Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2012:BU3988

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
11/00130 E
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2010:BO1026
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BU3988
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Economische zaak. 1. Verdrag van Bazel en EEG Verordening overbrenging van afvalstoffen (EVOA). 2. Kaderrichtlijn afvalstoffen. Ad 1. De omstandigheid dat anodeslib van elektrolytische zuiveringssystemen bij elektrolytische koperraffinage en -winning is uitgezonderd van het in rubriek A1120 van bijlage VIII van het Verdrag van Bazel bedoelde afvalslib, brengt niet zonder meer mee dat anodeslib niet als een afvalstof als bedoeld in art. 3.1.b sub (i) EVOA kan worden aangemerkt. In aanmerking genomen het doel en de strekking van het Verdrag van Bazel, te weten een doeltreffende bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid, brengt een verdragsconforme uitleg van rubriek A1120 mee dat anodeslib van elektrolytische zuiveringssystemen bij elektrolytische koperraffinage en -winning alleen als uitzondering van het in die rubriek bedoelde afvalslib kan worden aangemerkt, indien daarin geen gevaarlijke afvalstoffen in de zin van art. 1 van dat verdrag voorkomen, waartoe onder meer behoren de in bijlagen I bij het verdrag vermelde afvalstoffen die antimoon, arseen of lood als bestanddeel bevatten. Ad 2. De vervanging van de Richtlijn nr. 2006/12/EG betreffende afvalstoffen (PbEG L 114) door de “nieuwe Kaderrichtlijn afvalstoffen” getuigt tegen de achtergrond van de considerans van de nieuwe Kaderrichtlijn alsmede in het licht van de wetsgeschiedenis bij de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn afvalstoffen, niet van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de inwerkingtreding van de nieuwe Kaderrichtlijn begane strafbare feiten. Het Hof heeft ten aanzien van het onderhavige anodeslib vastgesteld dat eerst na de winning van edelmetalen uit het anodeslib sprake is van een nieuw materiaal met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het oorspronkelijke materiaal dat kan worden gebruikt voor het oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden. Voorts heeft het Hof vastgesteld dat het bewerkingsproces van het onderhavige anodeslib met het elektrolyseproces nog niet was voltooid. Het daarop gestoelde oordeel van het Hof, dat het onderhavige anodeslib kan worden gekwalificeerd als een afvalstof, getuigt tegen de achtergrond van de in de conclusie van de Advocaat-Generaal weergegeven jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2012/76 met annotatie van T. van der Meulen
RvdW 2012/651
Milieurecht Totaal 2012/2536
AB 2012/204
Van der Meijden annotatie in JAF 2012/57

Conclusie

Nr. 11/00130 E

Mr. Machielse

Zitting 8 november 2011

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, Economische Kamer, bij arrest van 19 oktober 2010 wegens "Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,-.

2. Mr. R.J. Versteeg, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft cassatie ingesteld. Namens de verdachte heeft mr. Th.J. Kelder, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.

3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 8 november 2007 in de gemeente Heerlen een handeling heeft verricht als bedoeld in artikel 2, onder 35, van de EG-Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen, immers heeft zij afvalstoffen, te weten ongeveer 25.000 kg anodeslib, overgebracht van Oostenrijk naar Nederland, met als doel: Hoboken te België, terwijl die overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig genoemde verordening."

3.2. Het bestreden (promis)-arrest houdt onder meer het volgende in:(1)

"Vaststaande feiten

Het hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen (...) het volgende vast.

Op 8 november 2007 bevonden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zich op de in de gemeente Heerlen langs de rijksweg A 76 gelegen parkeerplaats Langveld. Aldaar werd een vrachtauto met oplegger door een motorrijder van de politie ter controle aangebracht. Door de bestuurder van de vrachtauto werd desgevraagd een vrachtbrief CMR nr. [001], een brief met aanwijzingen voor het transport met daarachter schriftelijke instructies, een "Versandanzeige" nr. [002] en een weegbrief nr. [002] overhandigd aan verbalisant [verbalisant 1]. De bestuurder van de vrachtauto verklaarde, nadat hem was gevraagd naar de kennisgeving en het vervoerdocument als bedoeld in artikel 4 van de Europese Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen, dat hij behalve de bescheiden die hij reeds had overhandigd geen verdere bescheiden had met betrekking tot de lading. In de laadbak zag verbalisant [verbalisant 1] een hoeveelheid grijze brokken, korrels en poeder.

De vrachtauto met oplegger vervoerde anodeslib met een nettogewicht van 25.520 kilogram van [verdachte], gelegen te [plaats], Oostenrijk, naar [A] SA, gelegen te Hoboken, België. De vrachtbrief CMR hield met betrekking tot de aard van de goederen onder meer in: "BLEIVERBINDUNG, LÖSLICH, NAG (BLEI-(II)-OXYDE)".

Door verdachte is aan de verbalisanten op 8 november 2007 een analyse van het anodeslib

verstuurd. Deze analyse hield onder meer in:

"Stoff Wert Einheit

Pb 22,08 %

As 1,07 %

Sb 7,08 %".

As is het scheikundige symbool voor arsenicum. Pb is het scheikundige symbool voor lood. Sb is het scheikundige symbool voor antimoon.

Verdachte heeft van de overbrenging van het anodeslib geen kennisgeving gedaan bij en via de bevoegde autoriteit van verzending, als bedoeld in Titel II van de EG Verordening betreffende de overbrenging van afvalstoffen."

3.3. Voorts heeft het Hof het volgende overwogen:

"Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat zij van het haar ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd - zakelijk weergegeven -:

- primair dat het anodeslib evenals het vrijgemaakte koper een (hoofd)product is, zodat geen sprake is van een afvalstof;

- subsidiair dat het anodeslib een bijproduct is, zodat geen sprake is van een afvalstof.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.1

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening (EG) Nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, zoals die bepaling luidde ten tijde van het bewezen verklaarde, moeten onder "afvalstoffen" worden verstaan:

"afvalstoffen als omschreven in artikel 1, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/12/EG".

B.2

Artikel 1 van voormelde richtlijn nr. 2006/12/EG luidt voor zover hier van belang als volgt:

"In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;"

B.3

Het hof overweegt dat in die bijlage I, alsmede in de toelichting daarop de definitie van afvalstof wordt toegelicht met lijsten van stoffen en voorwerpen die als afval kunnen worden beschouwd. Deze lijsten zijn evenwel slechts indicatief en de kwalificatie 'afvalstof' hangt vooral af van het gedrag van de houder, namelijk of deze zich al dan niet van de betrokken stoffen wil ontdoen.

Het hof overweegt voorts dat bij de invulling van het begrip "afvalstof" de wijze van het "zich ontdoen" van de stof doorslaggevend is. Bij het uitleggen van deze term - en daarmee van het begrip "afvalstof" - moet - met inachtneming van alle omstandigheden - rekening worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn en moet ervoor worden gewaakt dat aan de doeltreffendheid van de richtlijn geen afbreuk wordt gedaan.

B.4

Ten aanzien van de doelstelling bepaalt de considerans van de richtlijn dat iedere regeling op het gebied van de verwijdering van afvalstoffen als voornaamste doelstelling moet hebben, de gezondheid van de mens en het milieu te beschermen tegen de schadelijke invloeden veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen. Het begrip "afvalstof" kan bijgevolg naar het oordeel van het hof niet restrictief worden uitgelegd.

B.5

Het hof stelt vast dat de richtlijn niet een beslissend criterium bevat aan de hand waarvan de wil van de houder om zich van een bepaalde stof of een bepaald voorwerp te ontdoen, kan worden vastgesteld.

B.6

Met inachtneming van het hiervoor overwogene, zal het hof nagaan of het anodeslib al dan niet moet worden aangemerkt als 'afvalstof' in de zin van de verordening en de richtlijn.

C.1

De verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep houdt - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende in:

"[Verdachte] is een kopersmelterij, een koperverwerkingsbedrijf. Als grondstof wordt voornamelijk schroot gebruikt. Daarmee bedoelen wij elektronicaschroot, draadschroot en ook ander schroot. Deze afval/grondstoffen ondergaan een metallurgisch proces. Het metallurgisch proces is een thermisch proces. Ze worden op metallurgische wijze geraffineerd, gezuiverd. Daarbij ontstaat een metaalsoort, namelijk anodekoper. Het anodekoper wordt onderworpen aan een elektrolyse-proces. Het anodekoper wordt in een zwavelzuuroplossing gestopt. Vervolgens wordt er elektrische stroom opgezet. Er ontstaan bij de elektrolyse twee producten, namelijk kathodekoper en anodeslib. Het anodeslib bestaat uit de stoffen die tijdens het elektrolyse-proces niet oplossen en op de bodem terecht komen."

C.2

De verklaring van de deskundige Hoogwater houdt - zakelijk weergegeven - onder meer

het volgende in:

"In het productieproces wordt koperschroot tezamen met elektronicaschroot waarin zich zeer veel metaalverbindingen, metalen en organische verbindingen bevinden, verwerkt. De eerste stap is een thermisch proces waarbij de organische verbindingen grotendeels worden verbrand en vluchtige metaalverbindingen verdwijnen. Dat proces levert zogenoemde anodebroodjes op. De tweede stap is de elektrolyse. Dat proces is zo ingericht qua bad, zuurgraad van het bad, temperatuur en het spanningsverschil tussen de kathoden en anoden dat koper wordt opgelost. Die koperionen worden getransporteerd en daaruit wordt koper gewonnen. Het koper wordt afgezet als metaal op de kathode. De metalen die overblijven gaan deels in de oplossing en worden geoxideerd en zinken naar de bodem. Dit is het anodeslib."

