Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BU8764

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-03-2012
Datum publicatie
13-03-2012
Zaaknummer
11/02258 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU8764
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag, beslag. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BL2823 m.b.t. de aan te leggen maatstaf bij een beklag van de beslagene tegen een op de voet van art. 94 Sv gelegd beslag. De Rb heeft in haar overwegingen o.m. tot uitdrukking gebracht dat het veiligstellen van het belang van de waarheidsvinding het voortduren van het beslag nodig maakt. De Rb heeft aldus aan haar oordeel de juiste maatstaf ten grondslag gelegd en deze maatstaf niet onbegrijpelijk toegepast. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 11/02258 B

Mr. Knigge

Zitting: 13 december 2011

Conclusie inzake:

[Klager]

1. De Rechtbank Zutphen heeft het klaagschrift van klager - strekkende tot teruggave van twee inbeslaggenomen auto's - bij beschikking van 7 april 2011 ongegrond verklaard.

2. Tegen deze uitspraak is namens klager cassatieberoep ingesteld.

3. Namens klager heeft mr. D.J.P.M. Vermunt, advocaat te Arnhem, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel

4.1. Het middel betoogt dat de Rechtbank haar beschikking niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.

4.2. De eerste in het middel vervatte klacht keert zich tegen de overweging van de Rechtbank dat uit de stukken blijkt dat (de auto's op 15 november 2010 onder klager in beslag zijn genomen en dat) klager wordt verdacht van witwassen. Deze overweging is - aldus het middel - onbegrijpelijk, omdat uit de stukken waarover de Rechtbank beschikte, niet zou kunnen worden afgeleid dat klager verdacht werd van witwassen.

4.3. Tot het (aan de Hoge Raad toegezonden) dossier behoort een proces-verbaal van bevindingen, dat op 7 maart 2011 door verbalisant [verbalisant 1] is opgemaakt, en waarin op p. 2 met zoveel woorden staat dat klager op 15 november 2010 is aangehouden op verdenking van "artikel 420bis/1/A Wetboek van Strafrecht juncto artikel 410ter Wetboek van Strafrecht." Bij de stukken bevindt zich eveneens een proces-verbaal van verhoor verdachte dat op 15 november 2010 door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] is opgemaakt. Aan het slot van dit proces-verbaal verklaart klager (verdachte): "Ik ontken het feit waarvoor ik ben aangehouden. Ik heb mij niet schuldig gemaakt aan witwassen." Het moet ervoor gehouden worden dat deze processen-verbaal zich ook in het dossier bevonden waarover de Rechtbank beschikte. Ik wijs er in dit verband op dat het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer op 31 maart 2011 onder meer inhoudt dat de rechter de verdachte de verklaring voorhoudt die hij bij de politie heeft afgelegd. De klacht dat de Rechtbank op 7 april 2011 niet de beschikking had over stukken waaruit zij kon opmaken dat klager van witwassen werd verdacht, faalt derhalve.

4.4. Nu is de klacht weinig helder geformuleerd. Mogelijk moet zij aldus worden verstaan dat uit de processtukken waarover de Rechtbank beschikte niet kan worden opgemaakt dat de verdenking van witwassen was gebaseerd op een redelijk vermoeden van schuld. Maar onduidelijk is dan wat daarmee betoogd wil zijn. Als bedoeld mocht zijn dat ten tijde van de inbeslagneming op 15 november 2010 geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld, zodat de inbeslagneming onrechtmatig was, faalt de klacht reeds omdat een dergelijke klacht niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd. Noch in het klaagschrift, noch tijdens de behandeling in raadkamer is aangevoerd dat de inbeslagneming onrechtmatig was. Ik houd het er daarom op dat bedoeld is te betogen dat uit de stukken waarover de Rechtbank beschikte, niet blijkt dat nog steeds sprake was van een redelijk vermoeden van schuld. Zo gelezen mist de klacht zelfstandige betekenis. Zij gaat dan op in de nog te bespreken klacht dat de Rechtbank haar oordeel dat het belang van de strafvordering zich tegen teruggave verzet, onvoldoende heeft gemotiveerd.

4.5. Het middel klaagt voorts over de motivering van de ongegrondverklaring van het beklag. Die motivering luidt als volgt:

"De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de inhoud van het dossier en de behandeling ter zitting, de officier van justitie terecht de auto's in beslag heeft genomen met het oog op de waarheidsvinding. Verder is de rechtbank van oordeel dat zich hier niet voordoet het geval dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend in de strafzaak de auto's verbeurd zal verklaren. De door klager naar voren gebrachte belangen wegen niet op tegen het belang van strafvordering, dat zich dan ook verzet tegen teruggave van de inbeslaggenomen auto's. Reden waarom als na te melden zal worden beslist."

4.6. Aangevoerd wordt in de eerste plaats dat de Rechtbank in de eerste zin van deze overweging een onjuiste maatstaf heeft toegepast. Gesteld wordt dat in geval van een beklag tegen een ex art. 94 Sv gelegd beslag de rechter in de eerste plaats moet beoordelen of het belang van de strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Dat is, zo geformuleerd, niet juist. Bij beklag over de inbeslagneming van voorwerpen moet de rechter juist wel beoordelen of de inbeslagneming rechtmatig was. De in de schriftuur geformuleerde maatstaf geldt als geklaagd wordt over het uitblijven van een last tot teruggave. Die maatstaf heeft de Rechtbank gelet op de volgende zinnen van haar overweging wel degelijk aangelegd. De klager kan zich er in alle redelijkheid niet over beklagen dat de Rechtbank het beklag (mogelijk ten onrechte) heeft verstaan als een beklag dat zich mede richtte tegen de inbeslagneming zelf.

4.7. De klacht die vervolgens wordt geformuleerd, snijdt wel hout. Aangevoerd wordt dat de Rechtbank haar oordeel dat zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend in de strafzaak de auto's verbeurd zal verklaren, in het geheel niet heeft gemotiveerd. Ik meen dat die klacht gegrond is. De Rechtbank heeft in de weergegeven overweging in feite enkel de maatstaf vermeld die zij bij de beoordeling van het beklag heeft gehanteerd. Meer inzicht in haar gedachtegang heeft zij niet gegeven. Op grond waarvan de Rechtbank tot haar oordeel is gekomen dat - kort gezegd - verbeurdverklaring niet hoogst onwaarschijnlijk is, blijft in het duister.

4.8. Gelet op het summiere en voorlopige karakter van de beklagprocedure kunnen aan de motivering van het oordeel van de beklagrechter geen hoge eisen worden gesteld. Als het belastende bewijsmateriaal bij wijze van spreken uit het dossier naar voren springt, terwijl daar door de klager niets van belang tegenover is gesteld, behoeft een minimale motivering als waarvan hier sprake is, wanneer zij welwillend wordt gelezen in het licht van het dossier en het verhandelde in raadkamer, niet onbegrijpelijk te zijn. In dit geval zie ik echter voor een dergelijke welwillende lezing onvoldoende aanleiding. Ik merk daarbij op dat de verdenking van witwassen in dit geval enkel lijkt te zijn gebaseerd op het feit dat klager de inbeslaggenomen auto's bezat in combinatie met diens criminele verleden, terwijl in het klaagschrift, onderbouwd met onder meer bankafschriften en een nota van de notaris, is aangevoerd dat de auto's zijn gefinancierd uit geld dat de partner van verdachte heeft overgehouden aan haar echtscheidingsprocedure en uit geld van een erfenis. Van de Rechtbank mag dan verlangd worden dat zij aangeeft waarom zij van oordeel is dat het aangevoerde in dit stadium van het onderzoek niet tot het oordeel leidt dat de veroordeling van klager en daarmee de verbeurdverklaring van de auto's hoogst onwaarschijnlijk is.

5. Het middel slaagt derhalve.

6. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

7. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing met betrekking tot terug- of verwijzing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG