Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BU5838

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
11/00389 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU5838
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklagzaak. Gelet op de beslissing van de Rechtbank in de strafzaak tegen een van de klagers waarbij is beslist tot teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen, is het oordeel van de Rechtbank dat de klagers geen belang meer hebben bij hun klaagschrift strekkende tot teruggave van die geldbedragen en daarom niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun klaagschrift juist. Door de beslissing omtrent het beslag in de strafzaak kan op het bestaande klaagschrift immers geen (andersluidende) beslissing meer volgen. De klacht dat de Rechtbank niet heeft beslist over de gevorderde wettelijke rente faalt omdat daarbij eraan wordt voorbij gezien dat art. 552a Sv niet voorziet in de mogelijkheid om te doen vaststellen dat een recht bestaat op de uitkering van de wettelijke rente (vgl. HR LJN BG2191). Daaraan doet niet af dat de beslissing in de strafzaak nog niet onherroepelijk is en de geldbedragen nog niet daadwerkelijk zijn terug gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RvdW 2012/652

Conclusie

Nr. 11/00389 B

Mr. Knigge

Zitting: 15 november 2011

Conclusie inzake:

[Klaagster 2]

1. De Rechtbank te 's-Hertogenbosch heeft klaagster bij beschikking van 18 oktober 2010 niet ontvankelijk verklaard in het namens haar (en twee andere klagers) ingediende klaagschrift.

2. Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld.(1)

3. Namens klaagster heeft mr. J.Y. Taekema, advocaat te Den Haag, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1. Voordat ik toekom aan de bespreking van het middel, bespreek ik de vraag of klaagster in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.

4.2. Het gaat hier kort samengevat om het volgende. De echtgenoot van klaagster, [klager 1], wordt verdacht van betrokkenheid bij illegale vuurwerkhandel.(2) In het kader van die strafzaak zijn in het huis van klaagster en haar echtgenoot en bij het bedrijf van haar echtgenoot, [klaagster 3], geldbedragen in beslag genomen. Zowel klaagster als [klager 1] en zijn echtgenote hebben (ex art. 552a Sv) hun beklag gedaan over deze inbeslagneming. Zij hebben dit gedaan door gezamenlijk één klaagschrift in te dienen. Volgens klagers zijn de geldbedragen niet rechtmatig in beslag genomen; de echtgenoot van klaagster zou, kort samengevat, ten onrechte in verband worden gebracht met de illegale vuurwerkhandel. En ten aanzien van klaagster werd aangevoerd dat zij geen verdachte is in de strafzaak. Het namens klagers ingediende klaagschrift strekte dan ook tot opheffing van het onder klagers gelegde beslag op de geldbedragen en tot teruggave daarvan aan klagers vermeerderd met de wettelijke rente. In de beschikking die thans in cassatie wordt bestreden is vastgesteld dat de Rechtbank in de strafzaak tegen [klager 1] bij vonnis van 18 oktober 2010(3) heeft beslist tot teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen. Om die reden zou klaagster geen belang meer hebben bij haar beklag en werd zij niet ontvankelijk verklaard in haar klaagschrift (evenals de twee andere klagers).

4.3. Er ligt dus een vonnis van de Rechtbank 's-Hertogenbosch (in de strafzaak tegen de echtgenoot van klaagster) waarin is beslist tot teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen. Uit namens mij bij de Rechtbank en het Hof 's-Hertogenbosch ingewonnen inlichtingen is gebleken dat tegen het desbetreffende vonnis appel is ingesteld en dat dat hoger beroep nog aanhangig is.

4.4. In HR 8 januari 2008, LJN BB8989, NJ 2008/53 verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk omdat de Rechtbank, evenals in de onderhavige zaak het geval is, tussentijds in de strafzaak vonnis had gewezen en daarin omtrent het inbeslaggenomene had beslist. Daardoor kon op het bestaande klaagschrift geen andersluidende beslissing meer volgen dan de ongegrondverklaring van het beklag. (4) Dat betekende dat de klager niet in zijn cassatieberoep kon worden ontvangen.

4.5. Hetzelfde heeft mijns inziens hier te gelden. Nu de rechter in de onderliggende strafzaak reeds een beslissing heeft genomen omtrent de inbeslaggenomen geldbedragen, kan klaagster in het onderhavige cassatieberoep niet worden ontvangen. De omstandigheid dat - zoals in het middel wordt gesteld - in het klaagschrift tevens werd geklaagd over de onrechtmatigheid van het gelegde beslag leidt niet tot een ander oordeel in cassatie, omdat - nadat een inbeslaggenomen voorwerp is teruggegeven of een beslissing daartoe is genomen - niet op basis van art. 552a Sv een verklaring voor recht kan worden gevorderd dat de inbeslagneming onrechtmatig was. Daartoe dient art. 552a Sv volgens tot nu toe vaste jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad niet.(5)

4.6. De vraag is nog wel of de door klaagster gevorderde rentevergoeding tot een ander oordeel zou moeten leiden. Ten aanzien van die rentevordering heeft de Rechtbank in de bestreden beschikking niets overwogen. En de Rechtbank in de strafzaak - zo althans wordt in de cassatieschriftuur gesteld - evenmin. In dat vonnis (van 18 oktober 2010) heeft de Rechtbank volgens de schriftuur "ten aanzien van het beslag" enkel overwogen: "Teruggave van de inbeslaggenomen geldbedragen aan de rechthebbenden". (6) Betoogd zou kunnen worden dat de Rechtbank in de strafzaak in zoverre nog geen beslissing heeft gegeven over het klaagschrift en dat het cassatieberoep daarom in zoverre nog wel ontvankelijk is. Ik zou dat betoog niet willen onderschrijven. In de cassatieschriftuur wordt met betrekking tot het vonnis van de Rechtbank treffend opgemerkt: "of deze beslissing stand houdt zal blijken tijdens de behandeling van het ingestelde appel in de zaak." Die opmerking geldt uiteraard ook voor de beslissing tot teruggave van de inbeslaggenomen gelden. Het kan bezwaarlijk zo zijn dat bij onherroepelijke beschikking wordt gelast rente te vergoeden als niet onherroepelijk vaststaat dat de geldbedragen moeten worden teruggegeven. Voor rentevergoeding is namelijk in ieder geval geen plaats als de desbetreffende geldbedragen worden verbeurdverklaard of - ingeval van conservatoir beslag - voor verhaal wordt aangewend.

4.7. Hierbij wil ik het niet laten. Klaagster heeft haar verzoek tot teruggave van de geldbedragen "vermeerderd met de daarop gevallen wettelijke rente vanaf de dag van inbeslagneming tot aan de dag van voldoening" gedaan onder verwijzing naar art. 11 lid 4 Besluit inbelaggenomen voorwerpen (BIV) en naar de daarop gebaseerde beschikking van de Hoge Raad van 22 april 1986 (NJ 1986/783 m.nt. ThWvV).(7) In de zaak die aan deze beschikking ten grondslag ligt, ging het om een klager bij wie een aanzienlijk bedrag aan Zweedse kronen in beslag was genomen. Op een goed moment is dat bedrag, omgezet in guldens, aan de klager teruggegeven. Toen klager constateerde dat de op dat inbeslaggenomen geld gekweekte rente niet werd teruggegeven, heeft hij een - op art. 552a Sv gebaseerd - verzoek ingediend tot teruggave van die rente. De Rechtbank verklaarde het verzoek tot vergoeding van de rente over de inbeslaggenomen gelden "aanstonds zonder nadere behandeling niet-ontvankelijk", omdat - aldus de Rechtbank - dat verzoek geen steun zou vinden in het Wetboek van Strafvordering noch in de Uitleveringswet (het ging hier om een op verzoek van buitenlandse autoriteiten gelegd beslag). Over dit niet-ontvankelijkheidsoordeel werd in cassatie geklaagd. De Hoge Raad overwoog als volgt:

"5.2. Uit het bepaalde in art. 552 Sv in verbinding met art. 10 derde lid Besluit in beslag genomen voorwerpen volgt dat in het recht van belanghebbenden om zich te beklagen over het uitblijven van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen is begrepen het recht van beklag omtrent het uitblijven van een last tot afgifte van de natuurlijke vruchten van inbeslaggenomen voorwerpen, tijdens het beslag ontstaan. Er is geen reden anders te oordelen ten aanzien van tijdens het beslag verkregen burgerlijke vruchten.

5.3. Uit het vorenstaande volgt dat indien op een onder N. inbeslaggenomen geldsbedrag gedurende het beslag in feite rente is gekweekt, een last tot teruggave tevens die rente moet betreffen. Derhalve heeft de Rb. ten onrechte beschikt als onder 1 vermeld en is het middel, voor zover het daarover klaagt, gegrond. Na verwijzing zal alsnog moeten worden onderzocht of tijdens het beslag rente is gekweekt.

5.4. De regeling van de art. 552a e.v. Sv voorziet niet in de mogelijkheid van toekenning schadevergoeding als gevolg van inbeslagneming, daaronder begrepen de wijze van bewaring."

4.8. Artikel 10 lid 3 BIV waarnaar de Hoge Raad verwijst, is thans art. 11 lid 4 BIV. Volgens die bepaling omvat de teruggave van voorwerpen ook de tijdens het beslag ontstane natuurlijke vruchten.(8) De Hoge Raad heeft die regel in de hierboven bedoelde beschikking dus uitgebreid tot de burgerlijke vruchten (lees: rente). Die analogie maakt dat het aldus geschapen recht op renteteruggave alleen betrekking heeft op de rente die, zoals de Hoge Raad overweegt, "in feite" is gekweekt. Als het openbaar ministerie - bijvoorbeeld omdat het de banken in deze tijden van crisis niet vertrouwt - het inbeslaggenomen geld niet op een rentedragende rekening heeft gezet, zijn er geen burgerlijke vruchten die moeten worden teruggegeven.(9) Rechtsoverweging 5.4 sluit daarbij aan. Als het geld niet op de bank is gezet, is mogelijk sprake van een onrechtmatige wijze van bewaring, maar over de daardoor ontstane schade kan niet ex art. 552a Sv worden geklaagd. Daarvoor moet men bij de burgerlijke rechter zijn.

4.9. In 2009 heeft de Hoge Raad ook een beschikking gewezen naar aanleiding van een in een beklagprocedure verzochte rentevergoeding.(10) In die zaak was het openbaar ministerie bij onherroepelijk geworden vonnis niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Ex art. 552a Sv werd vervolgens niet alleen om de teruggave van de onder klager inbeslaggenomen gelden verzocht, maar ook om de toekenning van de wettelijke rente over die gelden: Volgens de Rechtbank viel dat laatste verzoek buiten de reikwijdte van art. 552a Sv. Daarover werd in cassatie geklaagd., maar zonder succes. De Hoge Raad overwoog als volgt.

"3.3 Het middel faalt voor zover daarin wordt opgekomen tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de klager in zijn verzoeken tot vermeerdering van de terug te geven geldbedragen met wettelijke rente en tot het verlenen van akte van de aansprakelijkstelling van de Staat. Art. 552a Sv voorziet noch in de mogelijkheid om te doen vaststellen dat een recht bestaat op de uitkering van wettelijke rente noch in de mogelijkheid akte te vragen van een aansprakelijkstelling, zodat de Rechtbank de klager in zoverre terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Wat betreft het verzoek om vermeerdering van de terug te geven geldbedragen met wettelijke rente verdient nog opmerking dat de daaraan kennelijk ten grondslag liggende opvatting dat in een geval als het onderhave op de Staat de plicht rust om de "wettelijke rente" te vergoeden, geen steun vindt in art. 6:119 BW noch in enige andere wetsbepaling. Op grond van art. 6:119 BW is voor vergoeding van (gefixeerde) wettelijke rente eerst plaats indien schadevergoeding verschuldigd is wegens vertraging in de voldoening van een geldsom.

