Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BU6053

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
31-01-2012
Datum publicatie
31-01-2012
Zaaknummer
10/05251 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU6053
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Jeugdzaak. Slagende bewijsklacht. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan niet zonder meer volgen dat verdachte over de in de bewezenverklaring genoemde goederen een zodanige feitelijke zeggenschap had dat zij die goederen in de zin van art. 416 Sr voorhanden had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/266
NJ 2012/104
NJB 2012/480
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 10/05251 J

Mr. Aben

Zitting 22 november 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 17 november 2010 de verdachte ter zake van "opzetheling" veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van twintig uren (subsidiair tien dagen jeugddetentie) met een proeftijd van twee jaren, waarbij het de bijzondere voorwaarde heeft gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd - samengevat - stelt onder het toezicht van Bureau Jeugdzorg en aan haar de Maatregel Hulp en Steun wordt opgelegd. Het arrest behelst voorts nog beslissingen omtrent een aantal in beslag genomen voorwerpen. De benadeelde partij is door het hof niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. V.P.J. Tuma, advocaat te Amersfoort, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel behelst de klacht dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd, nu de bewezenverklaarde 'opzetheling' niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:

'zij op 15 juli 2009 te Nieuwegein, pakjes sigaretten en een mobiele telefoon en een geldbedrag van (ongeveer) 20 euro voorhanden heeft gehad, terwijl zij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;'

3.2.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

'1. (..) als verklaring van [betrokkene 1]:

Op woensdag 15 juli 2009 stapte ik uit de tram te Nieuwegein. Ik zag een Marokkaans meisje en een blank meisje ook uit de tram stappen. Ik had een plastic tas met inhoud, een mobiele telefoon en € 20,-, in mijn rechterhand. Ik voelde en zag dat het Marokkaanse meisje voor mij langs naar de plastic tas met inhoud greep. Ik liet de tas los toen zij mij sloeg. Ik zag dat het Marokkaanse meisje mijn plastic tas met inhoud wegnam en wegrende. Ik zag beide meisjes wegrennen.

2. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de kinderrechter in de rechtbank te Utrecht van 8 juni 2010, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb de spullen uit de tas gehaald en in mijn handen gehad. Ik was nieuwsgierig en wilde kijken naar de spullen in de tas. Ik wist dat dit gestolen spullen waren, want ik had net gezien dat [betrokkene 2] de tas stal van het meisje.

3. (..) als verklaring van verdachte:

Ik zag dat er drie pakjes sigaretten en een zwarte mobiele telefoon in de tas zaten.'

3.3. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte de gestolen spullen uit nieuwsgierigheid uit de gestolen tas heeft gehaald en die spullen in haar handen heeft gehouden om ze te bekijken. Zij wist op dat moment dat dit gestolen spullen betroffen, want van die diefstal was zij getuige. Zij holde daarna samen met de dader weg. Het middel stelt de vraag aan de orde of deze gedragingen kunnen worden aangemerkt als 'voorhanden hebben' in de zin van artikel 416 Sr.

Ik meen dat het hof die vraag in casu bevestigend heeft kunnen beantwoorden. Het delictsbestanddeel 'voorhanden hebben', dat bij Wet van 9 oktober 1991, Stb. 1991, 520 in de plaats trad van 'vervoeren, bewaren en verbergen', strekt zich uit tot ieder feitelijk voorhanden hebben, met welk doel of krachtens welke titel dan ook. Niet ieder 'voorhanden hebben' veronderstelt dat het goed (ook) is verworven.(1) Hieruit leid ik af dat het feitelijk in handen c.q. onder zich hebben van het goed voldoende kan zijn.(2) Dat de verdachte (mede of uitsluitend) heeft gehandeld uit nieuwsgierigheid, zoals zij zelf heeft verklaard, doet aan het 'voorhanden hebben' dus niet af. De bewezenverklaring is in zoverre toereikend gemotiveerd.

3.4. Het middel faalt.

4. Het middel kan mijns inziens met de aan artikel 81 RO te ontlenen motivering worden afgedaan. Ambtshalve gronden die tot cassatie zouden behoren te leiden, heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

n.d.

1 Kamerstukken II 1989/90, 21 565, nr. 3, p. 4. Zie omtrent het begrip 'voorhanden hebben' ook onder meer: J.W. Fokkens in Noyon, Langemeijer & Remmelink (red.), Het Wetboek van Strafrecht (losbl.), art. 416 Sr, aant. 3 (bijgewerkt tot 1 juli 2000); V. Mul, Tekst & Commentaar strafrecht, Deventer: Kluwer 2010, pagina 1617 (a.t. 7 bij artikel 416 Sr.

2 Wat 'onder zich hebben' betreft, valt dit rechtstreeks af te leiden uit HR 21 maart 2000, LJN ZD1754, NJ 2000/736 m.nt. Schalken.