Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BU7647

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
27-03-2012
Zaaknummer
10/02857
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU7647
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 10/02857

Mr. Hofstee

Zitting: 31 januari 2012

Aanvullende conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker bij arrest van 24 april 2009 wegens "overtreding van het bepaalde bij artikel 62 van het RVV 1990", veroordeeld tot een geldboete van € 1.400,-, subsidiair 28 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het Hof verzoeker de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden ontzegd.

2. Namens verzoeker heeft mr. P.A. van der Waal, advocaat te Amsterdam, een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie.

3. In vervolg op mijn conclusie van 6 december 2011 concludeer ik thans aanvullend, omdat ik destijds ten onrechte heb gemeend dat de schriftuur houdende middelen van cassatie te laat bij de Hoge Raad was binnengekomen. Ik ging er toen van uit dat de door art. 437, tweede lid, Sv op straffe van niet-ontvankelijkheid gestelde termijn van twee maanden afliep op 3 juni 2011. Bij nader inzien is deze vrijdag na Hemelvaart met een algemeen erkende feestdag gelijkgesteld(1), zodat de bij de wet gestelde termijn eerst op maandag 6 juni 2011 afliep. De op die datum binnengekomen schriftuur is derhalve wel tijdig ingediend. Dit betekent dat ik de daarin voorgestelde middelen van cassatie alsnog zal bespreken.

4. Het eerste middel klaagt dat de bewezenverklaarde snelheidsovertreding niet uit het enige door het Hof gebezigde bewijsmiddel kan worden afgeleid, aangezien de in het bedoelde proces-verbaal van verbalisanten d.d. 13 juni 2007 gerelateerde waarneming van de door verzoeker gereden snelheid niet juist kan zijn, althans dat het Hof het daaromtrent gevoerde bewijsverweer onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

5. In het bestreden arrest heeft het Hof ten laste van verzoeker bewezen verklaard dat:

"hij op 11 juni 2007 te Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder-Amstel, als bestuurder van een motorvoertuig (motorfiets) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A2, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers in strijd met een bord Al van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 - op welk bord een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur was aangegeven - de aldaar toegestane maximumsnelheid met meer dan 40 kilometer per uur heeft overschreden."

6. Het Hof heeft in zijn arrest het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Ter terechtzitting gevoerd bewijsverweer

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep verweer gevoerd aan de hand van een pleitnota, welke pleitnota zich bij de stukken bevindt. De raadsman heeft, kort gezegd, bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde feit, aangezien op grond van de stukken van het dossier niet kan worden vastgesteld met hoeveel kilometer per uur verdachte de ter plaatse toegestane snelheid heeft overschreden. De conclusie van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], neergelegd in het proces-verbaal van 13 juni 2007, dat verdachte de snelheid met l02 kilometer per uur heeft overschreden kan, gelet op de in het proces-verbaal genoemde tijdstippen niet juist zijn. Het proces-verbaal is derhalve onbetrouwbaar en dient niet tot het bewijs te worden gebezigd. Bij gebrek aan voldoende overig bewijs dient verdachte van het tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hiertoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 13 juni 2007 blijkt dat verdachte op 11 juni 2007 op de Rijksweg A2 te Ouderkerk aan de Amstel met een (gecorrigeerde) snelheid van 202 kilometer per uur heeft gereden, terwijl ter plaatse een snelheid van maximaal 100 kilometer per uur was toegestaan. Verbalisant [verbalisant 1] is ter terechtzitting in hoger beroep van 28 november 2008 en 10 april 2009 als getuige gehoord. [Verbalisant 1] heeft verklaard dat de inhoud van het proces-verbaal juist is en dat hij en verbalisant [verbalisant 2] het motorvoertuig van verdachte gedurende enige tijd met een snelheid van 220 km/u hebben achtergevolgd. [Verbalisant 1] heeft verklaard met zekerheid te kunnen zeggen dat zij verdachte met deze hoge snelheid hebben achtervolgd, aangezien de dienstauto waarmee zij verdachte op 11 juni 2007 achtervolgden een maximumsnelheid van 220 km/uur heeft en hij op dat moment het gaspedaal volledig ingedrukt hield en met deze topsnelheid reed. Terwijl zij 220 km/u reden, constateerden zij dat verdachte meermalen van de dienstauto weg reed. Het hof heeft op grond van de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen in hoger beroep geen reden te twijfelen aan de bevindingen van de verbalisanten, waar het betreft de door hen gereden snelheid. Gelet op de omstandigheid dat verbalisanten verdachte gedurende enige tijd met deze zeer hoge snelheid van 220 kilometer per uur hebben achtervolgd, kan tot gevolg hebben gehad dat de in het proces-verbaal gerelateerde tijdsvermeldingen slechts zeer globaal overeenstemmen met de werkelijke tijdsspanne, waarvan de aanvang en het eind overigens slechts 'ongeveer' zijn aangeduid. Deze omstandigheid leidt er echter niet toe dat de snelheidswaarneming in het proces-verbaal van 13 juni 2007 onbetrouwbaar is en van het bewijs dient te worden uitgesloten. Het voorgaande in aanmerking nemend, is het hof van oordeel dat verdachte de toegestane snelheid met tenminste 40 kilometer per uur heeft overtreden.

Het verweer wordt verworpen."

7. In de aanvulling op het verkort arrest heeft het Hof als enig bewijsmiddel de volgende inhoud van het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 13 juni 2007 tot het bewijs gebezigd:

"Op 11 juni 2007 bevonden wij ons op de A2, ter hoogte van hectometerpaal 33.6, binnen de gemeente Ouder-Amstel. Daar zagen wij een bestuurder van een motor, merk Kawasaki, kenteken [AA-00-BB] komen uit de richting van de Utrechtsebrug en rijdend in de richting van Holendrecht (het hof begrijpt: te Ouderkerk aan de Amstel). Ter plaatse geldt een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur, aangeduid door een bord A1 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. Wij zagen dat de bestuurder reed met een gecorrigeerde snelheid van 202 kilometer per uur. Wij hielden de bestuurder aan. Hij bleek te zijn [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1956 te [geboorteplaats]."

8. De vraag die opkomt is of het bestreden arrest een voorbeeld is van een ontoelaatbare bewijsoverweging onder de streep.

9. In beginsel mag de feitenrechter "geen gebruik maken van feiten of omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring doch die niet in de bewijsmiddelen voorkomen".(2) Blijkens de rechtspraak van de Hoge Raad geldt dit verbod niet absoluut; uitzonderingen zijn mogelijk. Zo indien het duidelijk is dat in de bewijsoverweging een getuigenverklaring als zelfstandig bewijsmiddel is weergegeven.(3) Voorts is nog toelaatbaar de bewijsoverweging van de feitenrechter, waarin met voldoende mate van nauwkeurigheid a) de redengevende feiten en omstandigheden zijn aangeduid, en b) het wettige bewijsmiddel aangeeft waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend.(4)

10. In de 'aanvulling verkort arrest' is slechts één bewijsmiddel opgenomen, met een wel heel kort en zakelijk weergegeven inhoud van het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].(5) Op zichzelf genomen kan dit bewijsmiddel de bewezenverklaring niet dragen, nu het slechts zegt dat ter plaatse een maximumsnelheid van 100 kilometer per uur geldt en dat de verbalisanten zagen dat de bestuurder met een gecorrigeerde snelheid van 220 kilometer per uur reed. In de bewijsoverweging haalt het Hof echter ook expliciet de verklaringen van verbalisant [verbalisant 1] aan, die deze in de hoedanigheid van getuige op de terechtzittingen in hoger beroep van 28 november 2008 en 10 april 2009 heeft afgelegd. Niet lees ik in de bewijsoverweging van het Hof dat het daarbij ook de inhoud van het volledig uitgewerkt proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] als redengevend bewijsmiddel in ogenschouw heeft genomen.

11. Als ik het middel goed begrijp houdt het daarin vervatte betoog vooreerst het volgende in. Het Hof had (de bedoelde verkorte inhoud van) het proces-verbaal van verbalisanten niet tot het bewijs mogen bezigen, omdat de daarin gerelateerde snelheidswaarneming dat "de bestuurder reed met een gecorrigeerde snelheid van 202 kilometer per uur" niet juist kan zijn. De steller van het middel komt vervolgens tot een eigen berekening die hij klaarblijkelijk heeft gebaseerd op door hem aan het volledig uitgewerkt proces-verbaal ontleende gegevens; deze gegevens komen immers niet voor in het door het Hof gebezigde bewijsmateriaal. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de zo-even geciteerde snelheidswaarneming niet juist kan zijn, wijst de steller van het middel op de in het volledig uitgewerkt proces-verbaal genoemde afstand waarover en de tijdspanne waartussen de snelheid van het voertuig werd gemeten. Op grond daarvan komt hij tot zijn standpunt dat de snelheidsmeting over een afstand van exact 2000 meter (van hectometerpaal 33.6 tot 35.6) en precies tussen 21.18 uur en 21.20 uur heeft plaatsgevonden, hetgeen niet kan leiden tot de conclusie dat verzoeker 202 km/u heeft gereden. Indien verzoeker minimaal 1 minuut over 2000 meter heeft gedaan, heeft hij immers slechts 120 km/u gereden, aldus de steller van het middel.

12. Deze berekening heeft mij uitgenodigd kennis te nemen van de volledige inhoud van het zich bij de stukken van het geding bevindend, volledig uitgewerkt proces-verbaal. Na bestudering daarvan kom ik tot de slotsom dat voornoemd standpunt van de steller van het middel op een verkeerde lezing van dat proces-verbaal berust. Daarin relateren de verbalisanten immers (bladen 1 en 2) dat zij verzoeker als bestuurder van een motorrijtuig voor het eerst om 21.18 uur op de A2 ter hoogte van hectometerpaal 33.6 waarnamen en dat zij hem voorts om 21.20 uur op het punt waar de A2 overgaat in de A9 (volgens de steller van het middel is dit ter hoogte van hectometerpaal 35.6) inhaalden en hem daarop een volgteken gaven.

13. Weliswaar blijkt uit het volledig uitgewerkt proces-verbaal dat de snelheid van het motorrijtuig (ergens) tussen voormelde tijdstippen werd gemeten, maar niet dat de snelheidsmeting over een afstand van exact 2000 meter en precies tussen 21.18 uur en 21.20 uur heeft plaatsgevonden. Integendeel zelfs. Het proces-verbaal houdt namelijk in dat de verbalisanten op de A2 een eerste snelheidsmeting hebben gedaan tussen 21.18 uur en "omstreeks (mijn cursivering, EH) 21.20 uur", waarbij zij een gecorrigeerde snelheid van 202 km/u "over een afstand van ongeveer (mijn cursivering) 2000 meter" hebben waargenomen. Voorts vermeldt het proces-verbaal niet alleen dat de verbalisanten verzoeker om ongeveer 21.20 uur inhaalden en hem een volgteken gaven, maar ook dat - nadat verzoeker niet aan het volgteken had voldaan en er met hoge snelheid vandoor was gegaan - op de A9 een tweede snelheidsmeting werd gedaan "omstreeks (mijn cursivering) 21.21 uur", waarbij wederom een gecorrigeerde snelheid van 202 km/u "over een afstand van ongeveer (mijn cursivering) 2000 meter" werd waargenomen.

14. Uit de inhoud van het volledig uitgewerkt proces-verbaal kan dus worden afgeleid dat de verbalisanten twee snelheidsmetingen hebben uitgevoerd, waarbij telkens over een afstand van ongeveer 2000 meter een gecorrigeerde snelheid is gemeten van 202 km/u. De precieze tijdspanne waartussen de snelheid van het voertuig werd gemeten, wordt niet vermeld, maar een eenvoudige rekensom leert dat wanneer verzoeker meer dan 200 km/u heeft gereden, hij een afstand van 2000 meter in minder dan 36 seconden heeft afgelegd. De in het bewijsmiddel verkort en zakelijk weergegeven waarneming van verbalisanten dat "de bestuurder reed met een gecorrigeerde snelheid van 202 kilometer per uur", kan dus wel degelijk juist zijn. Het is op zichzelf genomen dan ook niet onbegrijpelijk dat het Hof de kort en zakelijk weergegeven inhoud van het proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] tot het bewijs heeft gebezigd en de daarin gerelateerde snelheidswaarneming redengevend en betrouwbaar heeft geacht voor de bewezenverklaring. In zoverre is het middel tevergeefs voorgesteld.

15. Aan het volledig uitgewerkt proces-verbaal zijn verder geen nadere redengevende feiten ontleend. Wel heeft het Hof, als gezegd (zie onder 10) in zijn bewijsoverweging expliciet de verklaringen van verbalisant [verbalisant 1] aangehaald, die deze in de hoedanigheid van getuige op de terechtzittingen in hoger beroep van 28 november 2008 en 10 april 2009 heeft afgelegd. Deze verklaringen zijn van belang voor de verdere beoordeling van het middel.

16. Het middel klaagt immers ook dat het proces-verbaal van de verbalisanten niet voldoet aan de onder 4.4 in de 'Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers' genoemde vereisten, nu in dat proces-verbaal niet is gerelateerd wat de afstand tussen het gemeten en metend voertuig was en niet is vastgesteld dat die onderlinge afstand tijdens het meten van de snelheid gelijk dan wel nagenoeg gelijk bleef. Hierover is in hoger beroep een verweer gevoerd, maar het Hof heeft daarop niet gereageerd, aldus het middel.

17. Ik stel voorop dat de 'Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers' van het College van procureurs-generaal(6) (hierna: Aanwijzing), een 'aanwijzing' is als bedoeld in art. 130, vierde lid, RO. De Aanwijzing moet daarom worden beschouwd als 'recht' in de zin van art. 79 RO. Deze Aanwijzing bevat immers door het College van procureurs-generaal vastgestelde en behoorlijk bekend gemaakt regels omtrent de uitoefening van het beleid van het Openbaar Ministerie, die weliswaar niet kunnen gelden als algemeen verbindende voorschriften omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid zijn gegeven, maar die het Openbaar Ministerie wel op grond van beginselen van behoorlijke procesorde binden, en die zich naar hun inhoud en strekking ertoe lenen jegens betrokkenen als rechtsregels te worden toegepast.(7)

18. Nu de steller van het middel zich de vrijheid heeft veroorloofd om zijn hierboven onder 11 weergegeven betoog mede te baseren op de inhoud van het volledig uitgewerkt proces-verbaal van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2], meen ik mij hier te kunnen permitteren om nog even te wijzen op hetgeen dit proces-verbaal tevens vermeldt als relaas van deze verbalisanten:(8)

"(...)

Door ons is getracht met ongeveer gelijk snelheid achter genoemd motorvoertuig aan te rijden. Echter liep het motorvoertuig snel op ons uit. Wij, [verbalisant 1] en [verbalisant 2], zagen namelijk dat de tussenafstand steeds groter werd, terwijl de boordsnelheid van het surveillance voertuig gelijk bleef op 220 kilometer per uur. De door de bestuurder gereden snelheid is door ons vastgesteld met behulp van een voor de meting getest en op de voorgeschreven wijze gebruikt verkeersmeetmiddel, de in het dienstvoertuig, wagenparknummer 1246 aangebrachte en op 15 november 2006 tot 240 kilometer per uur gecontroleerde snelheidsmeter.(...)"

19. Uit dit citaat blijkt dat de (exacte) afstand tussen het gemeten en metend voertuig niet is vermeld en dat niet (expliciet) is vastgesteld dat die onderlinge afstand tijdens het meten van de snelheid gelijk dan wel nagenoeg gelijk bleef. In zoverre is de door de raadsman in hoger beroep en in cassatie aangehaalde Aanwijzing door de verbalisanten niet in acht genomen. Anders dan het middel stelt, behoeft die enkele omstandigheid hier echter niet tot cassatie te leiden.

20. Voor zover hier relevant heeft de getuige [verbalisant 1], blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal, op de terechtzittingen van het Hof van 28 november 2008 en 10 april 2009 verklaard:

28 november 2008

"Getuige verklaart zich de gebeurtenissen goed te herinneren en uit hoofde van zijn functie bekend te zijn met het traject waarop de gebeurtenissen zich hebben afgespeeld. Getuige verklaart dat de meting inhoudt dat de verdachte over exact 2000 meter minstens 220 kilometer per uur te hebben gereden, hetgeen met een correctie ten voordele van verdachte neerkomt op 102 km/u te hard."

10 april 2009

"U houdt mij mijn verklaring in het proces-verbaal ter terechtzitting van 28 november 2008 voor. Ik volhard bij deze verklaring, behoudens de volgende opmerkingen.

(...)

U houdt mij de brief van de raadsman van verdachte van 3 april 2009 voor. Ik had op de vorige zitting een kopie van mijn proces-verbaal bij mij. Er werd mij een aantal vragen gesteld waarop ik het antwoord niet paraat had. Die informatie heb ik toen in mijn proces-verbaal opgezocht. Ik herinner mij niet dat verdachte op zijn motorfiets af en toe op ons uitliep, zoals is weergegeven als mijn verklaring in het proces-verbaal van de vorige zitting. Ik weet niet wat de exacte afstanden tussen mij en verdachte waren; ik reed immers zelf ook met zeer hoge snelheid en ik moest verdachte daarbij zo veilig en correct mogelijk blijven volgen. De afstand tussen mijn voertuig en dat van verdachte was variabel; ik kon de motor niet altijd bijhouden. Op die momenten liep verdachte op mij uit.

Ik reed met een constante snelheid, namelijk de maximumsnelheid die ik met het door mij bestuurde dienstvoertuig kon bereiken. Dat was ongeveer 220 kilometer per uur. Met die snelheid heb ik verdachte gedurende langere tijd gevolgd. Het verschil in afstand tussen het voertuig van verdachte en mijn voertuig ontstond bijvoorbeeld ook doordat verdachte, bij een bocht, even gas terug nam.(...)"

21. Weliswaar is de op de terechtzitting van het Hof van 10 april 2009 door de getuige [verbalisant 1] afgelegde verklaring van verbalisant [verbalisant 1] deels enigszins innerlijk tegenstrijdig. Eerst zegt hij namelijk dat hij zich niet kan herinneren dat verzoeker op zijn motorfiets af en toe op hem uitliep en vervolgens verklaart hij dat de afstand tussen zijn voertuig en dat van verzoeker variabel was, dat hij de motor niet altijd kon bijhouden en dat verzoeker op die momenten op hem uitliep. Echter, uit de verklaring van [verbalisant 1] kan wél met zekerheid worden afgeleid dat de verbalisanten de motorfiets van verzoeker gedurende enige en zelfs langere tijd hebben achtervolgd met een constante en voor het dienstvoertuig maximale snelheid van ongeveer 220 km/h. En ondanks dat de verbalisanten verzoeker met deze zeer hoge topsnelheid achtervolgden, slaagde verzoeker er kennelijk in om af en toe met zijn motorfiets van hun auto weg te rijden.

22. Hoewel het volledig uitgewerkt proces-verbaal van de verbalisanten niet geheel voldoet aan de in de Aanwijzingen genoemde vereisten en het Hof ook niet in het bijzonder heeft gereageerd op het hierover in hoger beroep gevoerde verweer, heeft het Hof niettemin overwogen dat het "geen reden [heeft] te twijfelen aan de bevindingen van de verbalisanten, waar het betreft de door hen gereden snelheid". In die overweging ligt mijns inziens (mede) het oordeel besloten dat het Hof in het tekortschietend proces-verbaal van verbalisanten geen aanleiding heeft gezien om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de verbalisanten de meting hebben verricht terwijl zij gedurende langere tijd en met een constante snelheid van 220 km/h verzoeker hebben achtervolgd, waarbij verzoeker ook nog eens in staat bleek om soms op hen uit te lopen.

23. Gelet op het voorgaande kom ik, zij het niet geheel zonder enige aarzeling, tot de slotsom dat de verwerping van het in het middel bedoelde verweer door het Hof toereikend is gemotiveerd en dat de bewezenverklaring van de tenlastegelegde snelheidsovertreding naar de eis der wet met voldoende redenen omkleed.

24. Het eerste middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.

25. Het tweede middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.

26. Het middel treft doel. Namens verzoeker is op 7 mei 2009 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 24 maart 2011 ter griffie van de Hoge Raad ontvangen. Dat brengt mee dat de inzendtermijn van maximaal acht maanden inderdaad is overschreden.

27. Ambtshalve wijs ik er op dat de zaak ook in cassatie niet binnen de daarvoor gestelde termijn zal kunnen worden afgedaan. Het geding behoort in cassatie binnen twee jaren met een einduitspraak te zijn afgerond nadat het rechtsmiddel is ingesteld. Deze termijn is inmiddels overschreden.

28. Deze overschrijdingen van de redelijke termijn dienen te leiden tot een door de Hoge Raad te bepalen vermindering van de opgelegde straf.(9)

29. Andere gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

30. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde straf. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het cassatieberoep te worden verworpen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het Besluit van 7 juni 2010, nr. 10.001566, houdende gelijkstelling van 6 mei en 3 juni 2011, 18 mei, 24 december en 31 december 2012 en 29 april, 10 mei en 27 december 2013 met een algemeen erkende feestdag.

2 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, 2009, p. 236.

3 Vgl. HR 27 oktober 1992, LJN AD1763, NJ 1993, 195.

4 HR 24 juni 2003, LJN AM2315, NJ 2004, 165.

5 Vgl. het volledig uitgewerkt proces-verbaal met nummer 2007015953-1 van 13 juni 2007, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

6 Registratienummer 2006A008, Stcrt. 2006, nr. 175.

7 Cfm. HR 7 juli 2009, LJN BH9943, NJ 2010, 130 m.nt. Mevis, betreffende de (OM-)Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige zeer actieve veelplegers.

8 Ik citeer hier enkel het relaas over de eerste snelheidsmeting. Het relaas over de tweede meting is nagenoeg gelijk.

9 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358 m.nt. Mevis.

Nr. 10/02857

Mr. Hofstee

Zitting: 6 december 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verzoeker bij arrest van 24 april 2009 wegens "overtreding van het bepaalde bij artikel 62 van het RVV 1990", veroordeeld tot een geldboete van € 1.400,-, subsidiair 28 dagen hechtenis. Daarnaast heeft het Hof verzoeker de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van acht maanden ontzegd.

2. Tegen deze uitspraak is namens verzoeker tijdig cassatieberoep ingesteld.

3. Op 4 april 2011 is aan verzoeker de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv in persoon betekend. De door het tweede lid van art. 437 Sv op straffe van niet-ontvankelijkheid gestelde termijn van twee maanden liep af op 3 juni 2011. De schriftuur houdende middelen van cassatie is echter te laat, want op 6 juni 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen.

4. Nu verzoeker niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.

5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beroep in cassatie.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G