Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BV0637

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-03-2012
Datum publicatie
23-03-2012
Zaaknummer
11/01886
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BV0637
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beëindiging overeenkomst van opdracht; wie is wederpartij? Onvoldoende gesteld voor toelating bewijsaanbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2012/113
RvdW 2012/458
NJB 2012/834
JAR 2012/113
JWB 2012/160
Verrijkte uitspraak

Conclusie

11/01886

mr. J. Spier

Zitting 6 januari 2012 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

TMG Distributie B.V.

(hierna TMG)

1. Feiten(1)

1.1 [Eiser] heeft zich op 31 augustus 2005 bij schriftelijke overeenkomst met als opschrift "Overeenkomst Freelance Organisatie" verbonden om met ingang van 1 september 2005 de zondagkrant van de Telegraaf in de gemeente Vaals te bezorgen. In deze overeenkomst is onder 'Gegevens opdrachtgever' (sub 2) de naam [betrokkene 1] vermeld. Voorts is daarop onder 'Handtekening' (sub 6) bij 'Opdrachtgever' een handtekening geplaatst die leest '[betrokkene 1]'. Onderaan het formulier (sub 7) is de volgende tekst opgenomen: "Door ondertekening van dit document verklaart de opdrachtnemer alle gegevens naar waarheid te hebben ingevuld, geldige documenten te hebben overgelegd en akkoord te gaan met de Algemene Voorwaarden en de bijlagen verstrekt door de opdrachtgever."

1.2 [Betrokkene 1] was ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst depothouder van TMG (toen genaamd DistriQ), een transport- en distributiebedrijf dat voor een aantal uitgevers van dagbladen de landelijke distributie verzorgt.

1.3 Blijkens door [eiser] overgelegde bankafschriften uit het jaar 2007 werd de betaling van de voor de bezorging van de Telegraaf verschuldigde vierwekelijkse vergoeding over de periode 1 - 10 van 2007 overgemaakt op een door [eiser] bij de Postbank aangehouden girorekening onder de vermelding "KN: (...) DistriQ BV/De Telegraaf vergoeding relatienr [001] (...)". De betalingen zijn verricht door het (aan TMG gelieerde) Administratiekantoor 't Gooi met hetzelfde sofinummer als TMG.

1.4 Eind 2005 heeft TMG aan onder meer [eiser] een "Unieke aanbieding voor bezorgers en overige freelancers" doen toekomen betreffende het afsluiten van een collectieve zorgverzekering voor bezorgers.

1.5 [Betrokkene 1] is op "enigerlei moment" als depothouder opgevolgd c.q. de bedrijfsmatige activiteiten van [betrokkene 1] zijn overgenomen door [betrokkene 2] en [betrokkene 3].

1.6 Bij brief van 24 september 2007 heeft laatstgenoemde aan [eiser] meegedeeld dat een in die brief beschreven handelwijze haar vertrouwen in de bereidheid van [eiser] om voor een correcte bezorging van de Telegraaf op Zondag zorg te dragen ernstig had geschaad en dat zij iemand anders voor de bezorgwijken Vaals 1 en Vaals 2 zou gaan inzetten.

2. Procesverloop(2)

2.1 [Eiser] heeft op 2 maart 2009 TMG gedagvaard voor de Rechtbank Amsterdam, sector kanton aldaar. Stellende dat hij de onder 1.1. genoemde overeenkomst niet met [betrokkene 1] doch met zekere [betrokkene 4], toentertijd rayonmanager van DistriQ, heeft gesloten en dat er geen grond was om deze overeenkomst op 24 september 2007 met onmiddellijke ingang te beëindigen, vordert [eiser] (voor zover in cassatie nog van belang) en na vermeerdering van eis in hoger beroep - in de onjuiste, maar in cassatie niet bestreden, weergave van het Hof -(3) van TMG betaling van een vergoeding van € 126 per maand te vermeerderen met vakantietoeslag, 'blijf'premie en wettelijke rente sedert 1 oktober 2007 totdat de overeenkomst rechtsgeldig ten einde is gekomen. Voorts vordert hij vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden als gevolg van een hem op 24 december 2001 gedurende zijn werkzaamheden voor een rechtsvoorgangster van TMG overkomen bedrijfsongeval.

2.2 Bij vonnis van 17 september 2009 heeft de Kantonrechter de vorderingen afgewezen omdat [eiser] de overeenkomst niet met TMG doch met [betrokkene 1] heeft gesloten en dat [eiser] [betrokkene 1], dan wel diens rechtsopvolger, kan aanspreken op de nakoming daarvan.

2.3 [Eiser] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

2.4 Het Hof Amsterdam heeft het bestreden vonnis in zijn arrest van 28 december 2010 bekrachtigd. Op de daartoe bijgebrachte gronden ga ik, voor zover nodig, onder 4 in.

2.5 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. TMG heeft het beroep bestreden; partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. Vervolgens is nog gere- en gedupliceerd.

3. Inleiding

3.1 Het relaas van beide partijen in deze zaak roept vragen op.

3.2 Het Hof heeft - in cassatie niet bestreden - aangenomen dat aan [eiser] betalingen zijn verricht door een administratiekantoor dat hetzelfde sofinummer had als TMG. Dat is een minder voor de hand liggende gang van zaken wanneer juist zou zijn de stelling van TMG dat van een overeenkomst met haar geen sprake is.

3.3 [Eiser] heeft zijn standpunt mede gebaseerd op een door hem in geding gebrachte - niet ondertekende - verklaring van [betrokkene 1]. TMG heeft betoogd dat deze verklaring is vervalst. In dat verband beroept zij zich op een wél ondertekende verklaring van deze [betrokkene 1], waarin hij meedeelt in de tuin te zijn bezocht door [eiser] met het verzoek om een door [eiser] opgestelde verklaring te tekenen. Toen [betrokkene 1] daartoe niet bereid was zou hij door [eiser] zijn bedreigd. In [eiser]s akte uitlating productie wordt weliswaar de stelling gehandhaafd dat het zou gaan om een verklaring van [betrokkene 1], maar de bedreiging wordt niet ontkend. Uit het niet geheel heldere relaas in die akte valt op te maken dat de verklaring door [eiser] is opgesteld, zij het dan ook dat [betrokkene 1] daarmee, volgens de akte, zou hebben ingestemd (blz. 5).

3.4 In de visie van TMG en het Hof speelt de overeenkomst Freelance Organisatie een belangrijke rol, met name de omstandigheid dat [betrokkene 1] daarin staat genoemd als opdrachtgever. Mij viel op dat de voorletters van [betrokkene 1] niet zijn ingevuld wat vragen oproept. De hele gang van zaken, met name ook de onder 3.2 genoemde betalingen en de bezorgershandleiding (in geding gebracht bij inleidende dagvaarding) roepen vragen op. Voor mij is daarbij niet direct van belang of die bezorgershandleiding vóór of na het aangaan van de onderhavige overeenkomst in handen van [eiser] is gekomen en evenmin of daarin een betaalkalender van 2003 voorkomt. Het allerminste wat gezegd kan worden, is dat sprake was van een schimmige organisatie en een gang van zaken die zeker (maar niet alleen) bij personen met - neem ik maar aan - een veelal beperkte opleiding en in voorkomende gevallen mogelijk bijpassende intellectuele gezichtseinder misverstanden kunnen oproepen.(4)

4. Bespreking van de middelen

4.1 Het eerste middel strekt ten betoge dat het Hof in rov. 4.4.1-4.6 het recht heeft geschonden door, met terzijdestelling van het bewijsaanbod van [eiser], zijn stelling dat tussen hem en TMG een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, te verwerpen. Het Hof zou zijn oordeel in ieder geval onvoldoende hebben gemotiveerd. Naar de kern genomen verwijten de meeste klachten het Hof [eiser]'s bewijsaanbod te hebben gepasseerd.

4.2 Daarnaast werpt onderdeel 6 nog een aantal specifieke kwesties in de strijd, waarop in de mvg op blz. 7 is gewezen:

a. de overeenkomst is aangegaan "onder auspiciën" van [betrokkene 4];

b. een brief van zekere [betrokkene 2] waaruit "een duidelijke gezagsverhouding" met DistriQ blijkt;

c. uitbetaling door TMG;

d. een aanbod van een collectieve ziektekostenverzekering door TMG.

4.3 Ik bespreek eerst de onder 4.2 vermelde stellingen.

4.4 Het middel bestrijdt niet 's Hofs oordelen dat:

i. depothouders krantenbezorgers inzetten voor het rondbrengen van kranten;

ii. [eiser] in elk geval toen hij de overeenkomst terugkreeg, moet hebben begrepen wie zijn opdrachtgever was, wat in 's Hofs gedachtegang blijkbaar een redengevende omstandigheid is;

iii. [betrokkene 1] aanwijzingen gaf nopens de bezorging;

iv. de omstandigheid dat betalingen werden overgemaakt door het Administratiekantoor niet mee zou brengen dat [eiser] TMG "alsnog" mocht beschouwen als werkgever nu het ging om betalingen die aan de pretense overeenkomst voorafgingen;

v. waarom geen (doorslaggevende) betekenis toekomt aan het aanbod van een collectieve verzekering.

4.5 De onder 4.2 sub c en d genoemde kwesties heeft het Hof gemotiveerd besproken; zie onder 4.4 onder iv en v. Tegen 's Hofs redengeving worden geen klachten gericht. Daarom kunnen deze punten [eiser] thans niet baten.

4.6 Resteren de onderwerpen genoemd onder 4.2 sub a en b. Het Hof is op die eerste stelling niet (uitdrukkelijk) ingegaan. M.i. kan dat [eiser] in dit stadium van de rechtsstrijd niet (meer) baten. De stelling onder a is te vaag; zij bood het Hof geen voldoende aanknopingspunten voor bespreking.

4.7 De stelling onder 4.2 sub b is eveneens vaag. Ik veronderstel dat wordt gedoeld op prod. 3 bij mvg; blijkens rov. 4.6 is ook het Hof daarvan uitgegaan. In die productie laat [betrokkene 2] inderdaad weten dat [eiser] zich naar de regels van DistriQ moet gedragen. Tevens is erin te lezen - het onderdeel doet er geen beroep op - dat niet [eiser] maar zijn zoon een overeenkomst zou hebben met DistriQ.

4.8 Het Hof heeft dit punt afgekaart met het oordeel dat uit die brief niet zou blijken "dat [betrokkene 3] niet de mening is toegedaan dat zij een contractuele relatie heeft gehad met [eiser]". Dat was evenwel niet wat [eiser] in de mvg op blz. 7, waarop het Hof kennelijk bedoelt te responderen, aanvoert; zie onder 4.2 sub b. Het komt mij, niet geheel zonder aarzeling, voor dat de - zeker niet onberispelijk geformuleerde - klacht hiertegen terecht opkomt. Daarbij weegt voor mij zwaar dat het hier gaat om eenvoudig werk van allicht veelal niet hoog opgeleide personen. In een dergelijke setting ligt het op de weg van de contractpartijen en andere betrokkenen, zoals in casu TMG, om heel duidelijk te zijn. Uit het geheel van omstandigheden waarop [eiser] zich beroept, kan m.i. geen andere conclusie worden getrokken dan dat het aan die duidelijkheid schort. M.i. heeft het Hof deze zaak, met alle respect, teveel bezien vanuit de ivoren toren zonder zich voldoende rekenschap te geven van het perspectief van krantenbezorgers. Dat brengt mee dat alsnog (nader) onderzoek naar de feiten zal moeten worden gedaan.

4.9 Alvorens op de resterende klachten in te gaan, eerst een korte juridische verkenning.(5)

4.10 Een bewijsaanbod mag niet worden gepasseerd op grond van een prognose van het resultaat van de bewijsvoering of omdat de rechter de gestelde feiten reeds bij voorbaat voor onwaar houdt. Dit is sinds 1982 vaste rechtspraak.(6)

4.11 Bij de huidige stand van de rechtsontwikkeling zijn er drie gronden waarop een bewijsaanbod van (één der) partijen door de rechter kan worden gepasseerd. De eerste grond is dat de betrokken partij tekort is geschoten op het stuk van haar stelplicht. De tweede reden voor het passeren van een bewijsaanbod van een partij bestaat in het geval het bewijsaanbod niet voldoende concreet (onvoldoende gespecificeerd) is. Is voor de rechter niet duidelijk hoe het bewijs zal worden geleverd, of welk feit/welke stelling zal worden bewezen, dan mag de rechter aan een bewijsaanbod voorbij gaan.(7) In de bewoordingen van Hoge Raad van 27 mei 2011:(8)

"In hoger beroep zal van een partij die bewijs door getuigen aanbiedt, in beginsel mogen worden verwacht dat zij voldoende concreet aangeeft op welke van haar stellingen het bewijsaanbod betrekking heeft en, voor zover mogelijk, wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen. De eis dat een bewijsaanbod voldoende specifiek moet zijn, kan meebrengen dat indien reeds schriftelijke verklaringen van de getuigen zijn overgelegd, nader wordt aangegeven in hoeverre de getuigen meer of anders kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan (vgl. HR 9 juli 2004, LJN AO7817, NJ 2005/270)."

4.12 Daarnaast kan een bewijsaanbod worden gepasseerd indien het niet ter zake dienend is (ook al zou partij X in haar bewijs slagen, dan nog zou dit niet tot een ander rechterlijk oordeel leiden). Dit bepaalt art. 166 lid 1 Rv. waarin staat dat de rechter slechts een bewijsaanbod behoeft te aanvaarden dat betrekking heeft op feiten die "tot de beslissing van de zaak kunnen leiden".

4.13.1 Van Schaik wijst op de zijns inziens "bedenkelijke" tendens van feitenrechters om zaken af te doen op grond van schending van de stelplicht, welke tendens in zijn ogen veroorzaakt wordt door de productiedwang. Hij stelt dat

"als partijen onverenigbare stellingen formuleren, de stelling van de partij die de bewijslast heeft en ook bewijs aanbiedt, niet zomaar gepasseerd [moet] kunnen worden op de grond dat de stelling niet of nauwelijks is gemotiveerd en/of onwaarschijnlijk is. De rechter die een dergelijke situatie snel afdoet op de schending van de stelplicht, miskent het dynamische verband tussen stelplicht en bewijslast, dat nog wordt versterkt doordat stelplicht - ingevolge art. 111 lid 3 Rv - motiveringsplicht impliceert. Een partij die haar stellingen niet door middel van schriftelijk bewijs kan motiveren, kan vaak weinig anders dan voldoende concreet getuigenbewijs aan te bieden. Omgekeerd moet de vraag of een bewijsaanbod voldoende concreet is, soms mede worden beantwoord aan de hand van de vraag in hoeverre de partij die de bewijslast heeft, in redelijkheid aan haar stelplicht heeft kunnen voldoen. Daarbij moet worden bedacht dat rechtspraak van de Hoge Raad die de feitenrechter meer ruimte lijkt te bieden om mager gemotiveerde stellingen te passeren, in belangrijke mate is te verklaren door het feit dat in cassatie wordt geklaagd over een beslissing in hoger beroep, waarin strengere eisen plegen te worden gesteld aan de concretisering van het bewijsaanbod."(9)

4.13.2 De neiging van de feitenrechter om geen kostbare tijd verloren te laten gaan met het in zijn ogen zonder goede zin horen van getuigen is in sommige gevallen wel te begrijpen. Mijn ambtgenoot Huydecoper heeft daar in zijn conclusie voor HR 31 oktober 2003 indringend op gewezen:

"(...) omdat ik niet kan of wil verhelen dat het standpunt dat M. in de feitelijke instanties heeft verdedigd bepaald de indruk wekt, dat het onaannemelijk is. Dan treft het onaangenaam, te moeten constateren dat er niettemin (louter) processuele redenen zijn waarom dat standpunt niet, op de wijze zoals dat in de appelinstantie is gebeurd, had mogen worden afgedaan."(10)

Hij concludeert dat ondanks de ongeloofwaardigheid van de stellingen van de partij, de klachten dat de rechter onaanvaardbare maatstaven heeft aangelegd bij de beoordeling van de stelplicht van deze partij en dat er ten onrechte aan haar bewijsaanbod voorbij is gegaan, moeten slagen. In lijn daarmee werd het bestreden vonnis door de Hoge Raad vernietigd omdat "(...) van een partij die aanbiedt zijn stellingen te bewijzen, niet gevergd kan worden dat hij, wil hij tot dit bewijs worden toegelaten, op voorhand zijn stellingen aannemelijk maakt en de daartegen gerichte stellingen van de wederpartij ontzenuwt."(11)

4.14.1 In onderhavige zaak heeft het Hof bij zijn oordeel over het bestaan van een overeenkomst tussen [eiser] en TMG de volgende omstandigheden meegewogen:

1) [betrokkene 1] heeft de 'Overeenkomst Freelance Organisatie' getekend (rov. 4.4.1); 2) in de in het contract opgenomen bepaling waarin melding wordt gemaakt van Algemene Voorwaarden valt niet te lezen dat het om algemene voorwaarden van de opdrachtgever gaat, maar slechts dat deze door de opdrachtgever zouden worden verstrekt waarmee het er niet toe doet of het gaat om door TMG opgestelde algemene voorwaarden (rov. 4.4.1);

3) [betrokkene 1] gaf [eiser] met betrekking tot de bezorging van kranten aanwijzingen (rov. 4.4.2); 4) het feit dat Administratiekantoor 't Gooi de betalingen overmaakte brengt niet mee dat [eiser] TMG "alsnog" als zijn opdrachtgever c.q. werkgever mocht beschouwen (rov. 4.4.2);

5) de vergoedingen afkomstig van DistriQ Zuid Oost hebben betrekking op een periode gelegen voor het sluiten van de onderhavige overeenkomst (rov. 4.4.2);

6) uit de aanbieding van TMG van een collectieve zorgverzekering kan niet worden afgeleid dat TMG als [eiser]'s opdrachtgever/werkgever moet worden beschouwd (rov. 4.4.2); 7) dat [eiser] door DistriQ in het kader van de litigieuze contractuele relatie een bezorgerhandleiding ter hand zou zijn gesteld blijkt "ook verder nergens uit" en wordt door TMG betwist (rov. 4.4.2).

4.14.2 Hierna vervolgt het Hof:

"4.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiser] zijn standpunt dat tussen hem en TMG een als arbeidsrelatie te kwalificeren contractuele verhouding tot stand is gekomen in het licht van het daartegen door TMG gevoerde verweer onvoldoende feitelijk heeft toegelicht.

4.6 [eiser] heeft bij memorie van grieven nog aangeboden om de door hem gestelde gang van zaken met betrekking tot de totstandkoming van de onder 4.1 sub i bedoelde overeenkomst te bewijzen "middels de getuigen [betrokkene 4] en [betrokkene 1]" doch uit de door [eiser] beschreven gang van zaken (zie bladzijde 5 van de memorie van grieven onder a, vier gedachtestrepen) volgt op zichzelf niet dat hij TMG als zijn contractspartij mocht beschouwen. De inhoud van de door [eiser] ter staving van zijn betoog overgelegde, niet ondertekende verklaring d.d. 27 september 2009 (productie 2 bij memorie van grieven) legt in dit verband onvoldoende gewicht in de schaal reeds omdat [betrokkene 1], wiens naam onder de verklaring is geplaatst, in een wel door hem ondertekende verklaring (productie 1 bij memorie van antwoord) betwist dat de bewuste 'brief' van 27 september 2009 van hem afkomstig is en voorts uit die 'brief' ook niet duidelijk op te maken valt dat [eiser] niet met de depothouder van TMG doch met TMG zelf een contractuele relatie is aangegaan (vgl. gedeeltelijk doorgestreepte eerste volzin). Het hof ziet gelet op dit een ander geen aanleiding om op het bewijsaanbod van [eiser] ter zake in te gaan en zal dit mitsdien passeren.

[Eiser] heeft voorts nog gewezen op de inhoud van een door hem bij memorie van grieven als productie 3 overgelegde brief van [betrokkene 2] aan hem van 15 september 2006, waaruit zijn inziens zou volgen dat [betrokkene 3] niet de mening is toegedaan dat zij een contractuele relatie heeft gehad met [eiser]. Dit valt echter in die brief niet te lezen en valt voorts niet te rijmen met de inhoud van de brief van [betrokkene 3] aan de advocaat van [eiser] van 13 februari 2007 (productie 6 bij conclusie van antwoord) waarin zij zich bereid verklaard om met [eiser] een regeling te treffen. Het hof ziet in het licht hiervan evenmin aanleiding om in te gaan op het aanbod van [eiser] om [betrokkene 2] als getuige te doen horen."

4.15 Ik gaf reeds aan dat de resterende klachten scharnieren om het passeren van het bewijsaanbod. Blijkens onderdeel 4 gaat het [eiser] daarbij in de eerste plaats om zijn stelling dat hij van de rayonmanager van TMG [betrokkene 4] een blanco overeenkomst kreeg die door hem op het TMG-kantoor te Vaals werd ingevuld in aanwezigheid van deze [betrokkene 4], waarna hij een overeenkomst waarbij de naam [betrokkene 1] was ingevuld terugkreeg. 's Hofs oordeel dat deze stelling er niet toe doet omdat [eiser] later duidelijk moet zijn geworden dat [betrokkene 1] zijn wederpartij was, is m.i. onjuist of onbegrijpelijk. Voor personen die gemeenlijk dit soort werkzaamheden verrichten, is allerminst merkwaardig dat ze (kunnen) denken dat de werkgever (of contractpartij) is degene op wiens kantoor een overeenkomst wordt ingevuld in aanwezigheid van (klaarblijkelijk) één of meer functionarissen van die partij. Een onderneming als TMG behoort daarmee rekening te houden en moet daarom duidelijkheid verschaffen in plaats van mist op te trekken. Daarom kan 's Hofs oordeel het passeren van het bewijsaanbod niet dragen. De hierop toegespitste klacht van onderdeel 4 slaagt.

4.16 Onderdeel 7 klaagt erover dat het Hof het bewijsaanbod dat de overgelegde verklaring van [betrokkene 1] juist is, heeft gepasseerd. Ook die klacht slaagt. 's Hofs redengeving - in essentie: [betrokkene 1] heeft die verklaring betwist - kan dat passeren niet dragen, gebaseerd als zij blijkbaar is op een verboden bewijsprognose. Het moge zijn, zoals het Hof verderop in rov. 4.6 overweegt, dat uit de verklaring niet duidelijk blijkt dat [eiser] een overeenkomst is aangegaan met TMG, maar als de verklaring in essentie juist zou zijn dan blijkt er wel uit dat TMG een zeer ondoorzichtige situatie in het leven heeft geroepen. Dan kan een krantenbezorger bezwaarlijk worden verweten dat hij geen duidelijke stukken in geding brengt. Ook die motivering kan dus het passeren van het bewijsaanbod niet dragen.

