Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BU5695

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
06-03-2012
Datum publicatie
06-03-2012
Zaaknummer
11/00260 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU5695
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Conclusie

Nr. 11/00260 B

Mr. Knigge

Zitting: 15 november 2011

Conclusie inzake:

[klager], [klaagster]

1. De Rechtbank te Amsterdam heeft bij beschikking van 20 oktober 2010 het door klagers ingediende klaagschrift strekkende tot teruggave aan hen van een inbeslaggenomen schilderij, ongegrond verklaard.

2. Tegen deze beschikking is namens klagers cassatieberoep ingesteld. Ik wijs er daarbij op dat deze beschikking betrekking heeft op twee klaagschriften. Het eerste klaagschrift is op 26 april 2010 ingediend door [klaagster] en heeft betrekking op de hiervoor bedoelde drie schilderijen. Het tweede - door de Rechtbank als "aanvullend" bestempelde - klaagschrift is op 8 september 2010 ingediend door [klager] en [klaagster] en heeft betrekking op een ander schilderij. (1) Het onderhavige cassatieberoep richt zich uitsluitend tegen de beslissing die in de bestreden beschikking is gegeven met betrekking tot het tweede klaagschrift.(2)

3. Namens klagers heeft mr. R. van der Hoeven, advocaat te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank dat de inbeslagneming van het schilderij rechtmatig heeft plaatsgevonden. Het valt uiteen in vier te onderscheiden klachten.

5. Waarom het gaat

5.1. Het gaat in deze zaak om het volgende. De Belgische onderzoeksrechter heeft op 2 december 2009 de Nederlandse autoriteiten door middel van een bevriezingsbevel als bedoeld in het kaderbesluit nr. 2003/577/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 22 juli 2003 inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen of bewijsstukken (hierna: het Kaderbesluit) verzocht beslag te leggen op bankrekeningen en kunstwerken. Het bevel ziet onder meer op schilderijen van [klager] die zich bij [F] zouden bevinden. Naar aanleiding van het bevriezingsbevel heeft de Rechter-Commissaris op 4 december 2009 aan de Officier van Justitie machtiging verleend tot het leggen van conservatoir beslag. Bij de stukken van het geding bevindt zich een proces-verbaal van politie inhoudende de verklaring van [betrokkene 6], directeur van [F]. [Betrokkene 6] verklaart dat hij één schilderij van [klager] onder zich heeft, te weten een zelfportret van Rembrandt, en dat hij niet weet waar de in het bevriezingsbevel opgesomde andere schilderijen van [klager] zich bevinden. Onder [F] is op 8 december 2009 conservatoir beslag gelegd op de aangetroffen Rembrandt.

5.2. Op 17 december 2009 heeft de Belgische onderzoeksrechter vervolgens een rechtshulpverzoek gedaan waarin de Nederlandse autoriteiten wordt verzocht beslag te leggen op het "kunstpatrimonium" van de familie [van klager]. Het verzoek houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Verdere toelichting omtrent de freezing order van 2 december 2009

Bij de uitvoering van het bevriezingsbevel is gebleken dat een olieschilderij van (vermoedelijk) Rembrandt, voorstellende een zelfportret van Rembrandt, deel uitmaakt van de kunstcollectie van [klager] en/of [klaagster]. In uitvoering van mijn bevriezingsbevel van 2 december 2009 werd hierop door de Nederlandse autoriteiten conservatoir beslag gelegd onder [F] en haar directeur [betrokkene 6]. Wellicht ten overvloede wordt bevestigd dat de conservatoire beslaglegging op dit voorwerp eveneens gewenst is.

Zoals supra reeds aangehaald is deze firma [klaagster] eveneens als verdachte aan te rekenen.

(...)

Verzoek:

Mijn ambt verzoekt de uitvoering van inbeslagnames van het kunstpatrimonium en meer bepaald een conservatoire beslaglegging zodat betrokkenen geen mogelijkheid krijgen deze te laten verdwijnen of waarden alsnog te onttrekken aan inbeslagname met het oog op een latere bijzondere verbeurdverklaring door de vonnisrechter."

5.3. Naar aanleiding van het rechtshulpverzoek heeft de Rechter-Commissaris op 14 januari 2010 op vordering van de Officier van Justitie machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo). Op grond van het sfo heeft de Officier van Justitie van het Functioneel Parket te Amsterdam op 22 februari 2010 op grond van art. 94a jo. 94c Sv en art. 742 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering conservatoir beslag "onder zichzelf" gelegd op het zelfportret van Rembrandt.(3)

6. De klacht met betrekking tot de eerste inbeslagneming

6.1. De in het middel als tweede geformuleerde klacht houdt in dat het oordeel van de Rechtbank dat het bevriezingsbevel zich mede uitstrekte tot de Rembrandt onbegrijpelijk is, nu het schilderij niet voorkomt op de in het bevel opgenomen lijst.

6.2. Het bevriezingsbevel is gegrond op het Kaderbesluit. Ingevolge art. 4 van het Kaderbesluit wordt elke beslissing tot bevriezing vergezeld van het in art. 9 bedoelde certificaat. Dit certificaat is weergegeven in de bijlage bij het Kaderbesluit.(4) Het door de Belgische autoriteiten verstrekte certificaat houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"f. Gegevens betreffende het voorwerp of bewijsstuk in de tenuitvoerleggingsstaat waarop de beslissing tot bevriezing betrekking heeft:

Beschrijving van het voorwerp of bewijsstuk en de locatie:

1.a. Nauwkeurige beschrijving van het voorwerp en indien van toepassing het maximumbedrag dat men probeert te recupereren (indien in de beslissing met betrekking tot de waarde van opbrengsten een dergelijk maximumbedrag wordt vermeld):

1. verschillende rekeningen bij verschillende banken

(...)

2. kunstpatrimonium dat eigendom is van de familie [van klager] en blijkbaar werd opgeslagen bij [F]. Mogelijk bevinden één of meerdere hierna vermelde werken zich bij deze kunstdealer:

AnquetinVase de Fleurs

Boudin Marée basse a Trouville

Breughel River Landscape with Traveller

Chagall Les Charpentiers

Chirico De La Meditazione del Mattino

Corot Ville d'Avray

Degas Avant la Course

Degas Avant la Course

Derain La Danse

Dongen Van 13 litho's

Dongen Van View of Paris

Dongen Van Zandstraal in Rotterdam

Dongen Van View of Delftshaven

Dongen Van Small Letter with a Short Written Text

Dongen Van Flowers

Dongen Van Flowers in a Vase and a Letter

Dongen Van Nude and a Letter

Dongen Van Mother with a Child

Dongen Van Venise (Femme au Chapeau Blue)

Ernst Earthquake

Guillaumin Roche l'Echo

Helleu Elegante sur la Passerelle

HerbinLa Rigole, Vadencourt

Kandinsky The Pare of Saint Cloud with Man on a Horse

Kandinsky Study for Composition VIII

Leger Deux Femmes au Bouquet

Marquet Le Banc

Picasso Deux Femmes Nues

Soutine La Jeune Polonaise

Tanguy Témoin Silencieux

Vaes Pomegranates

Vlaminck De Le Village"

6.3. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Meer in het bijzonder gevoerd verweer: het eerste beslag op de Rembrandt op grond van het bevriezingsbevel is ook overigens onrechtmatig.

De raadslieden hebben meer in het bijzonder nog aangevoerd dat de eerste inbeslagname van de Rembrandt op grond van het bevriezingsbevel onrechtmatig is geschied, nu het betreffende schilderij niet is opgenomen op de lijst met kunstwerken waarop beslag mocht worden gelegd. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt. Nu klager niet betwist dat de Rembrandt tot het kunstpatrimonium van de familie [van klager] behoort en niet is gebleken dat de in het bevriezingsbevel opgenomen lijst uitputtend is, vermag de rechtbank niet in te zien waarom het beslag op de Rembrandt onrechtmatig zou zijn. De rechtbank komt onder meer tot deze conclusie op grond van de volgende passage in het bevriezingsbevel: "mogelijk bevinden één of meerdere hierna vermelde werken zich bij deze kunstdealer" ([F]). Kennelijk wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat niet alle kunstwerken zich daar bevinden, maar daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank tegelijkertijd niet uitgesloten dat ook andere kunstwerken konden worden aangetroffen. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat het doel van het bevriezingsbevel de beslaglegging op vermogen van [klager] betrof, waartoe ook de Rembrandt behoorde. Dat de Rembrandt niet op de lijst is opgenomen doet daar niet aan af en is irrelevant."

6.4. De uitleg van het bevriezingsbevel is van feitelijke aard en kan in cassatie slecht op haar begrijpelijkheid worden getoetst. Het certificaat houdt in als beschrijving van het voorwerp waarop de beslissing tot bevriezing betrekking heeft: "kunstpatrimonium dat eigendom is van de familie [van klager]" en dat dit kunstpatrimonium "blijkbaar werd opgeslagen bij [F]". Gelet daarop acht ik de door de Rechtbank gegeven uitleg niet onbegrijpelijk.

6.5. Ik merk daarbij op dat een al te formalistische uitleg van bevelen als de onderhavige niet strookt met de verplichtingen die uit het Kaderbesluit voortvloeien. Art. 552kk lid 4 Sv houdt onder meer in dat, als het certificaat onvolledig is, de officier van justitie de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid stelt het certificaat aan te vullen. Als de noodzakelijke informatie op andere wijze is verkregen, kan de officier van justitie bepalen dat een (vervangend) certificaat niet meer behoeft te worden overgelegd. Hoewel deze bepaling hier niet direct van toepassing is, geeft zij wel aan in welke geest met het certificaatsvereiste moet worden omgesprongen. Daarom meen ik dat niet zonder belang is dat de Belgische autoriteiten kort na de inbeslagneming hebben "bevestigd" en wel "wellicht ten overvloede" dat ook de inbeslagneming van de Rembrandt gewenst is.

6.6. De eerste klacht van het middel faalt derhalve.

7. De overige klachten

7.1. De eerste, derde en vierde klacht van het middel keren zich telkens tegen het oordeel van de Rechtbank dat de tweede inbeslagneming van de Rembrandt rechtmatig is geschied. Nu de eerst klacht faalt - hetgeen betekent dat het oordeel van de Rechtbank met betrekking tot de eerste inbeslagneming in cassatie stand houdt - hebben de klagers bij de bespreking van de overige klachten geen belang meer. Immers, ook als zou moeten worden geoordeeld dat aan de tweede inbeslagneming gebreken kleven, kan dat aan de rechtmatigheid van de eerste inbeslagneming niet afdoen.

7.2. Ik zie onvoldoende reden om de overige klachten toch te bespreken met het oog op het geval dat de Hoge Raad over de eerste klacht anders zou oordelen. Ik neem daarbij in aanmerking dat de derde en vierde klacht identiek zijn aan de klachten die in de samenhangende zaak naar voren zijn gebracht. Voor de eerste klacht geldt dat niet. Daarom maak ik daarvoor een uitzondering.

7.3. De eerste klacht van het middel houdt in dat de tweede inbeslagneming op grond van art. 13 WOTS onrechtmatig was, nu reeds bekend was waar de Rembrandt zich bevond.

7.4. De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"Meer in het bijzonder gevoerd verweer: het tweede beslag van de Rembrandt op grond van het rechtshulpverzoek en het SFO is ook overigens onrechtmatig.

Het verweer van de raadslieden dat de tweede beslaglegging op de Rembrandt op grond van het SFO onrechtmatig is geweest, nu reeds bekend was waar de Rembrandt zich bevond, wordt eveneens door de rechtbank verworpen.

Artikel 13 WOTS is gericht op inbeslagneming - onder meer - ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Ingevolge het eerste lid van dit artikel kan een SFO worden ingesteld gericht op de bepaling van hier te lande aanwezig of verworven wederrechtelijk verkregen voordeel. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit dit artikel niet worden opgemaakt dat vermogensbestanddelen waarvan al duidelijk is waar zij zich bevinden, niet vatbaar zijn voor beslag op grond van een SFO. Deze stelling gaat voorbij aan het doel van artikel 13 WOTS."

7.5. Art. 13 WOTS luidt:

"1. Naar aanleiding van een op een verdrag gegrond verzoek van een vreemde Staat kan in Nederland een strafrechtelijk financieel onderzoek worden ingesteld, overeenkomstig de bepalingen van de negende afdeling van Titel IV van Boek I van het Wetboek van Strafvordering, gericht op de bepaling van hier te lande aanwezig of verworven wederrechtelijk verkregen voordeel van een persoon die in de verzoekende Staat aan strafrechtelijk onderzoek is onderworpen.

2. Het strafrechtelijk financieel onderzoek kan slechts worden ingesteld, indien zulks ook mogelijk zou zijn geweest wanneer het feit of de feiten ter zake waarvan de persoon in de verzoekende Staat wordt verdacht in Nederland zouden zijn begaan.

3. Tijdens het strafrechtelijk financieel onderzoek kan inbeslagneming van voorwerpen overeenkomstig artikel 94, tweede lid, en artikel 94a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering slechts plaatsvinden, indien gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat te dier aanzien vanwege de verzoekende vreemde Staat een verzoek tot tenuitvoerlegging van een verbeurdverklaring of van een tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel strekkende sanctie zal worden gedaan.

4. De officier van justitie zendt van zijn beschikking tot sluiting van een strafrechtelijk financieel onderzoek onverwijld een afschrift aan Onze Minister. Daarbij doet hij tevens mededeling van alle voor de verzoekende vreemde Staat dienstige inlichtingen."

7.6. De steller van het middel wijst erop dat op grond van art. 13 lid 1 WOTS alleen een strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) mag worden ingesteld als dat gericht is "op de bepaling" van wederrechtelijk verkregen voordeel. Zijn standpunt is daarbij als ik het goed begrijp niet dat in casu aan die voorwaarde niet is voldaan. Daarmee zou hij het ook niet ver hebben gebracht. Nu geen van de in het bevriezingsbevel genoemde schilderijen bij [F] werd aangetroffen, lijkt er immers alle reden te zijn geweest om een onderzoek in te stellen ten einde te achterhalen waar die schilderijen zich dan wel bevonden. Ik begrijp het standpunt van de steller van het middel daarom aldus dat in het kader van een op goede gronden ingesteld sfo geen voorwerpen in beslag mogen worden genomen waarvan al bekend is waar zij zich bevinden. Dit omdat die inbeslagneming in strijd zou zijn met het doel van een op art. 13 WOTS ingesteld sfo.

7.7. Mij lijkt dat niet juist. Uit de - door de steller van het middel geciteerde - Memorie van Toelichting leid ik af dat het sfo op grond van art 13 WOTS niet alleen ten doel heeft om de voorwerpen op te sporen, maar ook om "de herkomst en waarde daarvan te bepalen, alsmede inzicht te geven omtrent het bestaan van rechten van derden te dier aanzien".(5) Ik merk daarbij op dat art. 13 lid 1 WOTS bepaalt dat het sfo overeenkomstig de bepalingen van de negende afdeling van Titel IV van Boek I van het Wetboek van Strafvordering wordt ingesteld. Tot die bepalingen behoort art. 126 lid 4 Sv, dat bepaalt dat de officier van justitie bij zijn vordering een lijst overlegt met de reeds op grond van art. 94a Sv inbeslaggenomen voorwerpen. Hoewel de functie van dit voorschrift onduidelijk is(6), blijkt daaruit wel dat het sfo zich ook kan en misschien wel moet uitstrekken tot voorwerpen waarop al conservatoir beslag is gelegd en waarvan dus duidelijk is waar zij zich bevinden. Een goede reden om voorwerpen die niet meer opgespoord behoeven te worden buiten het sfo te houden, valt mijns inziens ook niet te bedenken.

7.8. De klacht faalt derhalve.

8. De klacht met betrekking tot de eerste inbeslagneming faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. De overige klachten behoeven daarom geen bespreking.

9. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

AG

1 [Klager] is voor 100% eigenaar van [klaagster], zo stelt de Rechtbank in haar beschikking vast. Daarom spreekt zij gemakshalve van klager (enkelvoud).

2 Tegen de beslissing met betrekking tot het eerste klaagschrift is door [klaagster] afzonderlijk beroep in cassatie ingesteld. In die zaak (11/00259 B), die met de onderhavige samenhangt, zal ik vandaag eveneens concluderen.

3 Proces-verbaal conservatoir beslag onder zichzelf, 22 februari 2010

4 Zie voor de implementatie in het Nederlandse recht art. 552kk lid 1 Sv jo.het Uitvoeringsbesluit wederzijdse erkenning (Stb. 2005, 353.

5 Kamerstukken II, 1990-1991, 22 083, nr. 3, p. 9.

6 Zie M.J. Borgers in: Melai-Groenhuijsen, aant. 3.4 op art. 126.