Tevens verdient in dit verband opmerking dat de Aanwijzing ontneming 2005 in § 4.4.2 inhoudt dat de Staat sinds 1 januari 1998 rente vergoedt over door het Openbaar Ministerie inbeslaggenomen geld volgens een percentage gelijk aan dat van de heffingsrente als bedoeld in art. 30f, zesde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen." (11)

4.10. De Aanwijzing ontneming 2005 (2005 A002) waarnaar de Hoge Raad verwijst, heeft inmiddels plaatsgemaakt voor de Aanwijzing ontneming 2009 (2009 A003). De door de Hoge Raad bedoelde paragraaf 4.4.2 is daardoor, voor zover die hier van belang is, niet van inhoud veranderd. Ik citeer hier het relevante gedeelte van de paragraaf zoals die thans luidt.:

"4.4.2 De door de Staat uit te keren rente

De Staat vergoedt sinds 1 januari 1998 rente over door het Openbaar Ministerie inbeslaggenomen geld, waaronder ook moet worden verstaan de opbrengst van de vervreemding ex artikel 117 Sv van cq zekerheidsstelling ex artikel 118a Sv voor in beslag genomen voorwerpen. Als ingangsdatum van de rentevergoeding geldt de dag van inbeslagneming of de datum van vervreemding (ex artikel 117 Sv), danwel zekerheidsstelling (ex artikel 118a Sv) voor het in beslag genomen voorwerp. De rentevergoeding eindigt op de dag van teruggave of op de dag van incasso.

Het gehanteerde rentepercentage is gelijk aan dat van de heffingsrente als bedoeld in artikel 30f, zesde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Indien het in beslag genomen geld het wederrechtelijk verkregen voordeel belichaamt of indien het voorwerp dat ex artikel 117 Sv is vervreemd, danwel waarvoor ex artikel 118a Sv zekerheid is gesteld dit voordeel belichaamde, is de rente te beschouwen als vrucht van dat voordeel. Van belichaming is in ieder geval sprake indien het geld direct afkomstig is van het strafbare feit dat aan de ontneming ten grondslag ligt.

(...)".

4.11. Uit de in 2009 gegeven beschikking kan niet de conclusie worden getrokken dat de Hoge Raad is teruggekomen op zijn in 1986 ingenomen standpunt. Het grote verschil tussen beide beschikkingen is dat het in de eerste beschikking gaat om de teruggave van de "in feite gekweekte rente" en in de tweede beschikking niet. Daarin ging het om de vraag of de klager recht had op uitkering van de wettelijke rente. Die vraag beantwoordde de Hoge Raad met een beroep op het BW ontkennend.

4.12. Een ander mogelijk niet onbelangrijk verschil is dat het in 1986 ging om geldbedragen die al waren teruggegeven, terwijl dat in 2009 nog niet het geval was. Dat is van belang omdat de vraag hoeveel rente in feite is gekweekt, pas kan worden beantwoord als het geld is teruggegeven. Van het moment van teruggave hangt immers af hoeveel rente het geld in feite heeft opgebracht. De conclusie die ik daaraan zou willen verbinden, is dat de rechter die de teruggave van geldbedragen gelast - of dat nu de beklagrechter is of de zittingsrechter - zich niet hoeft te bekommeren om de rente die feitelijk al mocht zijn gekweekt. Daarover kan pas worden beslist als het geld is of wordt teruggegeven. Op die manier wordt een resultaat bereikt dat in de praktijk werkbaar is. Als gevolg van het in de Aanwijzing ontneming bepaalde - de Hoge Raad wees daar niet voor niets op - is de vraag hoeveel rente er feitelijk is gekweekt nog maar van weinig praktisch belang. De klager die zijn geld terugkrijgt, heeft immers recht op vergoeding van de heffingsrente, ook als er in feite geen rente is gekweekt. Er mag in de regel van uitgegaan worden dat het openbaar ministerie zich aan de Aanwijzing houdt en de heffingsrente vergoedt. Pas als dat niet het geval is, is er reden tot klagen.

4.13. In theorie kunnen hier nog interessante vragen rijzen. Als de feitelijk gekweekte rente hoger is dan de heffingsrente, heeft de klager op grond van art. 11 lid 4 BIV recht op die hogere rente. Als in dat geval slechts de heffingsrente wordt uitgekeerd, kan ex art. 552a Sv over het verschil worden geklaagd. Denkbaar is natuurlijk ook dat de feitelijke rente lager is dan de heffingsrente. Als het openbaar ministerie dan - in strijd met de Aanwijzing ontneming - alleen de feitelijk gekweekte rente uitkeert, zal daarover mogelijk niet ex art. 552a Sv geklaagd kunnen worden. Art. 11 lid 4 BIV biedt daarvoor immers strikt genomen geen basis. De consequentie zou zijn dat de gang naar de burgerlijke rechter moet worden gemaakt.

4.14. In de onderhavige beklagprocedure is verzocht de inbeslaggenomen geldbedragen terug te geven vermeerderd met de wettelijke rente, in welke mogelijkheid art. 552a Sv, zoals hiervoor is gebleken, niet voorziet. Daar komt bij dat over het uitblijven van een last tot teruggave van feitelijk gekweekte rente pas geklaagd kan worden nadat de desbetreffende gelden zijn teruggegeven en wel omdat een plicht tot teruggave van die rente eerst bestaat vanaf het moment waarop die gelden worden teruggegeven. Dat betekent dat de Rechtbank - zelfs indien het klaagschrift zo zou moeten zijn verstaan dat het (mede) betrekking heeft op de feitelijk gekweekte rente (12) - de klaagster ook in zoverre terecht niet ontvankelijk heeft verklaard in haar beklag.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad klaagster niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 Deze zaak hangt samen met twee andere beklagzaken, te weten de beklagzaken van [klager 1] (11/00388B) en die van [klaagster 3] (11/00390 B). In die beide andere beklagzaken zal ik ook vandaag concluderen.

2 Zo leid ik af uit het namens klaagster ingediende klaagschrift en de uit de aan het proces-verbaal van de raadkamerbehandeling van 4 oktober 2010 gehechte pleitnotities van de raadsman van klaagster.

3 Het vonnis in de strafzaak tegen [klager 1] dateert derhalve van dezelfde datum als de beschikking waartegen het onderhavige cassatieberoep zich richt.

4 Zie tevens HR 13 september 2011, LJN BQ8909.

5 Vgl. onder meer HR 3 juni 2003, LJN: AF6594. De (civiele kamer van de) Hoge Raad heeft in HR 24 juni 2011, LJN BQ2292, NJ 2011, 390 m.nt. Wortmann naar aanleiding van een uitspraak van het Europese Hof afstand genomen van de "geen belang" rechtspraak. Deze beschikking beperkt zich echter tot (tijdelijke) maatregelen van vrijheidsbeneming. Daarvan is hier geen sprake.

6 Het bedoelde vonnis behoort niet tot de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv toegezonden stukken. Ik ben veronderstellenderwijs uitgegaan van de juistheid van het in de schriftuur gestelde, waarbij ik aanteken dat mijn slotsom zal zijn dat het cassatieberoep desondanks niet-ontvankelijk is. Ook ben ik er gemakshalve van uitgegaan dat klaagster behoort tot de "rechthebbenden" aan wie de geldbedragen volgens het vonnis van de Rechtbank moeten worden teruggegeven.

7 Zie het slot van de pleitaantekeningen van de raadsman van klaagster zoals die aan het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in de raadkamer zijn gehecht.

8 Art. 11 lid 4 BIV luidt als volgt: "Tijdens het beslag geboren jongen van inbeslaggenomen dieren worden aan de rechthebbende afgegeven tegen betaling van de noodzakelijke kosten, gemaakt voor de geboorte en voor de verzorging der jongen."

9 Vgl. Wöretshofer 2011 (T&C Sv), art. 552a Sv, aant. 5e.

10 Het betreft HR 3 februari 2009, LJN: BG2191, NJ 2009, 99.

11 Mijn ambtgenoot Vellinga dacht hier - in het licht van HR 22 april 1986, NJ 1986, 783, m.nt. ThWvV - overigens anders over. Hij concludeerde dan ook tot vernietiging.

12 Zie het slot van het klaagschrift dat als volgt luidt: "Voor zover de verzochte teuggave geld betreft wordt verzocht het terug te geven bedrag te vermeerderen met de daarop ontstane vruchten, rente, vanaf de datum van inbeslagname" In(het slot van) de pleitnotities van de raadsman wordt evenwel expliciet "de wettelijke rente" gevorderd. In de cassatieschriftuur wordt alleen gerefereerd aan het gedane verzoek tot toekenning van de wettelijke rente.