4.17 De onderdelen 8 en 9 postuleren, als ik het goed zie, geen zelfstandige klacht.

4.18 Middel II richt zich tegen de afwijzing van "de vordering van [eiser] tot vergoeding van de door hem geleden schade ad € 497,- tengevolge van het feit dat zijn bril in december 2001 onherstelbaar is beschadigd (op welk tijdstip [eiser] bij een rechtsvoorganger van TMG in dienst was)". Volgens het middel zou [eiser] hebben aangegeven dat de schade was ontstaan bij het bezorgen van kranten voor TMG.

4.19 [Eiser] heeft op dit punt in feitelijke aanleg aangevoerd:

"Op 24-12-2001 heeft er een bedrijfsongeval plaatsgevonden. Eiser is tijdens het bezorgen van de kranten op zijn gezicht gevallen en daarbij is zijn bril onherstelbaar beschadigd" (inleidende dagvaarding onder 7).

"Eiser is van mening dat gedaagde de schade, die € 497,- bedraagt dient te vergoeden omdat het ongeval is gebeurd tijdens het verrichten van werkzaamheden voor gedaagde. Eiser heeft gedaagde op 10-9-2002, op 19-8-2005 en op 4-12-2007 verzocht de schade te vergoeden doch gedaagde heeft zulks geweigerd" (inleidende dagvaarding onder 8).

"Appellant heeft op 24-12-2001 een bedrijfsongeval gehad, waarbij zijn bril onherstelbaar is beschadigd. Appellant heeft in eerste instantie gevorderd geïntimeerde te veroordelen de schade die appellant heeft geleden, zijnde € 497,- te vergoeden.(...) Het bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden gedurende een periode waarin appellant bij geïntimeerde is dienst was (...)." (mvg blz. 3)

4.20 's Hofs oordeel dat [eiser] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd, is tegen de toets der kritiek bestand.(12) Ik laat dan nog maar daar dat niet duidelijk is wat de juridische grondslag van de vordering is. De stellingen zijn zo lapidair dat ze TMG, zo nodig mede in verband met het tijdsverloop, geen aanknopingspunten boden voor verweer en dat zij zich evenmin leenden voor beoordeling door de rechter.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugverwijzing ter fine van het alsnog horen van getuigen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat-Generaal

1 Ontleend aan het bestreden arrest van 28 december 2010 van het Hof Amsterdam onder 4.1.

2 Zie o.a. het betreden arrest onder 4.2.

3 In het petitum van de mvg worden de kennelijk in het petitum onder a en b van de appeldagvaarding genoemde vorderingen gehandhaafd.

4 Het Hof heeft daaromtrent niets vastgesteld en het middel doet er geen beroep op.

5 Zie onder meer H.J. Snijders en A. Wendels, Civiel Appel (2009), nr. 207.

6 HR 18 juni 1982, LJN AG4408, NJ 1982, 606 PAS (Hurkmans/Schuurink); zie ook Snijders/Wendels, a.w., p. 189 en de aldaar genoemde jurisprudentie.

7 Zie bijvoorbeeld HR 9 juli 2004 (LJN AO7817), NJ 2005, 270 DA rov 3.6.

8 LJN BP9991, NJ 2011, 512 H.B. Krans.

9 Asser-Procesrecht/Van Schaick 2 nr 95

10 Voor HR 31 oktober 2003 (LJN AI0865), NJ 2004, 520 onder 5.

11 Rov. 3.3.

12 Vergelijk HR 11 november 2011, LJN BR5215, RvdW 2011, 1392.