Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BU8646

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
09/05056
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU8646
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 09/05056

Zitting: 28 februari 2012

Mr. Knigge

Aanvullende conclusie inzake:

[verdachte]

1. In de door mij op 13 december 2011 genomen conclusie heb ik geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van verdachte in zijn cassatieberoep, omdat hij niet tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen.

2. De raadsman van verdachte, mr. P.H. Ruys, advocaat te Rotterdam, heeft bij schrijven van 16 december 2011 gereageerd op deze conclusie en onder verwijzing naar een bijgevoegde faxverzendbevestiging gesteld dat de schriftuur binnen de termijn is ingediend.

3. Voornoemde faxverzendbevestiging houdt - voor zover relevant - in:

"Verzend controle rapport

Datum, tijd01/07 19:44

Fax nr. /naam0-0703611451

Pagina's 02

ResultOK

Mode Standaard"

Voorts geeft deze faxverzendbevestiging een deel van het verzonden stuk weer, onder meer inhoudende:

"Cassatieschriftuur

Geeft eerbiedig te kennen:

[verdachte], wonende te [woonplaats], te dezer zake domicilie kiezende aan de Maaskade 93 te (3071 NE) Rotterdam ten kantore van de advocaat Mr. P.H. Ruys;

Dat verzoeker tot cassatie van het hem betreffende arrest van 19 november 2010 gewezen door het Gerechtshof te Den Haag in de zaak met ressortsnr. 22/002884-07, de volgende middelen van cassatie voordraagt:

(...)"

4. De aanzegging in cassatie is op 2 mei 2011 betekend. De in art. 437 lid 2 Sv bedoelde termijn van twee maanden voor het indienen van een schriftuur houdende middelen van cassatie, eindigde op 1 juli 2011.

5. Ten tijde van mijn eerdere conclusie bevond zich geen gefaxt exemplaar van de schriftuur in het dossier. Het dossier bevatte een schriftuur gedateerd op 1 juli 2011 met begeleidend schrijven van 6 juli 2011, binnengekomen bij de Hoge Raad op 7 juli 2011. Dat bracht mij tot de conclusie dat verdachte niet ontvankelijk diende te worden verklaard in zijn cassatieberoep omdat hij niet tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen.

6. Het risico dat de schriftuur niet tijdig bij de Hoge Raad binnenkomt ligt bij de indiener, die zich er in ieder geval tijdig van moet vergewissen dat de schriftuur bij de Hoge Raad is aangekomen.(1) Het na afloop van de termijn overleggen van een stuk inhoudende dat de schriftuur is verzonden wil nog niet zeggen dat het stuk is ontvangen. In een zaak waarin het ging om de appelschriftuur en een stuk was overgelegd inhoudende dat die appelschriftuur tijdig was verzonden aan de griffie van de Rechtbank, overwoog de Hoge Raad "In cassatie is wel overgelegd een stuk inhoudende dat de appelschriftuur is verzonden aan de griffie van de Rechtbank, maar niet een stuk inhoudende dat die schriftuur aldaar is ontvangen. Nu ook anderszins aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, moet het ervoor worden gehouden dat de in cassatie overgelegde appelschriftuur niet aanwezig was in het dossier dat het Hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in hoger beroep, terwijl onvoldoende grond bestaan voor het ernstige vermoeden dat die schriftuur ter griffie van de Rechtbank is ontvangen en vervolgens in het ongerede is geraakt."(2)

7. Nader onderzoek, naar aanleiding van de reactie van de raadsman op mijn conclusie, heeft het volgende uitgewezen. Op 1 juli 2011 is wel degelijk een schriftuur binnengekomen per fax. Op dit faxexemplaar van de schriftuur is - anders dan in de begeleidende brief bij de schriftuur die zich al in het dossier bevond - het door de Hoge Raad aan de zaak toegekende rolnummer 09/05056 echter niet vermeld. In de schriftuur wordt ressortsnr. 22/002884-07 genoemd, hetgeen niet overeenkomt met de nummers op het arrest of het vonnis in de strafzaak, maar het rolnummer is van de ontnemingszaak tegen de verdachte.(3) Dit heeft ertoe geleid dat het faxexemplaar van de schriftuur in het ongerede is geraakt. Voor de per fax binnengekomen schriftuur is door de administratie van de Hoge Raad een nieuw dossier(nummer) aangemaakt, te weten 11/02995 en onder dat nummer is het faxexemplaar van de schriftuur bewaard en opgeslagen. Dat had ook anders gekund, aangezien de binnenkomst van een schriftuur toch zou moeten doen vermoeden dat er al een bijbehorend dossier is, met daarin in ieder geval een stelbrief van de raadsman, stukken betreffende de aanzegging in cassatie en de betekening daarvan, alsmede de processtukken van de behandeling in eerste aanleg en in hoger beroep. De administratie had daarin aanleiding kunnen vinden om zich desnoods met de raadsman te verstaan en hem om opheldering te vragen. Hoe het ook zij, het op het eerste gezicht ontbreken van een bij de schriftuur behorend dossier heeft op dat moment kennelijk slechts geresulteerd in het aanmaken van een nieuw dossier.

Ten slotte kan worden vastgesteld dat de inhoud van de schriftuur ziet op het arrest in de strafzaak en dat in de ondernemingszaak geen cassatie is ingesteld.(4)

8. In het voorgaande zie ik aanleiding terug te komen op mijn conclusie van 13 december 2011. Ik stel voorop dat van een raadsman verwacht mag worden dat hij de juiste nummers noemt en dat het feit dat het faxexemplaar van de schriftuur in eerste instantie niet in het juiste dossier terecht is gekomen derhalve mede aan een slordigheid van de raadsman is te wijten. Daar staat evenwel tegenover dat van de administratie van de Hoge Raad een grotere alertheid mocht worden verwacht. Dat laatste zou ik het zwaarst willen laten wegen. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hier gaat om een incidentele slordigheid en niet om een plaag waardoor de administratie wordt geteisterd. In dat laatste geval zou een meer stringente opstelling wellicht gerechtvaardigd zijn. Ik concludeer dan ook dat thans vastgesteld moet worden dat de verdachte tijdig een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft ingediend.

9. Het middel

9.1. Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het tezamen en in vereniging vervoeren en aanwezig hebben van 714 gram cocaïne.

9.2. Voor zover het middel met een beroep op hetgeen "uit het dossier" zou blijken erover klaagt dat verdachte ten onrechte is veroordeeld, faalt het omdat die klacht de aard van de cassatieprocedure miskent.

9.3. Voor zover het middel erover bedoelt te klagen dat de door het Hof voor het bewijs gebezigde verklaring van medeverdachte Sastro niet door een tweede bewijsmiddel wordt bevestigd, faalt het omdat die klacht berust op een opvatting die geen steun vindt in het recht.

9.4. Een en ander behoeft geen nadere motivering, nu noch het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, noch enig ander belang meebrengt dat nader wordt uiteengezet waarom het middel niet tot cassatie kan leiden.

10. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

11. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

12. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 HR 18 november 2003, LJN: AN8293, NJ 2004, 178

2 HR 4 oktober 2011, LJN: BO6130, NJ 2011, 467

3 Zie het proces-verbaal van de terechtzitting van 5 november 2009, p. 2.

4 Dit laatste blijkt uit telefonische inlichtingen ingewonnen bij de strafadministratie van het Hof.

Nr. 09/05056

Mr. Knigge

Zitting: 13 december 2011

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte bij arrest van 19 november 2009 wegens "Eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van eenentwintig maanden met aftrek van voorarrest.

2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte heeft mr. P.H. Ruys, advocaat te Rotterdam, een schriftuur ingediend, houdende één middel van cassatie.

3. Aan de bespreking van dit middel kom ik echter niet toe, omdat de schriftuur niet binnen de daarvoor door art. 437 lid 2 Sv gestelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad is binnengekomen.(1) Nu niet is voldaan aan het vereiste van een tijdige indiening van een schriftuur, dient verdachte niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn cassatieberoep.

4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 De aanzegging ex art. 435 lid 1 Sv is op 2 mei 2011 betekend. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van de cassatieschriftuur - ingevolge art. 437 lid 2 Sv - 1 juli 2011 verstreek. De schriftuur is niet vóór die datum bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen.