Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BU6846

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-02-2012
Datum publicatie
08-02-2012
Zaaknummer
09/03610
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU6846
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

De stelling dat de bewezenverklaring uitsluitend steunt op verklaringen van de verdachte mist feitelijke grondslag. Conclusie AG: anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 09/03610

Mr. Machielse

Zitting 29 november 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte](1)

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch bij arrest van 6 augustus 2009 wegens "In een geval, waarin een wettelijk voorschrift een verklaring onder ede vordert, mondeling, persoonlijk opzettelijk een valse verklaring onder ede afleggen" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 maanden.

2. Mr. M.J. van de Laar, advocaat te Eindhoven, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.1. Het eerste middel komt met diverse klachten op tegen de bewezenverklaring.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 30 oktober 2007 in de gemeente Roermond ter terechtzitting van de Meervoudige Strafkamer bij de Arrondissementsrechtbank te Roermond als getuige in de zaak tegen [betrokkene 1], nadat zij in handen van de voorzitter op de bij de wet voorgeschreven wijze de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - heeft verklaard:

"Op zaterdag 2 juli 2005 had ik met de vriendin van de verdachte afgesproken om samen boodschappen te gaan doen voor het verjaardagsfeestje van de dochter van verdachte. Deze was 25 juni jarig geweest en dat zou op 2 juli gevierd worden. Ik was iets over tienen op de [a-straat] ten huize van verdachte, waar [betrokkene 2] al was met de dochter van verdachte.

Ik zag daar door een kier in de deur van de slaapkamer dat er iemand in bed lag, die door [betrokkene 2] werd wakker gemaakt. Volgens mij was dat verdachte, maar ik heb hem alleen van opzij gezien. We hebben toen koffie gedronken en zijn boodschappen gaan doen en waren een half uur tot drie kwartier daarna weer terug op de [a-straat]. Toen was de verdachte inmiddels op en aangekleed. We zijn daar nog even gebleven en toen met z'n allen, [betrokkene 2], verdachte, de dochter en ikzelf, naar Best vertrokken.

Het feestje zou gehouden worden in Best bij [A]. We zijn tussen half twaalf en kwart voor twaalf vertrokken en waren daar voor twaalven. Er waren daar ook nog andere kennissen en familieleden met kinderen, ongeveer twintig personen in totaal. Op uw vraag om de namen van die familieleden en kennissen te noemen,zeg ik u dat ik niet snap waarom dat nodig is. Het gaat toch om de tijdstippen? Omdat u mij nogmaals vraagt om de namen en u mij mededeelt dat ik verplicht ben om te antwoorden,kan ik u zeggen dat er verder aanwezig waren:

- [betrokkene 3], wonende te [woonplaats] aan de [b-straat 1]

- [betrokkene 4], wonende te [woonplaats] aan de [c-straat], nummer onbekend

- [betrokkene 5] (fonetisch), wonende te [woonplaats] aan de [d-straat], ik denk nummer [1]

- [betrokkene 6], wonende te [woonplaats], adres onbekend, maar ik kan er zo naar toe rijden.

Het feestje werd betaald door [betrokkene 2] en volgens mij zijn er toen ook foto's gemaakt. Ik weet zeker dat dit op 2 juli 2005 was, omdat ik op de dag tevoren, 1 juli 2005, de sleutels van mijn nieuwe huis in Eindhoven heb gekregen. Ik weet dat de dochter van verdachte op 25 juni jarig is: waarom het feestje een week later werd gevierd weet ik niet.

Anderhalve week geleden heeft de vriendin van verdachte, [betrokkene 2], met mij hierover gesproken."

4.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"1.

Het proces-verbaal terechtzitting verdenking meineed van de rechtbank Roermond d.d. 30 oktober 2007 (pagina's 10 (drie) van het doorgenummerde proces-verbaal van politie Limburg-Noord, nummer PL2321/07-007159 [hierna te noemen PV Politie]), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, afgelegd als getuige in de zaak tegen [betrokkene 1], nadat zij op de wijze bij de wet bepaald in handen van de voorzitter de belofte had afgelegd de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zeggen:

Op zaterdag 2 juli 2005 had ik met de vriendin van verdachte afgesproken om samen boodschappen te gaan doen voor het verjaardagsfeestje van de dochter van verdachte. Deze was 25 juni jarig geweest en dat zou op 2 juli gevierd worden. Ik was iets over tienen op de [a-straat] ten huize van verdachte, waar [betrokkene 2] al was met de dochter van verdachte.

Ik zag daar door een kier in de deur van de slaapkamer dat er iemand in bed lag, die door [betrokkene 2] werd wakker gemaakt. Volgens mij was dat verdachte, maar ik heb hem alleen van opzij gezien. We hebben toen koffie gedronken en zijn boodschappen gaan doen en waren een half uur tot drie kwartier daarna weer terug op de [a-straat]. Toen was de

verdachte inmiddels op en aangekleed. We zijn daar nog even gebleven en toen met z'n allen, [betrokkene 2], verdachte, de dochter en ikzelf, naar Best vertrokken.

Het feestje zou gehouden worden in Best bij [A]. We zijn tussen half twaalf en kwart voor twaalf vertrokken en waren daar voor twaalven. Er waren daar ook nog andere kennissen en familieleden met kinderen, ongeveer twintig personen in totaal.

Op uw vraag om de namen van die familieleden en kennissen te noemen, zeg ik u dat ik niet snap waarom dat nodig is. Het gaat toch om de tijdstippen? Omdat u mij nogmaals vraagt om de namen en u mij mededeelt dat ik verplicht ben om te antwoorden, kan ik u zeggen dat er verder aanwezig waren:

- [betrokkene 3], wonende te [woonplaats] aan de [b-straat 1]

- [betrokkene 4], wonende te [woonplaats] aan de [c-straat], nummer onbekend

- [betrokkene 5] (fonetisch), wonende te [woonplaats] aan de [d-straat], ik denk nummer [1]

- [betrokkene 6], wonende te [woonplaats], adres onbekend, maar ik kan er zo naar toe rijden.

Het feestje werd betaald door [betrokkene 2] en volgens mij zijn er toen ook foto's gemaakt.

Ik weet zeker dat dit op 2 juli 2005 was, omdat ik op de dag tevoren, 1 juli 2005, de sleutels van mijn nieuwe huis in Eindhoven heb gekregen. Ik weet dat de dochter van verdachte op 25 juni jarig is; waarom het feestje een week later werd gevierd weet ik niet.

Anderhalve week geleden heeft de vriendin van verdachte, [betrokkene 2], met mij hierover gesproken.

2.

Het door mr. P. van Hilten, officier van justitie in het arrondissement Roermond, op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van aanhouding ter zake verdenking meineed d.d. 30 oktober 2007, (pagina 11 PV Politie), voor zover inhoudende, als relaas van de officier van justitie, zakelijk weergegeven:

Op 30 oktober 2007 heb ik aangehouden [verdachte] als verdacht van het misdrijf omschreven in artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht, gepleegd tijdens het onderzoek in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen [betrokkene 1].

3.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 23 juli 2009, voor zover inhoudende:

Ter terechtzitting van de rechtbank in Roermond op 30 oktober 2007 heb ik in de zaak tegen mijn broer [betrokkene 1] als getuige de verklaring afgelegd zoals is opgenomen in de tenlastelegging. Deze verklaring houdt onder meer in dat [betrokkene 1] op 2 juli 2005 in de ochtend in zijn woning in Eindhoven was, vervolgens is meegegaan naar het verjaardagsfeest van zijn dochter in Best en dat hij die middag daar is gebleven. Omdat de rechter tot driemaal toe vroeg of ik het wel zeker wist, was ik er niet meer zeker van dat dat feestje op 2 juli 2005 was gehouden.

Mijn schoonzus, [betrokkene 2], heeft mij gevraagd of ik mee naar de terechtzitting van mijn broer ging om te verklaren. [Betrokkene 2] heeft me gevraagd of ik nog wist wanneer het feestje van de dochter van [betrokkene 2] en mijn broer [betrokkene 1] was geweest. Ik wist niet meer zeker wanneer het was.

4.

Het door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, en [verbalisant 2], brigadier van politie, op ambtseed opgemaakte proces verbaal van verhoor d.d. 31 oktober 2007, nummer PL2321/07-141653 (pagina's 18 (vier) PV Politie), voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte], zakelijk weergegeven:

[Betrokkene 2] heeft mij gevraagd om te getuigen in de rechtszaak tegen [betrokkene 1] dat het feestje op 2 juli was geweest. Ik heb toen gezegd dat ik dat wel wilde doen. [Betrokkene 2] vroeg mij te zeggen dat [betrokkene 1] op 2 juli [het hof begrijpt: 2005] ook op het feestje van haar dochter was geweest in [A]. [Betrokkene 2] zei toen tegen mij dat [betrokkene 1] dan een mindere straf zou krijgen.

Ik weet wat een alibi is. Dat is vertellen dat iemand op een tijdstip ergens is geweest en nergens anders is geweest. Ik heb de verklaring gisteren voor de rechter getekend en daarmee ging ik akkoord met wat er in stond. Ik had echter al spijt toen ik tekende. Toen de rechter mij vroeg of ik zeker was over de datum was ik niet meer zeker. Het feestje is er wel geweest, maar ik weet niet op welke datum."

3.3. De bestreden uitspraak houdt voorts in:

"De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het haar ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat verdachte zich niet bewust was van de onjuistheid van haar verklaring en derhalve geen opzet had op het afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

1. Verdachte heeft op 30 oktober 2007 voor de rechtbank Roermond als getuige in de zaak tegen haar broer [betrokkene 1], die werd verdacht van een poging tot diefstal met geweld (een gewapende roofoverval) in de gemeente Venlo op 2 juli 2005, een verklaring afgelegd inhoudende dat [betrokkene 1] op 2 juli 2005 in de ochtend in zijn woning in Eindhoven was en vervolgens is meegegaan naar het verjaardagsfeest van zijn dochter in Best, waar hij die middag heeft verbleven.

2. Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij, ook toen zij onder ede ter terechtzitting van de meervoudige strafkamer bij de Arrondissementsrechtbank te Roermond werd gehoord, niet zeker wist of het betreffende verjaardagsfeestje op 2juli 2005 had plaatsgevonden.

3. Verdachte heeft bovendien op 31 oktober 2007 bij de politie verklaard dat zij werd benaderd door de vriendin van [betrokkene 1], [betrokkene 2], die haar vroeg om ter terechtzitting van de rechtbank te Roermond op 30 oktober 2007 te zeggen dat [betrokkene 1] op 2 juli (het hof begrijpt: 2005) ook op het feestje van de dochter van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] was geweest. [Betrokkene 2] zei daarbij tegen haar dat [betrokkene 1] dan minder straf zou krijgen.

Op grond van het hiervoor onder 1 tot en met 3 gestelde, in onderling verband en samenhang gezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet had op het afleggen van een verklaring in strijd met de waarheid. Het hof verwerpt derhalve het verweer."

3.4. Het middel klaagt onder meer dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu deze, in strijd met art. 341, vierde lid, Sv, (materieel) uitsluitend steunt op de opgaven van de verdachte.

3.5. Het Hof heeft voor het bewijs gebezigd:

- de beweerdelijk meinedige verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van de Rechtbank Roermond als getuige in de strafzaak tegen [betrokkene 1];

- een proces-verbaal van aanhouding, inhoudende dat de verdachte op 30 oktober 2007 als verdachte van overtreding van art. 207 Sr is aangehouden;

- de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 23 juli 2009;

- een proces-verbaal van verhoor van 31 oktober 2007, inhoudende een verklaring van de verdachte.

3.6. Art. 341, vierde lid, Sv bepaalt dat het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de opgaven van de verdachte.(2) In de praktijk levert dit bewijsminimum zelden problemen op, omdat het volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad slechts betrekking heeft op de héle tenlastelegging en niet op onderdelen daarvan. De bewijsvoering kan dus bestaan uit de verklaring van de verdachte, mits een onderdeel daarvan - hoe ondergeschikt ook - op een ander bewijsmiddel steunt.(3) Zoals de steller van het middel terecht opmerkt, is het de vraag of het proces-verbaal van aanhouding steun geeft aan de verklaring van de verdachte. Daar is mijns inziens geen sprake van. De voor het bewijs gebezigde inhoud van het proces-verbaal van aanhouding is op geen enkele manier redengevend voor de bewezenverklaring, maar enkel voor het feit dat verdachte is aangehouden op 30 oktober 2007 op verdenking van meineed.

3.7. Het middel is terecht voorgesteld. Ik meen gelet op het voorgaande dat de overige klachten geen bespreking behoeven, maar ben in het geval Uw Raad daarover anders denkt uiteraard bereid nader aanvullend te concluderen.

4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte] (10/02229), waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.

2 Zie bijvoorbeeld HR 30 maart 2004, LJN AO5026.

3 A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, 6e druk, p. 238-239.