D.1

Uit de evenweergegeven verklaringen leidt het hof af dat het productieproces waarvan anodeslib het resultaat is, is aangevangen met schroot. Aangezien dat schroot, in casu koperen elektronicaschroot, naar het oordeel van het hof en onbetwist door de verdediging moet worden aangemerkt als een afvalstof, ziet het hof zich gesteld voor de vraag of het anodeslib reeds het karakter van afvalstof heeft verloren.

D.2

De verklaring van de deskundige Hoogwater houdt -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende in:

"De nuttige toepassing van anodeslib is de winning van met name edelmetalen uit het slib, maar ook andere metalen. Daar zijn bewerkingen voor nodig."

D.3

De verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep houdt -zakelijk weergegeven- onder meer het volgende in:

"Uit het anodeslib kan goud en zilver worden gehaald. Dat kan door middel van een metallurgisch proces in een oven of door een nat chemisch proces."

D.4

Het hof is van oordeel dat afvalstoffen als zodanig gekwalificeerd blijven tot zij daadwerkelijk zijn gerecycled, met name tot zij in het bewerkingsproces waarvoor zij zijn bestemd afgewerkte producten vormen en het bewerkingsproces aldus is voltooid.

Voorts is het hof van oordeel dat een afvalstof slechts als gerecycled kan worden aangemerkt indien zij (opnieuw) is verwerkt ter verkrijging van nieuw materiaal of van een nieuw product met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het materiaal waaruit het afval bestond voor het oorspronkelijk doel of voor andere doeleinden.

D.5

Gelet op de evenweergegeven verklaringen heeft het anodeslib naar het oordeel van het hof het karakter van afvalstof nog niet verloren. Eerst na de winning van edelmetalen uit het anodeslib is naar het oordeel van het hof, voor zover het de edelmetalen betreft, sprake van een nieuw materiaal met eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van het oorspronkelijke materiaal dat kan worden gebruikt voor het oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden. Met het elektrolyseproces waaruit het anodeslib is ontstaan, is het bewerkingsproces van het schroot, voor zover het anodeslib betreft derhalve nog niet voltooid.

D.6

Dat het anodeslib, gelet op de aanwezigheid van edelmetalen zoals goud en zilver, een hoge economische waarde heeft, doet daar niet aan af. Ook stoffen met een economische waarde kunnen onder het begrip afvalstof vallen. De economische waarde van een stof is immers geen doorslaggevend criterium om te bepalen of de stof al dan niet als een afvalstof moet worden aangemerkt.

D.7

Op grond van het vorenstaande is het anodeslib naar het oordeel van het hof te duiden als een afvalstof in de zin van voormelde Richtlijn en Verordening.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer in al zijn onderdelen.

E.1

Uit het onderzoek ter terechtzitting is aannemelijk geworden dat het anodeslib was bestemd om daaruit edelmetalen terug te winnen en aldus voor recycling of terugwinning van metalen en/of metaalverbindingen. Gelet op bijlage II B bij de Richtlijn nr. 2006/12/EG, categorie R 4, was het anodeslib derhalve bestemd voor nuttige toepassing.

Bijgevolg ziet het hof zich gesteld voor de vraag of anodeslib een afvalstof is in de zin van artikel 3, eerste lid, onder b, van Verordening 1013/2006.

E.2

Bijlage VIII bij het Verdrag van Bazel van 22 maart 1989 inzake de beheersing van grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, waarnaar in artikel 3, eerste lid, onder b, sub 1, van Verordening 1013/2006 wordt verwezen, houdt onder meer het volgende in:

"A1120 Waste sludges, excluding anode slimes, from electrolyte purification systems in copper electrorefining and electrowinning operations".

De Nederlandse vertaling van dit onderdeel van de bijlage, zoals gepubliceerd in Tractatenblad 1999, 105, luidt als volgt:

"A1120 Afvalslib, met uitzondering van anode slib, van elektrolytische zuiveringssystemen bij elektrolytische koperraffinage en -winning".

Deze code met toelichting sluit naar het oordeel van het hof evenwel niet uit dat, gegeven de specifieke samenstelling van het in casu aangetroffen anodeslib, het anodeslib niet onder een andere code van bijlage VIII kan vallen. Het hof acht deze interpretatie van de Verordening en de daarbij behorende bijlagen te meer gepast gelet op de considerans van de Verordening waarin wordt vermeld: "Hoofddoel en belangrijkste onderdeel van deze verordening is de bescherming van het milieu; de effecten van de verordening op de internationale handel zijn van bijkomend belang."

E.3

Zoals het hof hiervoor heeft vastgesteld, bevatte het in casu aangetroffen anodeslib onder meer lood(verbinding), arseen en antimoon.

Bijgevolg is het anodeslib qua samenstelling een afvalstof die is opgenomen in bijlage Vlll bij het Verdrag van Bazel van 22 maart 1989 inzake de beheersing van grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, waarnaar in artikel 3, eerste lid, onder b, sub 1, van Verordening 1013/2006 wordt verwezen. Immers, deze bijlage houdt voor zover hier van belang het volgende in:

"A1020 Waste having as constituents or contaminants, excluding metal waste in massive form, any of the following:

- Antimony; antimony compounds

(...)

- Lead; lead compounds

(...)

A1030 Wastes having as constituents or contaminants any of the following:

Arsenic; arsenic compounds

(...)".

De Nederlandse vertaling van dit onderdeel van de bijlage, zoals gepubliceerd in Tractatenblad 1999, 105, luidt als volgt:

"A1020 Afvalstoffen met uitzondering van afval van metalen in vaste vorm, die een of meer van de volgende bestanddelen of verontreinigingen bevatten:

- antimoon; antimoonverbindingen

(...)

- lood; loodverbindingen

(...)

A1030 Afvalstoffen die een of meer van de volgende bestanddelen of verontreinigingen bevatten:

- arseen; arseenverbindingen

(...)".

E.4

Uit het hiervoor onder E.1 en E.3 overwogene trekt het hof het gevolg dat de overbrenging van het anodeslib op grond van artikel 3, eerste lid, onder b, sub 1, van Verordening 1013/2006 viel onder de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming.

Gelet op artikel 2, lid 15, onder a, sub 1, van Verordening 1013/2006 juncto artikel 4 van deze verordening had verdachte, als producent van het anodeslib, mitsdien voorafgaand schriftelijke kennisgeving van de overbrenging bij en via de bevoegde autoriteit van verzending moeten doen."

4.1. Het middel komt met diverse klachten op tegen 's Hofs oordeel. Het klaagt - heel kort gezegd - over 1) het oordeel dat anodeslib een afvalstof is waarvoor de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming op de grond van Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen geldt, 2) het afwijken van en niet responderen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat anodeslib in casu een hoofdproduct dan wel bijproduct is, zodat geen sprake is van een afvalstof, en 3) het voorbijgaan aan het verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

Voor een goed begrip van de zaak geef ik eerst een overzicht van de relevante wet- en regelgeving.

4.2. Bewezenverklaard is dat de verdachte een handeling heeft verricht als bedoeld in art. 2, onder 35, van de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen. Dit is strafbaar gesteld in art. 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

De Wet milieubeheer

Art. 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidde op het bewezenverklaarde tijdstip als volgt:

" In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

afvalstoffen: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

(...)

EG-verordening overbrenging van afvalstoffen: verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PbEU L 190);

(...)"

Richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen

Art. 1, eerste lid, van Richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen houdt het volgende in:

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

(...)"

Bijlage I bij voornoemde Richtlijn houdt het volgende in:

"CATEGORIEËN AFVALSTOFFEN

Q1 Productie- of consumptieresiduen die niet hieronder nader zijn gespecificeerd

Q2 Producten die niet aan de normen voldoen

Q3 Producten waarvan de ge- of verbruiksdatum is verstreken

Q4 Stoffen die per ongeluk zijn geloosd, weggelekt en dergelijke. Hieronder vallen ook stoffen en materialen die als gevolg van dergelijke incidenten zijn verontreinigd

Q5 Stoffen die zijn besmet of verontreinigd als gevolg van vooraf geplande activiteiten (bijvoorbeeld residuen van schoonmaakwerkzaamheden, verpakkingsmateriaal, houders enz.)

Q6 Onbruikbaar materiaal (bijvoorbeeld lege batterijen, uitgewerkte katalysatoren enz.)

Q7 Stoffen die onbruikbaar zijn geworden (bijvoorbeeld verontreinigde zuren, verontreinigde oplosmiddelen, uitgewerkte hardingszouten enz.)

Q8 Bij industriële procédés ontstane residuen (bijvoorbeeld slakken, distillatieresiduen enz.)

Q9 Residuen van afvalzuivering (bijvoorbeeld slib afkomstig van gaswassing, stof afkomstig van luchtfilters, gebruikte filters enz.)

Q10 Residuen van de fabricage/bewerking van producten (bijvoorbeeld bij het draaien of frezen overgebleven residuen enz.)

Q11 Bij winning en bewerking van grondstoffen overgebleven residuen (bijvoorbeeld residuen van mijnbouw of oliewinning enz.)

Q12 Verontreinigde stoffen (bijvoorbeeld met PCB's verontreinigde olie enz.)

Q13 Alle materialen, stoffen of producten waarvan het gebruik van rechtswege is verboden

Q14 Producten die voor de houder niet of niet meer bruikbaar zijn (bijvoorbeeld artikelen die zijn afgedankt door landbouw, huishoudens, kantoren, winkels, bedrijven enz.)

Q15 Verontreinigde materialen, stoffen of producten die afkomstig zijn van bodemsaneringsactiviteiten

Q16 Alle stoffen, materialen of producten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen."

Richtlijn nr. 2006/12/EG is inmiddels ingetrokken. Inmiddels is in werking getreden Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen.(2)

Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen

Art. 3 van Richtlijn 2008/98/EG houdt onder meer het volgende in:

"In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "afvalstof": elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is te ontdoen of zich moet ontdoen

(...)

13. "hergebruik": elke handeling waarbij producten of componenten die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld;

14. "verwerking": nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van aan toepassing of verwijdering voorafgaande voorbereidende handelingen;

15. "nuttige toepassing": elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt. Bijlage II bevat een niet-limitatieve lijst van nuttige toepassingen;

16. "voorbereiding voor hergebruik": elke nuttige toepassing bestaande uit controleren, schoonmaken of repareren, waarbij producten of componenten van producten, die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze zullen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is;

17. "recycling": elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten, materialen of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dit omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;

(...)

19. "verwijdering": iedere handeling die geen nuttige toepassing is zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen. Bijlage I bevat een niet-limitatieve lijst van verwijderingshandelingen;"

Art. 5 van Richtlijn 2008/98/EG luidt als volgt:

"1. Een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, kan alleen als een bijproduct en niet als een afvalstof in de zin van artikel 3, punt 1), worden aangemerkt, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a) het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;

b) de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;

c) de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en

d) verder gebruik is rechtmatig, m.a.w. de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid.

2. Uitgaande van de in lid 1 gestelde voorwaarden kunnen maatregelen worden vastgesteld om te bepalen volgens welke criteria een specifieke stof of een specifiek voorwerp kan worden aangemerkt als bijproduct en niet als afvalstof in de zin van artikel 3, punt 1). Deze maatregelen, die niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn beogen te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing."

Art. 6 van Richtlijn 2008/98/EG luidt als volgt:

"1. Sommige specifieke afvalstoffen zijn niet langer afvalstoffen in de zin van artikel 3, punt 1), wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingsbehandeling, hebben ondergaan en voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden onder de volgende voorwaarden:

a) de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen;

b) er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp;

c) de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; en tevens

d) het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

De criteria omvatten, indien nodig, grenswaarden voor verontreinigende stoffen, en houden rekening met eventuele nadelige milieugevolgen van de stof of het voorwerp.

2. De maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen en die betrekking hebben op het aannemen van de in lid 1 bedoelde criteria en de omschrijving van het soort afvalstoffen waarop die criteria van toepassing zijn, worden vastgesteld volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Specifieke criteria voor de "einde-afvalfase" moeten onder meer tenminste worden overwogen voor granulaten, papier, glas, metaal, banden en textiel.

3. Afvalstoffen die, onder de in de leden 1 en 2 gestelde voorwaarden en specifieke criteria niet langer als afvalstoffen gelden, gelden ook niet langer als afvalstoffen voor het halen van de in de Richtlijnen 94/62/EG, 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2006/66/EG en andere toepasselijke communautaire wetgeving vastgestelde doelstellingen voor nuttige toepassing en recycling, mits aan de vereisten op het gebied van nuttige toepassing of recycling van die wetgeving is voldaan.

4. Indien er geen volgens de in de leden 1 en 2 bedoelde procedure op communautair niveau bepaalde criteria bestaan, kunnen de lidstaten, rekening houdend met de toepasselijke rechtspraak, per geval beslissen of een bepaalde afvalstof niet langer een afvalstof is. Zij stellen de Commissie overeenkomstig Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften(1) van dergelijke beslissingen in kennis, voor zover die richtlijn zulks voorschrijft."

Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (hierna: EVOA)

Art. 2 EVOA luidt als volgt:

"Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1. "afvalstoffen": afvalstoffen als omschreven in artikel 1, lid 1, onder a) van Richtlijn 2006/12/EG.

(...)

35. "illegale overbrenging": een overbrenging van afvalstoffen:

a) zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, of

b) zonder toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, overeenkomstig deze verordening, of

c) met een door vervalsing, verkeerde voorstelling van zaken of fraude verkregen toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten, of

d) dat feitelijk niet met de kennisgeving of de vervoersdocumenten overeenstemt, of

e) dat resulteert in een verwijdering of nuttige toepassing die in strijd is met de communautaire of internationale regelgeving, of

f) dat in strijd is met de artikelen 34, 36, 39, 40, 41 en 43, of

g) waarbij, ten aanzien van overbrengingen van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3, leden 2 en 4,

i) ontdekt is dat de afvalstoffen niet vermeld zijn in bijlage III, III A of III B of

ii) niet voldaan is aan artikel 3, lid 4;

iii) de overbrenging geschiedt op een wijze die niet feitelijk is gespecificeerd in het in bijlage VII opgenomen document.

Art. 3 EVOA luidt als volgt:

"1. Overbrengingen van de volgende afvalstoffen vallen onder de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming, als vastgelegd in deze titel:

a) indien bestemd voor verwijdering:

alle afvalstoffen;

b) indien bestemd voor nuttige toepassing:

i) de afvalstoffen van bijlage IV, inclusief inter alia de afvalstoffen die worden genoemd in de bijlagen II en VIII bij het Verdrag van Bazel;

ii) de afvalstoffen van bijlage IV A;

iii) de afvalstoffen die niet onder één code van bijlage III, III B, IV of IV A vallen;

iv) mengsels van afvalstoffen die niet onder één code van bijlage III, III B, IV of IV A vallen, tenzij zij staan vermeld in bijlage III A.

2. Overbrengingen van de volgende voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen vallen onder de algemene informatieverplichtingen als vastgesteld in artikel 18, wanneer het om meer dan 20 kg gaat:

a) afvalstoffen van bijlage III of III B;

b) mengsels die niet onder één code van bijlage III vallen, van twee of meer soorten afvalstoffen van bijlage III, mits de samenstelling van deze mengsels geen gevaar vormt voor de milieuhygiënisch verantwoorde nuttige toepassing ervan en mits deze mengsels overeenkomstig artikel 58 vermeld zijn in bijlage III A.

3. Soorten afvalstoffen van bijlage III vallen, in uitzonderlijke gevallen, onder de relevante bepalingen alsof zij vermeld stonden in bijlage IV, indien zij een van de in bijlage III bij Richtlijn 91/689/EEG vermelde gevaarlijke eigenschappen vertonen. Deze gevallen worden behandeld overeenkomstig artikel 58.

(...)"

5.1. Het middel klaagt in de eerste plaats over 's Hofs oordeel dat het anodeslib kan worden aangemerkt als een afvalstof als bedoeld in art. 2 en 3 EVOA jo art. 10.60 Wet milieubeheer. Deze klacht valt uiteen in twee deelklachten. De eerste deelklacht ziet op 's Hofs oordeel dat sprake is van een afvalstof als bedoeld in art. 3, eerste lid onder b EVOA op grond waarvan de procedure van voorafgaande kennisgeving en toestemming moet worden gevolgd.

5.2. Art. 3, eerste lid onder b EVOA (hiervoor weergegeven) bepaalt - kort gezegd en voor zover bij de beoordeling van het middel van belang - dat op overbrengingen van afvalstoffen van bijlage IV(3), inclusief inter alia de afvalstoffen die worden genoemd in de bijlagen II en VIII bij het Verdrag van Bazel, bestemd voor nuttige toepassing, de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming van toepassing is.

5.3. Art. 1, eerste lid, van het Verdrag van Bazel luidt als volgt:

"1. De volgende afvalstoffen die het voorwerp zijn van grensoverschrijdende overbrenging zijn 'gevaarlijke afvalstoffen' voor de toepassing van dit Verdrag:

a) afvalstoffen behorend tot een categorie die is opgenomen in Bijlage I, tenzij zij geen van de in Bijlage III genoemde eigenschappen bezitten, en

b) afvalstoffen die niet onder de bepaling van letter a) vallen maar die in de nationale wetgeving van de Partij van uit-, in- of doorvoer worden omschreven of beschouwd als gevaarlijke afvalstoffen."

Bijlage I bevat categorieën van te beheersen afvalstoffen. De Bijlage houdt onder meer in:

"Afvalstoffen die als bestanddeel hebben:

(...)

Y24Arseen; arseenverbindingen

(...)

Y27Antimoon; antimoonverbindingen

(...)

Y31Lood; loodverbindingen

(...)

a Teneinde de toepassing van dit Verdrag te vergemakkelijken en onder voorbehoud van de letters b, c en d, worden de in Bijlage VIII genoemde afvalstoffen gekarakteriseerd als gevaarlijk in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a, van dit Verdrag en is artikel 1, eerste lid, onder a, van dit Verdrag niet van toepassing op de in Bijlage IX genoemde afvalstoffen.

b De opneming van een afvalstof in Bijlage VIII sluit niet uit dat, in bepaalde gevallen, een beroep wordt gedaan op Bijlage III om aan te tonen dat de afvalstof niet gevaarlijk is in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a, van dit Verdrag.

c De opneming van een afvalstof in Bijlage IX sluit niet uit dat, in bepaalde gevallen, een afvalstof als schadelijk wordt gekarakteriseerd in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a, van dit Verdrag, indien deze afvalstof een zodanige hoeveelheid stof bevat die is opgenomen in Bijlage I, dat dit een van de in Bijlage III genoemde eigenschappen oplevert.

d De Bijlagen VIII en IX hebben geen gevolgen voor de toepassing van artikel 1, eerste lid, onder a, van dit Verdrag ten behoeve van de karakterisering van de eigenschappen van afvalstoffen."

Lijst A van Bijlage VIII houdt onder meer het volgende in:

"De in deze Bijlage opgenomen afvalstoffen worden gekarakteriseerd als gevaarlijk in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a, van dit Verdrag en de opneming van een afvalstof in deze Bijlage sluit niet uit dat een beroep wordt gedaan op Bijlage III om aan te tonen dat deze afvalstof niet gevaarlijk is.

A1 Afval van metalen en metaalhoudende afvalstoffen

A1010 Afval van metalen en afvalstoffen en afvalstoffen bestaande uit legeringen van een of meer van de volgende metalen:

- antimoon

- arseen

(...)

- lood

(...)

met uitzondering van dergelijke afvalstoffen die zijn opgenomen in Lijst B.

A1020 Afvalstoffen met uitzondering van afval van metalen in vaste vorm, die een of meer van de volgende bestanddelen of verontreinigingen bevatten:

- antimoon; antimoonverbindingen

(...)

- lood; loodverbindingen

(...)

Afvalstoffen die een of meer van de volgende bestanddelen of verontreinigingen bevatten:

- arseen; arseenverbindingen

(...)

A1120 Afvalslib, met uitzondering van anode slib, van elektrolytische zuiveringssystemen bij elektrolytische koperraffinage en -winning

(...)"

5.4. Uit het voorgaande moet worden afgeleid dat anodeslib is uitgezonderd van categorie A1120 in bijlage VIII bij het Verdrag van Bazel. Anodeslib komt ook niet voor op bijlage II(4) bij het Verdrag van Bazel of bijlage IV(5) bij het EVOA. Dat betekent mijns inziens niet dat de conclusie moet worden getrokken dat het onderhavige anodeslib niet een afvalstof is als bedoeld in art. 3, eerste lid, onder b (i) EVOA.

De considerans voor het Verdrag van Bazel zet in op de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu tegen het risico van schade door gevaarlijke afvalstoffen. Afvalstoffen die antimoon, arseen of lood bevatten zijn gevaarlijk. Een logische en verdragsconforme uitleg van rubriek A1120 kan alleen maar inhouden dat afvalslib van elektrolytische zuiveringssystemen bij elektrolytische koperraffinage enkel een uitzonderingspositie inneemt indien daarin geen gevaarlijke stoffen als antimoon, arseen en lood voorkomen.

Overigens geldt nog het volgende. Art. 3, eerste lid, onder b EVOA kent nog 3 andere categorieën van afvalstoffen waarop die procedure van kennisgeving en toestemming van toepassing is, namelijk:

ii) de afvalstoffen van bijlage IV A(6);

iii) de afvalstoffen die niet onder één code van bijlage III(7), III B(8), IV(9) of IV A vallen;

iv) mengsels van afvalstoffen die niet onder één code van bijlage III, III B, IV of IV A vallen, tenzij zij staan vermeld in bijlage III A.

In dit verband is het volgende onderdeel van de considerans bij Verordening 1013/2006/EG relevant:

"(14) In het geval van overbrenging van voor verwijdering bestemde afvalstoffen en van niet in de bijlagen III, III A en III B vermelde, voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen is het wenselijk het toezicht en de controle optimaal te maken door voor die overbrenging voorafgaande schriftelijke toestemming te vereisen. Een dergelijke procedure dient ook te voorzien in een voorafgaande kennisgeving, zodat de bevoegde autoriteiten zich goed op de hoogte kunnen stellen en alle nodige maatregelen kunnen treffen ter bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu. Voorts dienen deze autoriteiten de mogelijkheid te krijgen op goede gronden bezwaar te maken tegen de overbrenging."

5.5. Het mengsel waaruit het anodeslib bestaat (onder meer lood, arsenicum en antimoon) komt niet voor als afvalstof in bijlage IV A en valt niet onder één code van bijlage III, III B, IV of IV A. Ook valt het mengsel niet onder één code van bijlage III, IIIB, IV of IVA.

Deel II van Bijlage III bij Verordening 1013/206/EG noemt wel "slak afkomstig van de behandeling van edele metalen en koper, bestemd voor latere terugwinning", maar hiermee is niet het anodeslib bedoeld dat geproduceerd is door het elektrolytisch proces.(10)

5.6. Ervan uitgaande dat het anodeslib bestemd was voor nuttige toepassing, betekent dat dat op de overbrenging van het anodeslib toch de procedure van schriftelijke kennisgeving en toestemming van toepassing is.

5.7. Dan de tweede deelklacht. Die ziet zoals gezegd op het oordeel van het Hof dat het anodeslib nog niet het karakter van afvalstof had verloren. De overwegingen van het Hof op dit punt getuigen volgens de steller van het middel van een onjuiste rechtsopvatting, waardoor 's Hofs oordeel onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd is. In de toelichting wordt betoogd dat deze klacht moet worden beoordeeld in het licht van de nieuwe Kaderrichtlijn afvalstoffen, dat wil zeggen Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen. Hoewel nog niet in werking op het tenlastegelegde tijdstip, is deze regeling volgens de steller van het middel gunstiger voor de verdachte. Onder verwijzing naar het arrest van het EHRM in de zaak Scoppola (EHRM 17 september 2009, nr. 10249/03) wordt betoogd dat het Hof dus die regeling had moeten toepassen. Voordat ik over ga tot een inhoudelijke bespreking van de deelklacht, zal ik bespreken of dit standpunt van de steller van het middel juist is.

5.8. De Hoge Raad heeft zich in zijn arrest van 12 juli 2011, LJN BP6878, uitgelaten over de gevolgen van het arrest van het EHRM in de zaak Scoppola voor Nederland. Het arrest van de Hoge Raad houdt onder meer het volgende in:

"3.6.1. De Hoge Raad ziet in de onder 3.4 weergegeven ontwikkelingen (AM: dit is de zaak Scoppola) aanleiding zijn rechtspraak aan te scherpen wat betreft veranderingen in regels van sanctierecht. Voor die regels, die zowel het specifieke strafmaximum als meer algemene regels met betrekking tot de sanctieoplegging kunnen betreffen, heeft voortaan te gelden dat een sedert het plegen van het delict opgetreden verandering door de rechter met onmiddellijke ingang - en dus zonder toetsing aan de maatstaf van het gewijzigd inzicht van de strafwetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten - moet worden toegepast, indien en voor zover die verandering in de voorliggende zaak ten gunste van de verdachte werkt.

Opmerking verdient in dit verband dat op grond van de onder 3.4 weergegeven ontwikkelingen eventueel door de wetgever geformuleerde bijzondere overgangsbepalingen zullen moeten passen binnen de hierboven weergegeven internationale regelgeving. Indien dat niet het geval is, zal de rechter deze bepalingen buiten toepassing moeten laten.

3.6.2. De Hoge Raad blijft echter bij zijn bestendige rechtspraak met betrekking tot veranderingen die verband houden met delictsomschrijvingen, waaronder begrepen veranderingen in de bestanddelen alsmede het vervallen van strafbaarstellingen, bijvoorbeeld in verband met de invoering van een ander handhavingsregime. De onder 3.4 weergegeven ontwikkelingen, die in het bijzonder betrekking hebben op veranderingen in regels van sanctierecht, geven geen aanleiding voor een verandering van die rechtspraak. Daarbij merkt de Hoge Raad op dat die rechtspraak goede grond heeft omdat de strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel wordt bepaald door de regelgeving die geldt ten tijde van het plegen van het strafbare feit. Een uitzondering daarop wordt echter gerechtvaardigd ingeval sprake is van een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten.

Dat inzicht kan overigens ook door de wetgever worden vastgelegd in bijzondere overgangsbepalingen - hetgeen de duidelijkheid ten goede komt."

5.9. De nieuwe Kaderrichtlijn afvalstoffen betreft niet veranderingen in regels van sanctierecht, maar ziet op veranderingen die verband houden met delictsomschrijvingen. Op die veranderingen is de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot art. 1, tweede lid, Sr van toepassing, dat wil - kort gezegd - zeggen dat art. 1, tweede lid, Sr van toepassing is indien na het begaan van het feit de delictsomschrijving is gewijzigd in voor de verdachte gunstige zin en die wetswijziging voortvloeit uit een verandering van inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van het vóór de wetswijziging begane strafbare feit.(11)

De te beantwoorden vraag is dus of de implementatie van de nieuwe Kaderrichtlijn afvalstoffen in de Nederlandse wetgeving blijkt geeft van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van bepaalde, vóór de wetswijziging gepleegde feiten.

5.10. De considerans bij de nieuwe Kaderrichtlijn afvalstoffen houdt onder meer het volgende in(12):

"(1) Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen stelt het wetgevingskader inzake de behandeling van afval in de Gemeenschap vast. In die richtlijn worden kernbegrippen zoals afvalstoffen, nuttige toepassing en verwijdering gedefinieerd en worden de essentiële voorwaarden geschapen voor het beheer van afvalstoffen, met name door een vergunnings- of registratieplicht voor inrichtingen of ondernemingen die handelingen in het kader van afvalbeheer uitvoeren en door een verplichting voor de lidstaten om afvalbeheerplannen op te stellen, en worden basisbeginselen vastgesteld zoals de verplichting om afvalstoffen te behandelen zonder dat negatieve milieueffecten of negatieve effecten op de menselijke gezondheid optreden, het aanmoedigen van de toepassing van de afvalhiërarchie en, conform het beginsel de vervuiler betaalt, het vereiste dat de kosten van de afvalverwijdering worden gedragen door de huidige of de vorige houder van de afvalstoffen of door de producent van het product waaruit het afval voortkomt.

(2) In Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap wordt aangedrongen op uitwerking of herziening van de wetgeving inzake afvalstoffen, daaronder mede begrepen verduidelijking van het onderscheid tussen wat wel en wat geen afval is, en op de vaststelling van maatregelen inzake afvalpreventie en afvalbeheer, met inbegrip van de vaststelling van doelstellingen.

(3) In de mededeling van de Commissie van 27 mei 2003 "Naar een thematische strategie inzake afvalpreventie en afvalrecycling" wordt gewezen op de noodzaak de huidige definities van nuttige toepassing en verwijdering te evalueren, alsmede op de behoefte aan een algemeen toepasselijke definitie van recycling en een debat over de definitie van afvalstoffen.

(4) In zijn resolutie van 20 april 2004 over de bovengenoemde mededeling heeft het Europees Parlement de Commissie uitgenodigd om te onderzoeken of Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging tot de hele afvalsector kan worden uitgebreid. Het heeft de Commissie ook gevraagd een duidelijk onderscheid te maken tussen nuttige toepassing en verwijdering en het onderscheid tussen afvalstoffen en niet-afvalstoffen te verduidelijken.

(5) In zijn conclusies van 1 juli 2004 heeft de Raad de Commissie opgeroepen een voorstel in te dienen om bepaalde aspecten van Richtlijn 75/442/EEG, die inmiddels is ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2006/12/EG, te herzien, teneinde het onderscheid tussen wat wel en wat geen afval is en tussen nuttige toepassing en verwijdering te verduidelijken.

(6) Elk afvalstoffenbeleid moet in de eerste plaats tot doel hebben de negatieve gevolgen van de productie en het beheer van afvalstoffen voor menselijke gezondheid en milieu tot een minimum te beperken. Het afvalstoffenbeleid moet ook gericht zijn op vermindering van het gebruik van hulpbronnen en de praktische toepassing van de afvalstoffenhiërarchie bevorderen.

(...)

(8) Bijgevolg moet Richtlijn 2006/12/EG worden herzien, teneinde de definities van basisbegrippen zoals afvalstof, nuttige toepassing en verwijdering te verduidelijken, de inzake afvalpreventie te nemen maatregelen te versterken, een benadering te introduceren die rekening houdt met de hele levenscyclus van producten en materialen en niet uitsluitend met de afvalfase, en de aandacht te richten op een vermindering van de milieueffecten van afvalproductie en afvalbeheer, zodat de economische waarde van afvalstoffen wordt vergroot. Voorts dient de nuttige toepassing van afvalstoffen en het gebruik van door nuttige toepassing verkregen materialen te worden bevorderd teneinde de natuurlijke hulpbronnen te beschermen. Ten behoeve van de duidelijkheid en de leesbaarheid dient Richtlijn 2006/12/EG te worden ingetrokken en door een nieuwe richtlijn te worden vervangen.

(...)

(22) Er mag geen verwarring bestaan over de diverse aspecten van de definitie van afvalstoffen en indien nodig moeten er passende procedures worden toegepast op bijproducten die geen afvalstoffen zijn enerzijds en op afvalstoffen die niet langer afvalstoffen zijn anderzijds. De definitie van afvalstoffen dient in bepaalde opzichten te worden gespecificeerd, en daarom moet in deze richtlijn duidelijk worden gemaakt:

- wanneer stoffen of voorwerpen die het resultaat zijn van een productieproces dat niet in de eerste plaats op het vervaardigen van die stoffen gericht is, bijproducten en geen afvalstoffen zijn. De beslissing dat een stof geen afvalstof is, kan alleen worden genomen op grond van een gecoördineerde, op gezette tijden te actualiseren beleidslijn, en mag niet strijdig zijn met de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid. Indien het gebruik van een bijproduct is toegestaan krachtens een milieuvergunning of algemene milieuvoorschriften, kan dit door de lidstaten worden gebruikt als instrument om te besluiten dat er al met al geen negatieve gevolgen voor het milieu of de menselijke gezondheid te verwachten zijn; een voorwerp of stof mag alleen als bijproduct worden beschouwd als er aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Aangezien bijproducten behoren tot de categorie producten, moet bij de uitvoer van bijproducten worden voldaan aan de vereisten van de desbetreffende communautaire wetgeving; en

- in welke gevallen een bepaalde stof niet langer een afvalstof is, door vaststelling van ter zake dienende criteria die een hoge mate van milieubescherming en economische en milieuvoordelen bieden; categorieën afvalstoffen waarvoor "einde-afvalfase"-specificaties en - criteria zouden kunnen worden bepaald, zijn, onder meer, bouw- en sloopafval, bepaalde soorten as en slakken, metaalschroot, granulaten, banden, textiel, compost, papier- en glasafval. Een nuttige toepassing voor het bereiken van de einde-afvalfase-status kan beperkt blijven tot een controle van de afvalstof, waarbij wordt nagegaan of zij voldoet aan de criteria om niet langer als afvalstof te gelden.

(...)"

5.11. De Memorie van Toelichting bij de Implementatiewet EG-Kaderrichtlijn afvalstoffen(13) houdt onder meer het volgende in:

"A. Algemeen

(...)

2. Aanleiding van de richtlijn

(...)

De richtlijn is formeel een nieuwe richtlijn, materieel gezien is het echter een vervlechting en herziening van drie bestaande richtlijnen. De richtlijn bevat elementen van de richtlijn betreffende afvalstoffen (2006/12/EG), de zogenaamde kaderrichtlijn afvalstoffen, de richtlijn gevaarlijke afvalstoffen (91/689/EEG) en de richtlijn afgewerkte olie (75/439/EEG). De integratie van deze richtlijnen tot één richtlijn heeft als doel om één overkoepelend kader neer te zetten voor de communautaire afvalstoffenregelgeving voor zowel gevaarlijke als niet-gevaarlijke afvalstoffen. Het algemene doel van de richtlijn is blijkens haar overwegingen en artikel 1 van de richtlijn om maatregelen te stellen ter bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid door middel van preventie of beperking van de negatieve gevolgen die de productie van afvalstoffen en het afvalstoffenbeheer met zich meebrengen, alsmede door middel van de beperking van de gevolgen in het algemeen van het gebruik van hulpbronnen en de verbetering van het efficiënt gebruik van hulpbronnen. Met de richtlijn wordt beoogd om een hoog milieubeschermingsniveau te verwezenlijken door een regelgevend kader vast te stellen voor handelingen met afvalstoffen en afvalverwerkende inrichtingen binnen de Gemeenschap en essentiële beginselen rondom het beheer van afvalstoffen te formuleren. De richtlijn kent hierdoor naast het bovenstaande algemene oogmerk, een aantal ten opzichte van bovengenoemde richtlijnen nieuwe doelen die door de richtlijn worden nagestreefd.

3. Doelen van de richtlijn

3.1 Onderwerp en toepassingsgebied van de richtlijn

In de richtlijn worden maatregelen voorgeschreven voor de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid. De maatregelen richten zich specifiek op de preventie of de beperking van de negatieve gevolgen van de productie van afvalstoffen, de preventie of de beperking van de negatieve gevolgen van het beheer van afvalstoffen en op de beperking van gevolgen in het algemeen van het gebruik van hulpbronnen en de verbetering van de efficiëntie van het gebruik van hulpbronnen. Met de vaststelling van deze richtlijn zijn het onderwerp en het toepassingsgebied uitgebreid ten opzichte van de oorspronkelijke richtlijn. Het oogmerk om kaderstellend te zijn voor het gebruik van hulpbronnen en de efficiëntie van het gebruik van afvalstoffen is een nieuwe ontwikkeling binnen de Europese afvalstoffenregelgeving. Het streven om te komen tot een Europese recyclingsmaatschappij is een belangrijke aanleiding voor deze uitbreiding van het toepassingsgebied van de richtlijn. Door de nadruk die de richtlijn legt op de milieudoelstellingen van artikel 174 van het Verdrag wordt het mogelijk de milieueffecten van afvalproductie en afvalbeheer gedurende de hele levenscyclus van hulpbronnen duidelijker op de voorgrond te plaatsen.

Naast een verbreding van het onderwerp en het toepassingsgebied van de richtlijn ten opzichte van de huidige richtlijn afvalstoffen, introduceert de richtlijn eveneens meer uitzonderingen op het toepassingsgebied. Een aantal specifiek benoemde stoffen en voorwerpen wordt uitgezonderd van de toepassing van de richtlijn. Deze stoffen of voorwerpen vallen onder de definitie van afval, maar het van toepassing verklaren van de verplichtingen uit de richtlijn zou in sommige gevallen leiden tot conflicterende Europese regelgeving en in andere gevallen tot hinderlijke beperkingen voor de toepassing van deze stoffen of voorwerpen. De richtlijn hanteert voor deze specifieke stromen verschillende uitzonderingen. De richtlijn kent de volledige uitsluiting van categorieën stromen van de werking van de richtlijn en daarnaast een categorie stromen van stoffen of voorwerpen die enkel is uitgezonderd van de plichten van de richtlijn voor zover er reeds communautaire regelgeving op die stromen van toepassing is. Voor deze stromen geldt dat onderdelen waarover de betreffende communautaire regelgeving niets regelt, onderworpen zijn aan de maatregelen van de richtlijn. De richtlijn functioneert in deze gevallen als een vangnet, zodat er altijd een regelgevend kader op deze stromen afval van toepassing is. De uitzonderingen in de richtlijn verschillen op punten aanzienlijk met de huidige kaderrichtlijn afvalstoffen (2006/12/EG). Als gevolg daarvan zullen bedoelde afvalstromen, geheel of gedeeltelijk, niet langer onder de nationale afvalregelgeving vallen die op de richtlijn is gebaseerd. De uitzonderingen rondom bodem (in situ), niet-verontreinigde grond en ander van nature voorkomend materiaal, afgegraven bij bouwactiviteiten, radioactieve afvalstoffen, afgedankte explosieven, uitwerpselen, stro en ander natuurlijk, niet-gevaarlijk materiaal, rechtstreeks afkomstig uit de land- of bosbouw, dat wordt gebruikt in de landbouw, de bosbouw of voor de productie van energie uit die biomassa door middel van processen of methoden die onschadelijk zijn voor het milieu en die de menselijke gezondheid niet in gevaar brengen, dierlijke bijproducten en sediment dat binnen oppervlaktewater wordt verplaatst, zijn nieuw of veranderd ten opzichte van de huidige richtlijn.

3.2 Harmonisatie

De richtlijn introduceert negen nieuwe definities rondom afvalbeheer. Tevens is een aantal bestaande definities rondom afvalbeheer fundamenteel herzien. Er is behoefte gebleken aan een verdergaande harmonisatie van begrippen en verduidelijking van de bestaande begrippen om te komen tot beter op elkaar aansluitende praktijken binnen de Europese Gemeenschap. De definities moeten het streven om te komen tot een gemeenschappelijke markt voor afvalstoffen en tevens het creëren van een gelijk speelveld voor bedrijven binnen Europa faciliteren. De verandering van de omschrijving van een aantal bestaande definities en introductie van nieuwe definities op Europees niveau en de implementatie daarvan in dit wetsvoorstel, zal haar weerslag hebben op de bestaande praktijk van afvalbeheer binnen Nederland. Er wordt met dit wetsvoorstel inhoudelijk aangesloten bij de Europese definities. Ook ten aanzien van de eisen waaraan de afvalbeheerplannen van de verschillende lidstaten moeten voldoen, is er sprake van een verdere harmonisatie. De richtlijn stelt meer en uitgebreidere eisen rondom zaken die moeten worden opgenomen in de afvalbeheerplannen.

3.2.1 Definities

Er is een grote markt voor afvalstoffen binnen en buiten Europa. Als gevolg hiervan vindt er voortdurend grensoverschrijdend transport van afvalstoffen plaats. Om te waarborgen dat de verplichtingen uit de richtlijn zoveel mogelijk gelijkluidend worden geformuleerd en toegepast binnen de Europese lidstaten, heeft er in de richtlijn zowel een revisie van als een aanvulling op de gehanteerde definities plaatsgevonden. De bestaande definities van nuttige toepassing en verwijdering zijn verder uitgewerkt. De omschrijving van deze definities is hierdoor anders komen te luiden. Dit zal ook zijn weerslag hebben op de praktijk rondom het afvalbeheer. Het uitgangspunt voor de definitie van nuttige toepassing is de inzet van afvalstoffen waardoor inzet van andere materialen die voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, wordt voorkomen. Naast de wijziging van bestaande definities wordt er een aantal nieuwe definities geïntroduceerd die voorheen niet waren opgenomen in één van de in te trekken richtlijnen. De richtlijn introduceert definities voor gescheiden inzameling, preventie, hergebruik, verwerking, voorbereiding voor hergebruik en recycling.

3.2.2. Afval, bijproduct en einde-afval

De definitie van afval ziet op alle stoffen en voorwerpen waarvan de houder zich ontdoet, het voornemen heeft om zich ervan te ontdoen of om redenen, bijvoorbeeld een wettelijke verplichting, zich moet ontdoen. De status van afvalstof en de bijbehorende verplichtingen afkomstig uit Europese en nationale regelgeving, kunnen hinderlijk zijn voor een hoogwaardige toepassing van deze stoffen of voorwerpen en daarmee in de weg staan aan een Europese recyclingsmaatschappij. De Europese wetgever heeft om deze reden een aantal stromen afval uitgezonderd van de verplichtingen van de richtlijn zoals hierboven reeds beschreven. Daarnaast heeft de Europese wetgever artikelen opgenomen in de richtlijn over bijproducten en het einde van de afvalstofstatus. Het artikel over bijproducten geeft het toetsingskader voor de beoordeling of er sprake is van een bijproduct in plaats van een afvalstof. Er moet aan alle criteria worden voldaan, wil er sprake zijn van een bijproduct. Er is geen bevoegdheid voor lidstaten om (andere) bijproducten aan te wijzen of extra voorwaarden te formuleren. Er is namelijk naast het toetsingskader, een bevoegdheid opgenomen om via de comitologieprocedure nadere maatregelen vast te stellen voor specifieke stoffen of voorwerpen. Een nadere explicitering en uitleg van de criteria zal, waar nodig, in het Landelijk afvalbeheerplan worden opgenomen. In de richtlijn is tevens in artikel 6 een procedure opgenomen om de status van afvalstof te laten vervallen voor bepaalde stoffen en voorwerpen nadat zij reeds een bepaalde handeling van nuttige toepassing hebben ondergaan. De criteria waaraan getoetst moeten worden, zijn echter niet opgenomen in de richtlijn zelf. Er is slechts opgenomen dat er criteria per afvalstroom kunnen worden opgesteld via de comitologieprocedure. Deze criteria moeten voldoen aan de basisvoorwaarden die worden genoemd in het betreffende artikel. De bevoegdheid om criteria vast te stellen ligt op Europees niveau. Aan de lidstaten wordt wel onder voorwaarden (melding aan de Commissie) de vrijheid gegeven om op basis van de bestaande jurisprudentie per geval een bepaalde afvalstof niet langer aan te merken als een afvalstof. Dergelijke afwegingen kunnen niet generiek wettelijk worden geregeld en zullen moeten plaatsvinden op basis van interpretatie van jurisprudentie. In het Landelijk afvalbeheerplan zal aandacht worden besteed aan de gehanteerde interpretatie van de relevante jurisprudentie voor het bepalen of er sprake van is dat een partij afval niet langer als een afvalstof behoeft te worden aangemerkt.

3.3 Recyclingmaatschappij

De richtlijn stelt als doel om tot een Europese recyclingmaatschappij met een hoge grondstoffen-efficiëntie te komen. Om dit doel te bereiken, legt de richtlijn aan de lidstaten doelstellingen op inzake recycling en andere nuttige toepassing van bepaalde stromen afval. Tevens introduceert de richtlijn verplichtingen rondom het gescheiden inzamelen van papier, metaal, kunststof en glas. Het doel van de gescheiden inzameling is om te zorgen dat het afval voldoet aan de noodzakelijke kwaliteitsnormen voor recycling. Om een uniforme uitvoering van deze plichten te bevorderen, worden in de richtlijn nieuwe definities gegeven voor gescheiden inzameling, hergebruik, voorbereiding voor hergebruik en recycling en is de omschrijving van het begrip nuttige toepassing aangepast. De richtlijn vereist verder dat lidstaten passende maatregelen nemen om hergebruik van producten en het voorbereiden van hergebruik te stimuleren. Speciale aandacht wordt er besteed aan hergebruiks- en reparatienetwerken.

3.3.1 Afvalpreventie en hergebruik

Het streven om te komen tot een efficiënter gebruik van hulpbronnen is een belangrijk uitgangspunt in de richtlijn. Het voorkómen dat afvalstoffen ontstaan is een middel om te komen tot dit doel. De richtlijn geeft om deze reden veel aandacht aan preventie. In de overwegingen wordt aangegeven dat een van de redenen om de richtlijn te herzien, is geweest om te nemen maatregelen rondom afvalpreventie te versterken. Er is met dit doel een definitie van preventie geïntroduceerd en een verplichting opgelegd aan lidstaten om op termijn een afvalpreventieprogramma op te stellen. In bijlage IV van de richtlijn zijn zestien uitgewerkte voorbeelden gepresenteerd van afvalpreventiemaatregelen om lidstaten te inspireren en een referentiekader te creëren voor de te treffen maatregelen. In de afvalhiërarchie in Europees verband wordt ook preventie als eerste prioriteit gehanteerd. Een belangrijk onderdeel van preventie is gericht op het slim en ecologisch ontwerpen van producten zodat deze aan het einde van hun levenscyclus gemakkelijker kunnen worden gerecycled tot andere producten of als afvalstoffen minder gevolgen hebben voor het milieu en de mens. Het hergebruik zoals de richtlijn en in lijn daarmee het wetsvoorstel dit definieert, geeft invulling aan het doel om te komen tot meer preventie van het ontstaan van afvalstoffen. Belangrijk element van de definitie van hergebruik is dat er dan geen sprake is van een afvalstof. De nieuwe definitie sluit op dit onderdeel niet aan bij de wijze zoals deze term in de huidige wetgeving wordt gebezigd. Wanneer er wel sprake is van een afvalstof dan kan er in de nieuwe situatie geen sprake zijn van hergebruik. De oude definitie van hergebruik komt deels terug in de nieuwe definitie van recycling en deels in die van voorbereiding voor hergebruik.

3.3.2 Voorbereiding voor hergebruik en recycling

Het streven van de richtlijn is om te komen tot een zuiniger gebruik van hulpbronnen. Dit vult de richtlijn enerzijds in door meer verplichtingen op te leggen rondom het voorkómen van het ontstaan van afvalstoffen en anderzijds door het gebruik van afvalstoffen ten gunste van een spaarzamer gebruik van hulpbronnen te faciliteren. De richtlijn geeft veel handvatten en plichten waarmee lidstaten in staat worden gesteld om te stimuleren en te verplichten dat afvalstoffen hoogwaardig worden toegepast. Een nieuwe categorie van handelingen met afval wordt in de richtlijn gedefinieerd. Het controleren, schoonmaken of repareren van afvalstoffen waarbij deze klaar worden gemaakt voor hergebruik, zonder dat er een verdere voorbehandeling nodig is, wordt gedefinieerd als de voorbereiding voor hergebruik. In het wetsvoorstel is dat overgenomen. Vooral kringloopbedrijven houden zich voornamelijk met dergelijke handelingen bezig. Door de synergie tussen de definities van voorbereiding voor hergebruik, hergebruik en nuttige toepassing, leiden deze handelingen tot een snelle inzet van afvalstoffen in de economie ten gunste van een spaarzamer gebruik van hulpbronnen. De werking van de huidige richtlijn veroorzaakte onnodige belemmeringen voor deze afvalstoffen die eenvoudig weer een nuttige toepassing kunnen krijgen. In de afvalhiërarchie wordt het als tweede prioriteit gesteld en verdient daarmee de voorkeur als mogelijkheid binnen het afvalbeheer. Ook voor recycling wordt in richtlijn en wetsvoorstel een nieuwe definitie geïntroduceerd. Onder recycling vallen handelingen die zien op het opnieuw bewerken van afvalstoffen tot producten, materialen of stoffen, voor hun oorspronkelijke doel, alsmede op het bewerken van afvalstoffen tot producten, materialen of stoffen, voor een ander doel. Energieterugwinning en het bewerken voor het gebruik als brandstof en opvulmateriaal behoort echter niet tot recycling. De richtlijn stelt in artikel 11, tweede lid, doelen die de lidstaten moeten halen tegen 2020 inzake voorbereiding voor hergebruik en recycling van bepaalde afvalstromen. Deze doelen zijn gesteld zodat het doel van een Europese recyclingsmaatschappij kan worden gerealiseerd.

(...)

C. Artikelen

Artikel I

(...)

3 (1.1, wijziging zesde lid)

Deze wijziging strekt er in de eerste plaats toe om artikel 6, eerste lid, van de richtlijn (einde-afvalfase) te implementeren (eerste volzin van artikel 1.1, zesde lid, van de Wet milieubeheer). De voorgestelde nieuwe eerste volzin regelt de gevallen waarin afvalstoffen niet langer als afvalstoffen worden aangemerkt. Daartoe dienen zij een behandeling voor nuttige toepassing te hebben ondergaan, waaronder mede wordt verstaan een recyclingsbehandeling, en te voldoen aan in een procedure voor regelgeving met toetsing vast te stellen criteria, die opgesteld moeten worden onder de volgende voorwaarden:

a. de stof, het preparaat of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen;

b. er is een markt voor de vraag naar die stof, dat preparaat of dat voorwerp;

c. de stof, het preparaat of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen en

d. het gebruik ervan heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

Volgens artikel 6, tweede lid, van de richtlijn moeten dergelijke speciale criteria ten minste worden overwogen voor granulaten, papier, glas, metaal, banden en textiel.

Zolang voornoemde speciale criteria nog niet zijn vastgesteld, kan er ook geen sprake zijn van een einde-afvalfase.

Artikel 6, vierde lid, van de richtlijn biedt nog de mogelijkheid per geval, rekening houdend met de toepasselijke rechtspraak, te beslissen of een bepaalde afvalstof niet langer een afvalstof is. Voorzover hiervan al gebruik zal worden gemaakt, zal dit worden aangegeven in het landelijk afvalbeheerplan."

5.12. De considerans voor de Kaderrichtlijn 2008/98/EG noopt mijns inziens niet tot de conclusie dat de Europese wetgever gekomen is tot een gewijzigd inzicht met betrekking tot de strafwaardigheid van het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen zonder dat aan de procedurele eisen van de voorafgaande schriftelijke kennisgeving een toestemming is voldaan. De Kaderrichtlijn schept een raamwerk waarbinnen afvalpreventie en afvalbeheer nader worden verfijnd volgens bepaalde prioriteiten. De Kaderrichtlijn geeft wel omschrijvingen van 'hergebruik', 'verwerking', 'nuttige toepassing', 'voorbereiding voor hergebruik' en 'recycling', en introduceert wel een speciaal artikel 5 over bijproducten, maar mijns inziens is hier slechts sprake van een nadere polijsting en verbijzondering, zonder dat dit het inzicht in de strafwaardigheid van handelingen zoals aan verdachte verweten raakt. De nationale wetgever heeft blijkens de Memorie van Toelichting bij de implementatiewet evenmin het standpunt ingenomen dat er sprake zou zijn van een gewijzigd inzicht in de strafwaardigheid van eerder strafbaar gestelde gedragingen.

5.13. Dat betekent dat de 'oude' jurisprudentie over afvalstoffen van toepassing is, meer in het bijzonder de 'oude' jurisprudentie over de einde-afvalstatus. Uit die jurisprudentie blijkt dat een stof of voorwerp door nuttige toepassing het karakter van afvalstof kan verliezen.

Ik verwijs in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van 24 juni 2008, C-188/07 in een zaak waarin een tanker voor de Franse kust was vergaan, waardoor een deel van de brandstof en de lading de stranden van de gemeente Mesquer had verontreinigd. De gemeente stelde zich op het standpunt dat er sprake was van schade veroorzaakt door afvalstoffen, maar de Cour de Cassation stelde in prejudiciële vragen de kwestie aan de orde of zware stookolie wel als afvalstof kan worden aangemerkt. Het Hof overwoog aldus:

"37 Om te beginnen moet erop worden gewezen dat ingevolge artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442 als afvalstof dient te worden beschouwd, elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I bij die richtlijn genoemde categorieën, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

38 Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof in de context van deze richtlijn hangt dus af van de betekenis van de woorden "zich te ontdoen" (arrest van 18 december 1997, Inter-Environnement Wallonie, C 129/96, Jurispr. blz. I 7411, punt 26), en bij de uitlegging van deze woorden moet derhalve overeenkomstig de rechtspraak van het Hof rekening worden gehouden met de doelstelling van de richtlijn (arrest van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland e.a., C 418/97 en C 419/97, Jurispr. blz. I 4475, punt 37), te weten volgens de derde overweging van de considerans de bescherming van de gezondheid van de mens en van het milieu tegen de schadelijke gevolgen veroorzaakt door het ophalen, het transport, de behandeling, de opslag en het storten van afvalstoffen, tegen de achtergrond van artikel 174, lid 2, EG, dat bepaalt dat de Gemeenschap in haar milieubeleid naar een hoog niveau van bescherming streeft en dat dit beleid onder meer berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen (zie arrest van 11 november 2004, Niselli, C 457/02, Jurispr. blz. I 10853, punt 33).

39 Het Hof heeft tevens geoordeeld dat, gelet op de doelstelling van richtlijn 75/442 het begrip afvalstof niet restrictief kan worden uitgelegd (zie arrest ARCO Chemie Nederland e.a., reeds aangehaald, punt 40).

40 Dit begrip kan alle voorwerpen en stoffen omvatten waarvan de eigenaar zich ontdoet, zelfs al hebben zij commerciële waarde en worden zij opgehaald voor handelsdoeleinden met het oog op recycling, terugwinning of hergebruik (zie met name arrest van 18 april 2002, Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, C 9/00, Jurispr. blz. I 3533, hierna; "arrest Palin Granit", punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

41 Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van een stof of voorwerp te ontdoen in de zin van artikel 1, sub a, van richtlijn 75/442. Dat is met name het geval wanneer de gebruikte stof een productieresidu is, dat wil zeggen een product dat niet als zodanig was beoogd (arrest ARCO Chemie Nederland e.a., reeds aangehaald, punten 83 en 84). Zo heeft het Hof verklaard dat bij winning vrijgekomen ganggesteente uit een granietgroeve, dat niet de door de exploitant in eerste instantie beoogde productie vormt, in beginsel een afvalstof is (arrest Palin Granit, punten 32 en 33).

42 Niettemin is het mogelijk dat goederen, materialen of grondstoffen die worden verkregen bij een productieproces of door delving zonder dat die handelingen in de eerste plaats op de winning daarvan zijn gericht, geen residu vormen, maar een bijproduct waarvan de onderneming zich niet wenst te ontdoen, maar dat zij in een later stadium, in economisch gunstige omstandigheden, wil exploiteren of op de markt brengen zonder voorafgaande bewerking (zie arrest Palin Granit, punt 34, en beschikking van 15 januari 2004, Saetti en Frediani, C 235/02, Jurispr. blz. I 1005, punt 35).

43 Er is immers geen enkele rechtvaardigingsgrond om de bepalingen van richtlijn 75/442 toe te passen op goederen, materialen of grondstoffen die economisch gezien de waarde hebben van producten, ongeacht of zij enige bewerking hebben ondergaan of niet, en die als zodanig onder de wettelijke regeling vallen die op deze producten van toepassing is (zie arrest Palin Granit, punt 35, en beschikking Saetti en Frediani, reeds aangehaald, punt 35).

44 Gelet echter op de verplichting om het begrip afvalstoffen ruim uit te leggen teneinde de nadelen en de schadelijke gevolgen die deze stoffen naar hun aard met zich brengen, te beperken, moet deze redenering met betrekking tot bijproducten alleen worden gevolgd voor situaties waarin hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces (arrest Palin Granit, punt 36, en beschikking Saetti en Frediani, reeds aangehaald, punt 36).

45 Naast het criterium of een stof een productieresidu is, is dus de mate van waarschijnlijkheid dat deze stof zonder voorafgaande bewerking wordt hergebruikt, een tweede relevant criterium om te beoordelen of de stof een afvalstof is in de zin van richtlijn 75/442. Wanneer het niet slechts mogelijk is, de stof te hergebruiken, maar er voor de houder ook economisch voordeel bestaat om dit te doen, is de waarschijnlijkheid van hergebruik groot. In dat geval kan de betrokken stof niet meer worden gezien als een stof waarvan de houder tracht "zich te ontdoen", maar moet zij worden beschouwd als een echt product (zie arrest Palin Granit, punt 37).

46 In het hoofdgeding is de in geding zijnde stof kennelijk verkregen na olieraffinage.

47 Dit residu kan evenwel commercieel worden geëxploiteerd in economisch gunstige omstandigheden, zoals wordt bevestigd door het feit dat er een handelsovereenkomst over is gesloten en dat het voldoet aan de specificaties van de koper, zoals door de verwijzende rechter wordt benadrukt.

48 Derhalve moet op de eerste vraag worden geantwoord dat een stof als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, zware stookolie die wordt verkocht als brandstof, geen afvalstof is in de zin van richtlijn 75/442, wanneer zij wordt geëxploiteerd of verhandeld in economisch gunstige omstandigheden en feitelijk kan worden gebruikt als brandstof zonder dat voorafgaande bewerking noodzakelijk is."

5.14. Het anodeslib lijkt in de geest van deze uitspraak een bijproduct, op de winning waarvan het productieproces bij verdachte niet in de eerste plaats was gericht. Zo een bijproduct zal de status van afvalstof echter slechts verliezen als het hergebruik ervan zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces zeker is. De terugwinning van edele metalen uit het anodeslib vergde, aldus heeft het Hof vastgesteld, nog nadere bewerkingen.(14) Zonder voorafgaande bewerking kunnen de stoffen die zich in het anodeslib bevinden niet worden gewonnen. Aldus voldoet het anodeslib zelf niet aan een van de belangrijkste voorwaarden die het Hof stelt, wil er sprake kunnen zijn van de transitie van afvalstof tot (bij)product.

5.15. Maar ook als de nieuwe Afvalstoffenrichtlijn wel van toepassing zou zijn zou dat de verdachte niet kunnen baten.

Art. 6 luidt van Richtlijn 2008/98/EG aldus:

"Einde-afvalfase

1. Sommige specifieke afvalstoffen zijn niet langer afvalstoffen in de zin van artikel 3, punt 1), wanneer zij een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder een recyclingsbehandeling, hebben ondergaan en voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden onder de volgende voorwaarden:

a) de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen;

b) er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp;

c) de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; en tevens

d) het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten voor het milieu of de menselijke gezondheid.

De criteria omvatten, indien nodig, grenswaarden voor verontreinigende stoffen, en houden rekening met eventuele nadelige milieugevolgen van de stof of het voorwerp.

2. De maatregelen die beogen niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door haar aan te vullen en die betrekking hebben op het aannemen van de in lid 1 bedoelde criteria en de omschrijving van het soort afvalstoffen waarop die criteria van toepassing zijn, worden vastgesteld volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing. Specifieke criteria voor de "einde-afvalfase" moeten onder meer tenminste worden overwogen voor granulaten, papier, glas, metaal, banden en textiel.

3. Afvalstoffen die, onder de in de leden 1 en 2 gestelde voorwaarden en specifieke criteria niet langer als afvalstoffen gelden, gelden ook niet langer als afvalstoffen voor het halen van de in de Richtlijnen 94/62/EG, 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2006/66/EG en andere toepasselijke communautaire wetgeving vastgestelde doelstellingen voor nuttige toepassing en recycling, mits aan de vereisten op het gebied van nuttige toepassing of recycling van die wetgeving is voldaan.

4. Indien er geen volgens de in de leden 1 en 2 bedoelde procedure op communautair niveau bepaalde criteria bestaan, kunnen de lidstaten, rekening houdend met de toepasselijke rechtspraak, per geval beslissen of een bepaalde afvalstof niet langer een afvalstof is. Zij stellen de Commissie overeenkomstig Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (1) van dergelijke beslissingen in kennis, voor zover die richtlijn zulks voorschrijft."

5.16. Ik vat het voorgaande samen.

Het anodeslib moest nog een recyclingsbehandeling ondergaan en de specifieke criteria waarvan de aanhef van het eerste lid van artikel 6 van Richtlijn 2008/98/EG spreekt zijn op communautair noch op nationaal niveau al ontwikkeld. Het anodeslib had dus zijn karakter van afvalstof nog niet verloren als de nieuwe Kaderrichtlijn van toepassing zou zijn.

Omdat het anodeslib nog een behandeling moest ondergaan voldeed het evenmin aan de eisen die de nieuwe Kaderrichtlijn stelt aan bijproducten. Het hof heeft vastgesteld dat de winning van edele metalen uit het anodeslib nadere bewerkingen eiste en dat daarom het anodeslib het karakter van afval niet had verloren op het moment dat het werd getransporteerd. In die overwegingen ligt de verwerping van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging, dat het anodeslib een (bij)product is en geen afvalstof, besloten. Dat betekent dat ook de tweede klacht faalt.

Ook als de nieuwe Kaderrichtlijn nog niet van toepassing was, waar ik van uitga, had het anodeslib het karakter van afvalstof nog niet verloren, omdat een nuttige aanwending zonder een voorafgaande bewerking onmogelijk was.

6.1. Het middel klaagt in de derde plaats dat het Hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd is voorbijgegaan aan het namens de verdachte gedane verzoek tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

6.2. Het middel mist feitelijke grondslag. De pleitnota die in hoger beroep is voorgedragen is gehecht aan het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep van 5 oktober 2010. Het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen is op p. 13 van de pleitnota doorgehaald, zodat ervan moet worden uitgegaan dat een dergelijk verzoek niet is gedaan.

Ook dit onderdeel faalt.

7. Het voorgestelde middel faalt naar mijn mening in al zijn onderdelen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Omwille van de leesbaarheid zijn de voetnoten niet weergegeven.

2 In art. 41 van deze Richtlijn is bepaald dat (onder meer) Richtlijn 2006/12/EG met ingang van 12 december 2010 wordt ingetrokken.

1 PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37.

3 Ook in Bijlage IV, Deel 1, zelf wordt verwezen naar de bijlagen II en VIII van het Verdrag van Bazel.

4 Ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen en reststoffen die voortkomen uit de verbranding van huishoudelijke afvalstoffen.

5 De zogenaamde oranje lijst van afvalstoffen waarvoor de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming geldt. Alle afvalstoffen die zijn opgenomen in de bijlagen II en VIII van het verdrag van Bazel gelden ook als behorende tot deze lijst.

6 Bijlage IV A doelt op afvalstoffen opgenomen in bijlage III waaroor de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming geldt.

7 Bijlage III is de groene lijst van afvalstoffen die vergezeld moeten gaan van bepaalde informatie als bedoeld in artikel 18. Afvalstoffen van deze groene lijst komen toch voor de controleprocedure van schriftelijke kennisgeving en toestemming in aanmerking als de aan die stoffen verbonden risico's toenemen gelet op hun gevaarlijke eigenschappen als bedoeld in bijlage III van Richtlijn 91/689/EEG.

8 Bijlage III B ziet op aanvullende afvalstoffen van de groene lijst in afwachting van het besluit tot opneming in de bijlagen van het verdrag van Bazel of het OESO-besluit als bedoeld in artikel 58, eerste lid onder b.

9 Bijlage IV is de oranje lijst van afvalstoffen, waarvoor de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming geldt. De afvalstoffen die zijn opgenomen in de bijlagen II en VIII van het Verdrag van Bazel vallen onder deze Bijlage IV.

10 Zie voor een beschrijving van het gehele proces Draft guidelines on best available techniques and provisional guidance on best environmental practices relevant to Article 5 and Annex C of the Stockholm Convention on persistent organic pollutions, Genève, december 2006, UNEP/POPS/COP.3/INF/4, Section V.D Thermal processes in the metallurgical industry (i) Secondary copper production, p. 176 e.v., http://www.pops.int/documents/guidance/batbep/batbepguide_en.pdf?bcsi_scan_B0A38A178AE5B708=0&bcsi_scan_filename=batbepguide_en.pdf .

11 HR 12 juli 2011, LJN BP6878, rov. 3.5.2.

12 De voetnoten zijn niet opgenomen.

13 Voluit: Wijziging van de Wet milieubeheer, de Wet belastingen op milieugrondslag en de Wet op de economische delicten ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PbEU L 312), Kamerstukken II, 39 392, nr. 3.

14 Zie C.1, C.2 en D.2 tot en met D.7 van het arrest.