voor een korting ingevolge artikel 18 Anw.

41 Het verschil hangt mogelijk samen met een gebruikmaking door de SVB van haar bevoegdheid ingevolge artikel 13 Samenloopbesluit.

42 Beroepschrift in cassatie, p. 8.

43 Conclusie van repliek, p. 3.

44 Beroepschrift in cassatie, p. 10.

45 HvJ EG 8 november 2007 (Amurta), C-379/05, Jur. 2007, p. I-9569, LJN: BB9570, VN 2007/57.16, NTFR 2007/2100, NJ 2008/54. R.o. 78 luidt: "Bijgevolg kan het Koninkrijk der Nederlanden zich niet beroepen op het bestaan van een voordeel dat unilateraal wordt verleend door een andere lidstaat, teneinde te ontsnappen aan de ingevolge het Verdrag op hem rustende verplichtingen."